Hof van Cassatie - Arrest van 20 oktober 2003 (België)

Publicatie datum :
20-10-2003
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
8 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20031020-7
Rolnummer :
C020582N

Samenvatting

De verzekeringsinstelling die op grond van de Z.I.V.-wet ongeschiktheidsuitkeringen heeft toegekend, is voor het gehele bedrag ervan in de plaats gesteld van haar rechthebbende, ten aanzien van diegene die, op grond van het gemene recht, voor de ongeschiktheid aansprakelijk is, met deze beperking dat het bedrag van de vordering van de verzekeringsinstelling niet hoger kan zijn dan het bedrag dat de rechthebbende in het gemene recht zou toekomen voor de veroorzaakte ongeschiktheid.

Arrest

Nr. C.02.0582.N.-
LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel gevestigd te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579, postbus 40,
eiser,
vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
ROYAL & SUNALLIANCE, naamloze vennootschap naar Nederlands recht, schadeverzekeringen, met zetel gevestigd te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, Woluwelaan 64,
verweerster,
vertegenwoordigd door Mr. Philippe Gérard, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, bus 28, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 maart 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Bij beschikking van de Voorzitter van 17 september 2003 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen.
Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd.
III. Middelen
Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ;
- artikel 76quater, ,§ 2, alinea 4, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (dat het voorheen bestaande artikel 70, ,§ 2, omvormde bij artikel 44 van de wet van 30 december 1988, B.S. 5 januari 1989, met uitwerking op 1 januari 1989) en artikel 136, ,§ 2, alinea 4, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering.
Aangevochten beslissing
Eiser, handelend als ziekenfonds gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde X, stelde hoger beroep in tegen het vonnis in eerste aanleg van 15 mei 1996 in zover het haar lastens verweerster als vergoeding voor materiële schade tijdelijke arbeidsongeschiktheid slechts 47.850 BEF, thans 1.186,17 EUR toekende.
In hoger beroep vorderde eiser voor deze schadepost deels bij uitbreiding van zijn eis- een vergoeding van 283.985 BEF (thans 7.039,80 EUR) + 155.850 BEF (thans 3.863,42 EUR) = 439.835 BEF (thans 10.903,22 EUR) plus intresten.
Het aangevochten arrest verklaart deze vordering voor slechts 1.997,35 EUR (voorheen 80.573 BEF) plus intresten gegrond op grond van volgende redenen :
"C. Vordering vergoeding arbeidsongeschiktheid TWO
"De eerste rechter oordeelde in casu dat de vordering van LCM (=eiser) als gesubrogeerde begrensd is door de verrichte uitkeringen én tot de rechten die de verzekerde heeft in gemeen recht tegen de derde aansprakelijke.
De eerste rechter aanvaardde niet dat er een volledig inkomstenverlies in het kader van het PWA-statuut werd gevorderd en de arbeidsongeschiktheid niet kan worden aangezien als 100 pct. voor een langere periode dan diegene die de deskundige weerhield.
De eerste rechter overwoog dat x reeds vroeger het werk had kunnen hernemen, wat ze niet gedaan heeft, dat ze zich kon verplaatsen en vroeger werkbekwaam was.
Deze wetenschap gaat, volgens toelichting van partijen ter zitting van 5 februari 2002, terug op hetgeen de geneesheer-deskundige optekende in zijn verslag p. 4, meer specifiek een mening van de eigen geneesheer van X, zijnde Dr. X Het medisch verslag van de geneesheer-deskundige vermeldt echter ook dat X daarop een ander arts consulteerde die verdere subjectieve klachten van X onderzocht.
(Eiser) daarentegen stelt dat zijn verzekerd lid door het ongeval haar volledige werkloosheidsuitkering en bijkomende vergoeding verloor en niet een bepaald percentage ervan en ze alle schade ten gevolge hiervan kan verhalen op (verweerster) en dit doet op basis van het gemeen recht.
(Eiser) vordert bijgevolg a rato van 100 pct. wat hij heeft betaald tot aan de oppensioenstelling van X:
- de deelvordering tussen 22 januari 1990 en 28 februari 1994 of 1.285 dagen x 21,89 EUR (883 BEF) x ¼ = 7.039,80 EUR (283.985 BEF) verhoogd met de vergoedende intrest vanaf de gemiddelde datum 1 maart 1992 ;
- de deelvordering tussen 1 maart 1994 en 31 mei 1996, voorwerp van de uitbreiding van de oorspronkelijke eis, of 706 dagen x 21,89 EUR (883 BEF) x ¼ = 3.863,42 EUR (155.850 BEF), verhoogd met de vergoedende intrest vanaf de gemiddelde datum 1 mei 1995).
(Verweerster) stelt daarentegen dat er geen enkele rechtvaardigheids-grond bestaat noch dat artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en volgende grondslag zijn om dagvergoedingen, betaald door LCM tot aan de pensioen-leeftijd, te recupereren opzichtens de aansprakelijke in gemeen recht.
Zij houdt voor dat er effectief werkhervatting mogelijk is geweest, volgens haar vanaf 16 augustus 1990, ogenblik waarop de tijdelijke werkonbekwaamheid degressief (50 pct.) wordt, zodat er enkel vergoedings-plicht bestond en recuperatie mogelijk is voor de periode van tijdelijke invaliditeit à 100 pct. zijnde :
206 dagen x 21,89 EUR (883 BEF) = 4.228,27 EUR (170.568 BEF) x ¼ = 1.057,07 EUR (42.642 BEF), meer de vergoedende rente vanaf de gemiddelde datum 22 juli 1990.
Dit is het voorwerp van het incidenteel beroep.
Het (hof van beroep) overweegt in dit verband als volgt :
Uitgangspunt is dat het subrogatierecht van LCM beperkt wordt door de uitkeringen die effectief werden betaald én door het recht dat de getroffene persoonlijk had kunnen vorderen tegen de derde aansprakelijke (indien het ziekenfonds niet was tussengekomen).
De door de ziekteverzekering verleende uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid waarop de getroffene werkloze recht heeft dekken niet het verlies aan werkloosheidsuitkeringen maar wel de schade die bestaat uit het verlies of vermindering van het (verdien)vermogen om door het verrichten van arbeid inkomsten te verwerven die tot het levensonderhoud kunnen bijdragen
Wanneer (eiser) als grondslag van zijn vordering aangeeft dat hij vergoeding nastreeft van het verlies aan de (volledige) vergoeding die in de plaats van de werkloosheidsuitkering (en toeslag) is uitbetaald streeft hij in essentie de vergoeding na van het verlies aan werkloosheidsuitkeringen en niet de aantasting van het verdienvermogen. Zijn grondslag is fundamenteel onjuist.
Anderzijds zijn de begrippen medische invaliditeit en arbeidsonge-schiktheid geen identieke begrippen (er kan overlapping zijn, indien de invaliditeit gepaard gaat met economische waardevermindering), en wat het begrip 'arbeidsongeschiktheid' betreft is er geen congruentie tussen het begrip arbeidsongeschiktheid volgens gemeen recht en dit in de wetgeving Z.I.V. (er zijn andere evaluatiecriteria).
In geval de arbeidsongeschiktheid gepaard gaat met economische waardevermindering- zoals in casu kan er impact zijn van de schade voor de getroffene op het verrichten van zijn arbeid (tijdelijke arbeidsongeschiktheid) of voor elk passend werk (blijvende arbeidsongeschiktheid).
De stelling van (verweerster) dat het subrogatoire verhaal van LCM beperkt is tot de periode van 100 pct.
(medische) invaliditeit is evenmin terecht, want het is niet noodzakelijk congruent of volledig congruent met de notie arbeidsongeschiktheid.
In concreto dient te worden beoordeeld of de getroffene, niettegenstaande de toestand van werkloosheid/PWA op het ogenblik van het ongeval, door haar arbeidsongeschiktheid al dan niet materieel professioneel verlies heeft geleden, of zij met andere woorden en vanaf wanneer zij terug als werkwillig kon worden beschouwd, respectievelijk eventueel het werk of een gedeelte ervan via PWA of een ander stelsel zou hebben kunnen hernemen ?
De eerste rechter stelt in zijn vonnis, zoals hoger aangegeven, dat de getroffene reeds vroeger het werk had kunnen hernemen, wat ze niet gedaan heeft, dat ze zich kon verplaatsen en vroeger werkbekwaam was.
Hoger werd aangegeven hoe dit gegeven gesitueerd dient te worden.
Het (hof van beroep) is terzake van oordeel rekening houdend met alle elementen, onder meer de graad van medische invaliditeit, de degressiviteit ervan, maar ook met de leeftijd (de kansen van een 55-jarige vrouw op de arbeidsmarkt anno 1991), de verdere subjectieve medische klachten, ook na september 1991 tot minstens einde 1991, dat de kans tot herneming van werkhervatting of geschiktheid ertoe te dezen dient gesitueerd rond de datum van de (medische) consolidatie, zijnde één jaar na het ongeval.
De inmiddels uitgekeerde vergoedingen in Z.I.V. aan dagvergoeding kunnen in alle redelijkheid aan 100 pct. worden verhaald tijdens deze periode, met name 365 x 883 x ¼ = 1.997,35 EUR (80.573 BEF), verhoogd met de vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf de gemiddelde datum zijnde 15 juli 1990.
Het hoger beroep is deels gegrond. De uitbreiding van vordering ongegrond alsook het incidenteel beroep in dit verband."
Grieven
Eerste onderdeel
Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.
Vooreerst wordt het arrest bekritiseerd in zover het de vordering van eiser betreffende de tijdelijke arbeidsongeschiktheid gedeeltelijk ongegrond verklaarde omdat in het kader van de zogenaamde "tweede grens" van het subrogatierecht : "het recht dat de getroffene persoonlijk had kunnen vorderen tegen de derde aansprakelijke (indien het ziekenfonds niet was tussengekomen)" enkel geoordeeld werd dat "-rekening houdend met alle elementen, onder meer de graad van medische invaliditeit, de degressiviteit ervan, maar ook met de leeftijd (de kansen van een 55-jarige vrouw op de arbeidsmarkt anno 1991), de verdere subjectieve medische klachten, ook na september 1991 tot minstens einde 1991- (...) de kans tot herneming van werkhervatting (sic) of geschiktheid ertoe te dezen dient gesitueerd rond de datum van de (medische) consolidatie, zijnde één jaar na het ongeval".
Het arrest wordt in dit eerste onderdeel bijgevolg bekritiseerd in het kader van zogenaamde "tweede grens", dus bij de bepaling van hetgeen getroffene X in gemeen recht van verweerster zou kunnen gevorderd hebben, indien eiser geen uitkeringen had gedaan, derhalve bij de vergelijking van enerzijds de situatie waarin de getroffene zonder het litigieuze ongeval zou verkeerd hebben, met anderzijds de concrete situatie waarin de getroffene ingevolge het ongeval verkeerde.
Wat deze laatste situatie betreft, stelde het arrest zoals hoger aangetoond- vast dat in hoofde van getroffene X "de kans tot herneming van werkhervatting (sic) of geschiktheid ertoe te dezen dient gesitueerd (...) één jaar na het ongeval".
In gemeen recht en rekening houdend met de concrete gevolgen van het ongeval oordeelde het arrest derhalve dat getroffene X vanaf 22 januari 1991 (in gemeen recht) arbeidsgeschikt was en het werk kon hervatten.
Het arrest gaat hierbij echter niet na of getroffene X in deze omstandigheden (arbeidsgeschikt in gemeen recht) vanaf 22 januari 1991 tot haar oppensioenstelling op 1 juni 1996 recht zou gehad hebben op werkloosheidsuitkeringen en PWA-uitkeringen, dan wel deze uitkeringen ingevolge het ongeval- verloren was.
Aldus antwoordt het arrest niet op de middelen ter zake van eiser.
Eiser had inderdaad gevorderd dat verweerster haar een vergoeding zou betalen berekend op basis van de in hoofde van getroffene X ingevolge het ongeval verloren werkloosheidsuitkeringen en PWA-uitkeringen tot de datum van haar oppensioenstelling (1 juni 1996).
Eiser had hierbij gepreciseerd dat getroffene X die op het ogenblik van het ongeval uitkeringsgerechtigde werkloze was, ingevolge het ongeval volgens de werkloosheidsreglementering arbeidsongeschikt was en geen recht meer had op werkloosheidsuitkeringen en uitkeringen in het kader van het PWA-statuut.
Eiser had tevens onderstreept dat de arbeidsongeschiktheid zowel in de werkloosheidsreglementering als in de ZIV-wetgeving identiek was, wat betekende dat een getroffene gedurende gans de periode dat hij als arbeidsongeschikt erkend was in de ZIV-wetgeving en ZIV-uitkeringen genoot, de volledige werkloosheidsuitkeringen gedurende deze periode verloor.
Eiser had besloten dat, nu getroffene X in het kader van de ZIV-wetgeving tot haar oppensioenstelling als arbeidsongeschikt erkend was, zij noodzakelijkerwijze ook arbeidsongeschikt was volgens de werkloosheids-uitkeringen, bijgevolg tot haar oppensioenstelling geen recht op werkloosheidsutkeringen en PWA-uitkeringen had en derhalve ingevolge het litigieuze ongeval de werkloosheidsuitkeringen en PWA-uitkeringen verloren had.
Eiser had meer bepaald laten gelden :
Vooreerst in haar verzoekschrift tot hoger beroep
"uitgaande van de werkloosheidsreglementering, meer bepaald van artikel 142, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 december 1963 (thans opgenomen in artikel 60 van het koninklijk besluit van 25 november 1991) heeft een persoon die gerechtigd is op werkloosheidsuitkeringen en arbeidsongeschikt wordt geen recht meer op werkloosheidsuitkeringen omdat hij niet meer ter beschikking van de arbeidsmarkt is.
Vermits de arbeidsongeschiktheid inzake werkloosheid identiek is aan deze bepaald in artikel 56 (na coördinatie artikel 100) van de ZIV-wetgeving, vervalt door het arbeidsongeschikt worden dit recht op werkloosheids-uitkeringen en wordt het vervangen door een recht op ZIV-uitkeringen. Deze persoon zal slechts terug gerechtigd worden op werkloosheidsuitkeringen als hij volledig werkgeschikt is. Dit impliceert dat hij dus gedurende gans de periode dat hij als arbeidsongeschikt erkend is in de ZIV-wetgeving en ZIV-uitkeringen geniet, de volledige werkloosheidsuitkeringen gedurende deze periode verliest".
"Immers, de verzekerde van (eiser) verloor door het ongeval haar werkloosheidsuitkering en de inkomsten verworven in het kader van het PWA-statuut.
Dit verlies duurt zolang de verzekerde van (eiser), omwille van de gevolgen van het ongeval, niet terug in de voorwaarden verkeert om een werkloosheidsuitkering te ontvangen en haar werkzaamheid in het PWA-statuut te hervatten".
Vervolgens in zijn "Beroepsconclusies" :
"De verwijzing van zowel de eerste rechter als (verweerster) naar een eventuele werkhervatting is ten onrechte en zelfs irrelevant. Gezien in casu de schade bestond uit het verlies van de werkloosheidsuitkering en de in hetzelfde kader verworven inkomsten uit het PWA-statuut, is er immers geen sprake van een geheel of gedeeltelijk verlies van inkomen uit arbeid dat beëindigd zou zijn door een werkhervatting".
"Het weze trouwens volledigheidshalve nog opgemerkt - hoewel het voor de beoordeling in hoger vermelde zin weinig relevant is - dat de adviserende geneesheer van (eiser) en de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit bij het R.I.Z.I.V., die als enige desbetreffend beoordelingsbevoegdheid hebben, op grond van de ook in het deskundigen-verslag vermelde ongevalssequellen konden beslissen dat de betrokkene arbeidsongeschikt was en bleef in de zin van de wet."
En ten slotte in zijn "Synthese"
"Uitgaande van de werkloosheidsreglementering, meer bepaald van artikel 142, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 december 1963 (thans opgenomen in artikel 60 van het koninklijk besluit van 25 november 1991) heeft een persoon die gerechtigd is op werkloosheidsuitkeringen en arbeids-ongeschikt wordt geen recht meer op werkloosheidsuitkeringen omdat hij niet meer ter beschikking van de arbeidsmarkt is.
"Vermits de arbeidsongeschiktheid inzake werkloosheid identiek is aan deze bepaald in artikel 56 (na coördinatie artikel 100) van de ZIV-wetgeving, vervalt door het arbeidsongeschikt worden dit recht op werkloosheidsuit-keringen en wordt het vervangen door een recht op ZIV-uitkeringen. Deze persoon zal slechts terug gerechtigd worden op werkloosheidsuitkeringen als hij volledig werkgeschikt is. Dit impliceert dat hij dus gedurende gans de periode dat hij als arbeidsongeschikt erkend is in de ZIV-wetgeving en ZIV-uitkeringen geniet, de volledige werkloosheidsuitkeringen gedurende deze periode verliest".
"Immers, de verzekerde van (eiser) verloor door het ongeval haar werkloosheidsuitkering en de inkomsten verworven in het kader van het PWA-statuut.
Dit verlies duurt zolang de verzekerde van (eiser), omwille van de gevolgen van het ongeval, niet terug in de voorwaarden verkeert om een werkloosheidsuitkering te ontvangen en haar werkzaamheid in het PWA-statuut te hervatten".
"De verwijzing van zowel de eerste rechter als (verweerster) naar een eventuele werkhervatting is ten onrechte en zelfs irrelevant. Gezien in casu de schade bestond uit het verlies van de werkloosheidsuitkering en de in hetzelfde kader verworven inkomsten uit het PWA-statuut, is er immers geen sprake van een geheel of gedeeltelijk verlies van inkomen uit arbeid dat beëindigd zou zijn door een werkhervatting".
"Het weze trouwens volledigheidshalve nog opgemerkt hoewel het voor de beoordeling in hoger vermelde zin weinig relevant is dat de adviserende geneesheer van (eiser) en de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit bij het R.I.Z.I.V., die als enige desbetreffend beoordelings-bevoegdheid hebben, op grond van de ook in het deskundigenverslag vermelde ongevalssequellen konden beslissen dat de betrokkene arbeidsongeschikt was en bleef in de zin van de wet".
Het arrest antwoordt niet op deze omstandige middelen van eiser, nu het zich ertoe beperkt te stellen dat in hoofde van getroffene X (in gemeen recht) de kans tot herneming van werk of geschiktheid ertoe één jaar na het ongeval diende gesitueerd te worden, zonder te ontkennen of te bevestigen dat de getroffene van dan af recht had op werkloosheidsuitkeringen en uitkeringen in het kader van het PWA-statuut.
Het arrest laat eveneens na te ontkennen of te bevestigen dat getroffene X ingevolge het litigieuze verkeersongeval tot haar oppensioenstelling volgens de ZIV-wetgeving als arbeidsongeschikt erkend was, derhalve ook volgens de werkloosheidsreglementering arbeidsongeschikt was en bijgevolg tot haar oppensioenstelling geen recht op werkloosheidsuitkeringen en uitkeringen in het kader van het PWA-statuut genoot.
Wegens gebrek aan antwoord op de hoger aangeduide middelen van eiser is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het derhalve artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.
Tweede onderdeel
Schending van artikel 76quater, ,§ 2, alinea 4, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (dat het voorheen bestaande artikel 70, ,§ 2, omvormde bij artikel 44 van de wet van 30 december 1988, B.S. 5 januari 1989, met uitwerking op 1 januari 1989) en van artikel 136, ,§ 2, alinea 4, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering.
Overeenkomstig hoger genoemde artikelen 76quater, ,§ 2, alinea 4, en 136, ,§ 2, alinea 4, treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende en geldt deze indeplaatsstelling tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.
Uit deze artikelen die in deze zaak van toepassing zijn, volgt dat de verzekeringsinstelling die op grond van hoger genoemde wetten van 9 augustus 1963 en 14 juli 1994 ongeschiktheidsuitkeringen heeft gedaan, voor het gehele bedrag ervan in de plaats is gesteld van haar rechthebbende, ten aanzien van diegene die, met name op grond van het gemene recht, voor de ongeschiktheid aansprakelijk is, met die beperking dat het bedrag van de vordering van de verzekeringsinstelling niet hoger kan zijn dan het bedrag dat de rechthebbende, met name in het gemeen recht, zou toekomen voor de veroorzaakte ongeschiktheid.
Het in casu aangevochten arrest ontkent niet dat eiser ongeschiktheidsuitkeringen aan getroffene X betaalde tot haar oppensioenstelling op 1 juni 1996.
De appèlrechters beperken het subrogatierecht van eiser evenwel tot 21 januari 1991, zonder te onderzoeken wat het bedrag was van de vergoeding volgens het gemene recht waarop getroffene X in die periode van 22 januari 1991 tot 1 juni 1996 aanspraak zou hebben, en of het bedrag van de door eiser betaalde uitkeringen het laatstbedoelde bedrag overtreft.
Bijgevolg verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht (schending van de hoger genoemde artikelen 76quater, ,§ 2, alinea 4, en 136, ,§ 2, alinea 4).
Derde onderdeel
Schending van artikel 76quater, ,§ 2, alinea 4, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (dat het voorheen bestaande artikel 70, ,§ 2, omvormde bij artikel 44 van de wet van 30 december 1988, B.S. 5 januari 1989, met uitwerking op 1 januari 1989) en van artikel 136, ,§ 2, alinea 4, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering.
In het derde onderdeel wordt het arrest bekritiseerd in zover het de vordering van eiser betreffende de tijdelijke arbeidsongeschiktheid gedeeltelijk ongegrond verklaarde omdat in het kader van de zogenaamde "eerste grens" van het subrogatierecht : "de uitkeringen die effectief werden betaald" niet met alle daadwerkelijk uitgevoerde betalingen kon rekening gehouden worden, doch enkel met de tot 22 januari 1991 gedane uitkeringen.
Het hof van beroep kent enkel een vergoeding toe voor 365 dagen vanaf 22 januari 1990, dus tot 21 januari 1991 en weigert een vergoeding T.A.O. vanaf laatstgenoemde datum tot de datum van oppensioenstelling (1 juni 1996), omdat in hoofde van getroffene X "de kans tot herneming van werkhervatting (sic) of geschiktheid ertoe te dezen dient gesitueerd rond de datum van de (medische) consolidatie, zijnde één jaar na het ongeval".
Het arrest wordt hier aldus bekritiseerd waar het de vordering van eiser tot het bekomen van een vergoeding T.A.O. in de periode van 22 januari 1991 tot 1 juni 1996 afwijst en met name in zover het deze vordering afwijst in het kader van de zogenaamde "eerste grens" van het subrogatierecht, op grond dat getroffene X vanaf 22 januari 1991 opnieuw arbeidsgeschikt was en het werk kon hervatten, impliciet op grond dat eiser vanaf 22 januari 1991 aldus ten onrechte arbeidsongeschiktheids-uitkeringen aan getroffene X betaald had.
Krachtens de in deze zaak toepasselijke artikelen 76quater, ,§ 2, alinea 4, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en 136, ,§ 2, alinea 4, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, treedt de verzekeringsinstelling die aan de rechthebbende op de ziekte- en invaliditeitsverzekering, onder de door de Koning gestelde voorwaarden, de bij de wet bepaalde prestaties heeft toegekend, rechtens in de plaats van de rechthebbende tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die onder meer krachtens het gemeen recht verschuldigd zijn en die dezelfde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.
Hieruit volgt dat :
1. de voorwaarden tot toekenning van de door de verzekeringsinstelling verleende prestaties waarvoor de verzekeringsinstelling krachtens de hoger aangeduide wetsbepalingen over het wettelijk subrogatierecht beschikt, evenals het bedrag van deze prestaties, geregeld worden door de wetgeving inzake de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering ;
2. het bedrag van de vordering van de verzekeringsinstelling niet hoger kan zijn dan het geheel van de sommen die krachtens het gemeen recht verschuldigd zijn ;
3. de bedoelde vergoedingen dezelfde schade geheel of gedeeltelijk moeten vergoeden.
De in het kader van de toepassing van de wet op de ziekte- en invaliditeitsverzekering genomen beslissing die de staat van arbeidsongeschiktheid of invaliditeit vaststelt, kan aldus niet worden bekritiseerd door de rechter die uitspraak doet over de rechtsvordering van de indeplaatsgestelde verzekeraar tegen de voor het ongeval aansprakelijke partij.
Het aangevochten arrest stelt vast dat eiser uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid heeft betaald tot vergoeding van de schade "die bestaat uit het verlies of vermindering van het (verdien)vermogen om door het verrichten van arbeid inkomsten te verwerven die tot het levensonderhoud kunnen bijdragen" en dit ten gevolge van het ongeval waarvoor de verzekerde van verweerster (voor één vierde) aansprakelijk was gesteld.
Het arrest dat erkent dat eiser tot aan de oppensioenstelling (op 1 juni 1996) van getroffene X uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid deed, wijst de vordering tot het bekomen van een vergoeding T.A.O. in de periode van 22 januari 1991 tot 1 juni 1996 af op grond dat de door eiser in de ZIV-wetgeving aangenomen ongeschiktheid verschilde van de in gemeen recht aangenomen arbeidsgeschiktheid, impliciet op grond dat eiser vanaf 22 januari 1991 tot 1 juni 1996 ten onrechte uitkeringen deed.
Op die grond alleen kon het arrest de vordering niet verwerpen.
Het arrest is aldus niet wettelijk verantwoord en schendt de aangeduide artikelen 76quater, ,§ 2, alinea 4, en 136, ,§ 2, alinea 4.
IV. Beslissing van het Hof
1. Tweede onderdeel
Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijk artikel 76quater, ,§ 2, vierde lid, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, de verzekeringsinstelling die aan de rechthebbende op de ziekte- en invaliditeitsverzekering, onder de door de Koning gestelde voorwaarden, de bij de wet bepaalde prestaties heeft toegekend, rechtens in de plaats treedt van de rechthebbende tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die onder meer krachtens het gemeen recht verschuldigd zijn en die dezelfde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden ;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat eiser uitkeringen heeft betaald tot vergoeding van de schade die bestaat in de vermindering van het vermogen tot verdienen ten gevolge van het ongeval waarvoor de verzekerde van verweerster deels aansprakelijk is ;
Dat het arrest het quasi-subrogatierecht van eiser beperkt tot de periode tot wanneer volgens het oordeel van de appèlrechters en naar gemeen recht de geschiktheid en de kans tot herneming van de werkhervatting voor het slachtoffer X terug bestond, bepaald op het ogenblik van de consolidatie, zijnde 22 januari 1991, en de vordering van eiser toekent uitsluitend tot beloop van de in deze periode door eiser gedane uitkeringen aan 100 pct. ;
Dat het arrest aldus de quasi-subrogatoire vordering van eiser gedeeltelijk toekent zonder het geheel van de door eiser gedane uitkeringen in aanmerking te nemen en zonder te onderzoeken in welke mate deze uitkeringen het geheel van de bedragen dat krachtens het gemeen recht verschuldigd is en dat dezelfde schade geheel of gedeeltelijk vergoedt, niet overtreffen ;
Dat het arrest aldus de voormelde wetsbepaling schendt ;
Dat het onderdeel gegrond is ;
2. Overige grieven
Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over eisers vordering met betrekking tot de vergoeding "materiële schade tijdelijke arbeidsongeschiktheid" en over de kosten ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van twintig oktober tweeduizend en drie uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Lisette De Prins.