Hof van Cassatie - Arrest van 22 juni 2004 (België)

Publicatie datum :
22-06-2004
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20040622-22
Rolnummer :
P040397N

Samenvatting

Artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat de ambtenaren van de fiscale administraties die het vermeldt, de feiten, die naar luid van de belastingswetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechtelijk strafbaar zijn, niet zonder machtiging van de gewestelijke directeur onder wie zij ressorteren, ter kennis kunnen brengen van de procureur des Konings, onderwerpt de kennisgeving door een fiscale ambtenaar van een gemeenrechtelijk misdrijf niet aan dergelijke voorafgaande machtiging, ook al krijgt op deze wijze de procureur des Konings kennis van een fiscaal misdrijf dat met het ter kennis gebrachte gemeenrechtelijke misdrijf verband houdt.

Arrest

Nr. P.04.0397.N
I.
N. G.,
eiser, beklaagde,
met als raadslieden Mr. Raf Verstraeten en Mr. Kaat Leus, advocaten bij de ba-lie te Brussel,
tegen
1. DE ZALM bvba, met zetel te Herentals, Grote Markt 21,
2. B. J.,
3. M. P.,
4. D. M.,
5. S. A.,
6. MAES Ronny en FAVOREEL Luk, advocaten, kantoor houdende te Hasselt, Sint-Truidersteenweg 10, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van V. V.,
7. I.R.C. bvba, met zetel te Geel, Stelenseweg 39,
8. H. I.,
9. D. E.,
10. C. M.,
verweerders, burgerlijke partijen.
II.
MINISTER VAN FINANCIËN, met kabinet te Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en vordering van de directeur der douane en accijnzen Antwerpen (Borgerhout), Collegelaan 1, die woonplaats kiest op het kantoor van de diens-tchef van de Juridische Cel van de Administratie der directe belastingen, met kantoor te Antwerpen (Borgerhout), Collegelaan 1,
eiser, burgerlijke partij,
vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
N. G., reeds vermeld,
verweerder, beklaagde.
I. Bestreden beslissing
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, gewezen op 18 fe-bruari 2004 door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
De eiser sub I voert in een memorie zeven middelen aan. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De eiser sub II voert geen middel aan.
IV. Beslissing van het Hof
A. Afstand
Overwegende dat de eiser sub I zonder berusting afstand doet van zijn cassatieberoep in zoverre het bestreden arrest beslist over de burgerlijke rech-tsvordering van de verweerder sub I.7;
Overwegende dat de eiser sub II afstand doet van zijn cassatieberoep;
B. Onderzoek van de middelen van de eiser sub I
1. Eerste middel
1.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat de ambtenaren van de fiscale administraties die het vermeldt, de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan ge-nomen besluiten, strafrechtelijk strafbaar zijn, niet zonder de machtiging van de gewestelijke directeur onder wie zij ressorteren, ter kennis kunnen brengen van de procureur des Konings;
Overwegende dat deze wetsbepaling de kennisgeving door een fiscale ambtenaar van een gemeenrechtelijk misdrijf niet aan voorafgaande machtiging onderwerpt, ook al krijgt op deze wijze de procureur des Konings kennis van een fiscaal misdrijf dat met het ter kennis gebrachte gemeenrechtelijke misdrijf verband houdt;
Dat het onderdeel in zoverre het uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht,
Overwegende dat het bestreden arrest van het aanvankelijk procesverbaal van 19 november 1996 betreffende het verdachte overlijden van de ambtenaar van de administratie der directe belastingen X, een uitlegging geeft die met de bewoording daarvan niet onverenigbaar is;
Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist;
Overwegende dat het arrest op grond van de feitelijke gegevens die het vermeldt, wettig kon oordelen dat het strafrechtelijk onderzoek niet is aangevat na een door een fiscale ambtenaar zonder machtiging gedane kennisgeving van een fiscaal misdrijf,
Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;
1.2. Tweede, derde en vierde onderdeel
Overwegende dat de onderdelen die opkomen tegen overtollige reden-gevingen van het bestreden arrest niet tot cassatie kunnen leiden, mitsdien niet ontvankelijk zijn;
2. Tweede middel
Overwegende dat eiser in conclusie bij de appèlrechter niet heeft aan-gevoerd dat het tegen hem gebruikte bewijs onrechtmatig is; dat hij enkel heeft aangevoerd dat:
- de strafvordering niet-ontvankelijk is omdat de initiële bewijsgaring onrech-tmatig is, daar ze het gevolg is van een zoeking in het kantoor van de ambte-naar der directe belastingen X dat een voor het publiek niet-toegankelijke plaats is;
- die zoeking strijdig is met artikel 1bis van de wet van 7 juni 1969 tot vast-stelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht, daar zo al een hiërarchische overste de toelating zou hebben gegeven, deze niet schriftelijk was;
- de toestemming alleen maar achteraf was gegeven voor het in beslag nemen van de gevonden documenten (eerste appèlconclusie blz. 13 en 14);
Overwegende dat het bestreden arrest dit verweer van nietontvankelijkheid van de strafvordering verwerpt met de overweging dat reeds vóór de zoeking de onderzoekers in het bezit waren van bewijsstukken en dat de gevonden documenten slechts een daarop niet-substantiële aanvulling blijken uit te maken;
Dat het middel feitelijke grondslag mist;
3. Derde middel
3.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat krachtens artikel 300 W.I.B. 1992 de Koning onder meer de wijze regelt waarop men dient te handelen voor de vervolgingen; dat artikel 2 W.I.G.B. artikel 300 W.I.B. 1992 van toepassing stelt op de met de inkomstenbelastingen gelijk gestelde belastingen vermeld onder artikel 1 W.I.G.B.; dat artikel 176 K.B. Uitvoering W.I.B. 1992 aan de daarin vermelde ambtenaren, waaronder de ambtenaren van de administratie der douane en ac-cijnzen, de bevoegdheid geeft om overtredingen op te sporen en om, zelfs al-leen, processen-verbaal op te stellen inzake directe belastingen, processen-verbaal die zullen worden toegezonden aan de ambtenaren die daartoe door de minister van Financiën zijn aangewezen; dat artikel 14 van het koninklijk be-sluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomsten gelijkgestelde belastingen aan de vermelde ambtenaren dezelfde be-voegdheid geeft;
Overwegende dat de opsporingsbevoegdheid van de in artikel 14 van het koninklijk besluit van 8 juli 1970 vermelde douaneambtenaren niet afhan-kelijk is van de omstandigheid dat enig vermoeden bestaat van een inbreuk in-zake douane en accijnzen; dat die ambtenaren die opsporingsbevoegdheid heb-ben telkens wanneer het vermoeden rijst van een inbreuk op het W.I.G.B. of zijn uitvoeringsbesluiten;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
3.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat de opsporingsbevoegdheid van de in artikel 14 van het koninklijk besluit van 8 juli 1970 aangewezen ambtenaren geen strafrechte-lijk karakter heeft maar van administratieve aard is; dat de artikelen 460 tot 463 W.I.B. 1992 hierop niet toepasselijk zijn;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
4. Vierde middel
4.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat het bestreden arrest van de in hun samenhang gelezen overwegingen en dispositief van eisers conclusie, een uitlegging geeft die met de bewoording daarvan niet onverenigbaar is:
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
4.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat het bestreden arrest niet alleen oordeelt dat eiser niet voorhoudt dat de door hem opgeworpen prejudiciële vraag noodzakelijk of on-ontbeerlijk is, maar tevens de reden vermeldt waarom er geen grond bestaat die vraag aan het Arbitragehof te stellen;
Overwegende dat elk van de beide redengevingen op zich de beslissing verantwoordt;
Dat het onderdeel dat slechts gericht is tegen een van beide redengevin-gen, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is;
4.3. Derde onderdeel
Overwegende dat, naar luid van artikel 26, ,§ 2, derde lid, Bijzondere Wet Arbitragehof het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor, al naar het geval, hoger beroep, verzet, voorziening in Cassatie of beroep tot ver-nietiging bij de Raad van State, een opgeworpen prejudiciële vraag niet aan het Arbitragehof moet stellen wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in ,§ 1, klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen;
Overwegende dat het vermelde rechtscollege bij de beoordeling van de afwezigheid van een klaarblijkelijke schending noodzakelijk een onderzoek op het eerste gezicht van de beweerde schending moet doen;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
4.4. Vierde onderdeel
Overwegende dat de voor het Hof opgeworpen prejudiciële vraag uitgaat van de, zoals blijkt uit het antwoord op het tweede onderdeel van het derde middel, onjuiste onderstelling dat artikel 2 W.I.G.B. samen moet worden gelezen met artikel 463 W.I.B. 1992;
Dat het Hof de in het onderdeel opgeworpen prejudiciële vraag aan het Arbitragehof niet stelt;
5. Vijfde middel
Overwegende dat het middel in zoverre het een onderzoek van feiten betreft waarvoor het Hof niet bevoegd is, niet ontvankelijk is,
Overwegende dat voor het overige het bestreden arrest op grond van de feiten en omstandigheden die het vermeldt, wettig kon beslissen dat artikel 6 EVRM niet geschonden is en de strafvordering ontvankelijk is;
Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen;
6. Zesde middel
6.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat het bestreden arrest enkel artikel 79 W.I.G.B.. zoals vervangen door artikel 8. l °, van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, rechtskracht verleent;
Dat het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. mitsdien feitelijke grondslag mist;
6.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat de hier toepasselijke versie van artikel 56 van het ko-ninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomsten gelijkgestelde belastingen, categorie B van de automatis-che ontspanningstoestellen niet onbenut laat, maar de toestellen die tot deze ca-tegorie behoren definieert;
Overwegende dat de omstandigheid dat artikel 79 W.I.G.B. vóór de vervanging ervan door het koninklijk besluit van 22 augustus 1980 voorzag in de categoriën A, B, C, D, E en F van automatische ontspanningstoestellen en het artikel 56 van het koninklijk besluit van 8 juli 1970, in zijn onwettige versie vóór de wijziging ervan bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 10 november 1980, de categorie B onbenut liet, er geen afbreuk aan doet dat de huidige versie van artikel 79 W.I.G.B. die voorziet in de categoriën A, B, C, D en E, de huidige versie van artikel 56 van het koninklijk besluit een wettige grondslag verleent;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
7. Zevende middel
Overwegende dat de verbeurdverklaring van de in artikel 42, 3°, Straf-wetboek vermelde vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen, een straf is die wordt uitgesproken te-gen de beklaagde die wordt veroordeeld voor het misdrijf dat de vermogens-voordelen heeft voortgebracht, ook indien deze niet zijn eigendom zijn of niet in zijn vermogen zijn getreden; dat de omstandigheid dat indien de zaken niet kunnen gevonden worden in het vermogen van de veroordeelde, de rechter krachtens artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek, de geldwaarde ervan raamt en de verbeurdverklaring betrekking heeft op een daarmee overeenstemmend bedrag, hieraan geen afbreuk doet;
Dat het middel faalt naar recht;
C. Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verleent akte van de afstanden;
Verwerpt voor het overige het cassatieberoep van de eiser sub I;
Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.
Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van driehonderd drieënzestig euro eenennegentig cent, waarvan 1. op het cassatieberoep van G. N.: honderd vijftien euro zestig cent verschuldigd en 2. op het cassatieberoep van de minister van financiën: vijfentachtig euro drieënzeventig cent verschuldigd en honderd tweeënzestig euro achtenvijftig cent door eiser betaald.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in open-bare terechtzitting van tweeëntwintig juni tweeduizend en vier, door afdeling-svoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Du-inslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.