Hof van Cassatie - Arrest van 22 maart 2010 (België)

Publicatie datum :
22-03-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
9 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100322-6
Rolnummer :
C.09.0284.F

Samenvatting

Artikel 915, § 1 en 2, B.W., beperkt het voorbehouden erfdeel van de langstlevende echtgenoot tot een gedeelte van het hem bij artikel 745bis toegekende vruchtgebruik.

Arrest

Nr. C.09.0284.F

D. F.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. H. F.

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. D. C., e.a.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 juni 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel.

De zaak is bij beschikking van 27 januari 2010 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert het volgende middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 745bis, inzonderheid §1, 913 tot 919, 1003, 1014 en 1094 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat het beroepen vonnis op dat punt wijzigt,

"Zegt voor recht dat (de eerste verweerster), als langstlevende echtgenote, haar vruchtgebruik mag uitoefenen op het algemeen legaat dat aan (de eiser) is toegekend en op de bijzondere legaten die aan laatstgenoemde en aan de andere bijzondere legatarissen zijn toegekend ;

Zegt voor recht dat die legaten, in de huidige stand van zaken, in blote eigendom moeten worden overgedragen aan de verschillende legatarissen ;

Verleent aan (de eerste verweerster) akte van het feit dat zij zich het recht voorbehoudt om (van de eiser) de terugbetaling te vorderen van de successierechten die zij, overeenkomstig het hierboven vermelde, niet had hoeven te betalen ;

Verleent (aan de tiende en de elfde verweerders) akte van hun voorbehoud dat ertoe strekt de vergoeding te vorderen van de schade die zij geleden zouden hebben door de laattijdige afgifte van de bijzondere legaten die hen naar luid van het eigenhandige testament van 17 januari 1981 zijn toegekend of doordat die legaten in het bezit (van de eiser) zijn gesteld ;

Beveelt om tot de verrekening, vereffening en verdeling van de nalatenschap van T. d. over te gaan ;

Wijst, met het oog hierop, notaris P. V. aan, wiens kantoor gevestigd is te ... ;

Wijst tevens notaris S.D. aan, wiens kantoor gevestigd is te ..., om de niet-verschijnende of weigerende partijen te vertegenwoordigen, en kent haar alle, in artikel 1209, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, opgesomde bevoegdheden toe ;

Veroordeelt (de eerste verweerster) in een tiende van de kosten, (de eiser) in acht tiende van de kosten en (de tiende en de elfde verweerders) (samen) in één tiende van de kosten, waarbij de kosten van de twee instanties niet worden begroot omdat de zaak niet in staat van wijzen is gesteld".

Het arrest grondt die beslissingen op de volgende redenen :

"(De eerste verweerster) betoogt dat het recht van vruchtgebruik, dat haar krachtens artikel 745bis van het Burgerlijk Wetboek is toegekend, ook betrekking heeft op de goederen uit het algemeen legaat dat (aan de eiser) is toegekend en uit de bijzondere legaten die aan hemzelf en aan derden zijn toegekend ;

Zij beroept zich wat dat betreft op artikel 1094, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 28 van de wet van 14 mei 1981, dat luidt als volgt : ‘ingeval de langstlevende echtgenoot samen met andere erfgerechtigden of met legatarissen opkomt en giften in volle eigendom heeft ontvangen, behoudt hij op hetgeen van de nalatenschap en van het gedeelte van de vooroverledene in het gemeenschappelijk vermogen overblijft, de rechten die hem zijn toegekend door artikel 745bis, tenzij de schenker of erflater anders heeft bepaald' ;

(De eiser) betwist de grondslag van die stelling en sluit zich op dat punt aan bij de eerste rechter, die het volgende beslist heeft :

‘Artikel 1094, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft (...) de volgende draagwijdte :

- indien de langstlevende echtgenoot die een gift heeft ontvangen, samen met andere wettelijke erfgenamen opkomt, kan hij, door die gift van het beschikbare gedeelte af te trekken, zijn rechten ab intestat van nature uitoefenen op de rest van de nalatenschap ;

De strekking van artikel 1094, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is dus alleen dat indien de langstlevende echtgenoot, die een gift heeft ontvangen, samen met een legataris opkomt, het erfdeel van de legataris in voorkomend geval kan verminderen door die gift van het beschikbare gedeelte af te trekken, indien het beschikbare gedeelte niet volstaat om het legaat uit te voeren.

- indien de langstlevende echtgenoot die een gift heeft ontvangen, samen met een legataris opkomt, kan hij het erfdeel van de legataris in voorkomend geval verminderen, door die gift van het beschikbare gedeelte af te trekken, indien dit gedeelte niet volstaat voor de uitvoering van het legaat ;

Artikel 1094 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 28 van de wet van 14 mei 1981, past binnen het kader van die nieuwe wetgeving die, in vergelijking met de beginselen die vóór die wet van kracht waren, de rechten van de overleden echtgenoot aanzienlijk uitbreidt, zodat laatstgenoemde een volwaardig erfgenaam wordt ;

Er bestaat dus geen grond meer om te verwijzen naar de rechtsleer van vóór 1981 (zie met name H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, dl. IX, nr. 6, A, 30), die het beginsel van de voorrang van de erfopvolging bij testament op de wettelijke erfopvolging vooropstelde in het voordeel van de gehuwde vrouw ;

De wetgever heeft in 1981 immers voorrang willen geven aan het beginsel van het huwelijk, door de langstlevende echtgenoot de mogelijkheid te bieden in dezelfde omstandigheden en in dezelfde welstand verder te leven als toen de twee echtgenoten nog leefden en het idee dat de goederen binnen de familie moeten blijven, voor het overige heeft geschrapt (P. Delnoy, ‘Les droits successoraux du conjoint survivant - Loi du 14 mai 1981', J. T., 1983, nr. 2, p. 386) ;

In die zin bepaalt het nieuwe artikel 1094 dat de giften die de langstlevende echtgenoot heeft ontvangen, niet tot gevolg hebben dat hij zijn rechten ab intestat verliest, zelfs wanneer er samen met hem legatarissen opkomen, wat impliceert dat de wetgever wel degelijk voorzien heeft in het geval van een testamentaire erfopvolging met de opvolging ab intestat ;

Wanneer, met andere woorden, de overledene zijn echtgenoot het beschikbare gedeelte in volle eigendom heeft gegeven, betekent dit daarom niet dat ervan moet worden uitgegaan dat hij heeft willen beletten dat zijn echtgenoot, als wettelijk erfopvolger, zou ontvangen wat artikel 475bis (leest : 745bis) hem op de overblijvende goederen in vruchtgebruik geeft (cf. P. Delnoy, J. T., 1982, nr. 25, p. 394) ;

De beperking van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, die samen met legatarissen opkomt, - zo zij nodig is - vloeit niet hieruit voort dat hij de hoedanigheid van begiftigde of legataris met die van erfgenaam ab intestat cumuleert, maar wel, luidens artikel 1094, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, uit het feit dat de schenker of erflater het anders heeft bepaald.

De wetgever heeft hierover geen twijfel laten bestaan ;

Hieruit kan worden afgeleid dat de langstlevende echtgenoot die met andere erfgerechtigden of legatarissen opkomt en giften ontvangen heeft, zijn vruchtgebruik in de regel wel degelijk kan uitoefenen op de rest van de nalatenschap en op het gedeelte van het gemeenschappelijk vermogen en dus ook op de legaten die door de overledene zijn toegekend, op voorwaarde, evenwel, dat laatstgenoemde niet anders heeft bepaald ;

In tegenstelling tot wat (de eiser) beweert, heeft de regel van artikel 1094, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals deze is verwoord, niet tot gevolg dat de legaten geen enkele uitwerking meer hebben, maar strekken ze slechts ertoe (indien de overledene niet anders heeft bepaald) het volle genot ervan uit te stellen tot op de dag van het overlijden van de langstlevende echtgenoot, die het vruchtgebruik hierop behoudt. De wetgever heeft met andere woorden de legaten - tenzij de overledene kennelijk anders bepaalt - willen bezwaren met een vruchtgebruik ten voordele van de langstlevende echtgenoot, wat de verwijzing naar artikel 745bis van het Burgerlijk Wetboek bevestigt (zie R. Bourseau, Les droits du conjoint survivant, p. 282) ;

Nu de regel verduidelijkt is, moet worden nagegaan of T.d. te dezen kenbaar heeft willen maken dat hij het vruchtgebruik van zijn echtgenote heeft willen beperken en hiervan de bij algemeen dan wel bij bijzonder legaat toegekende goederen - of zelfs sommige daarvan - van vruchtgebruik heeft willen uitsluiten ;

Het feit dat (de eiser), samen met (de eerste verweerster), als algemene legataris is aangesteld, toont als dusdanig nog niet aan dat de overledene het vruchtgebruik van laatstgenoemde heeft willen beperken. Zoals hierboven reeds is gezegd, vertraagt het vruchtgebruik immers wel de mogelijkheid om de gelegeerde goederen in volle eigendom te genieten, maar wijzigt het de toewijzing van het legaat (dat, in zekere zin, met het vruchtgebruik belast wordt) niet ;

(De eiser) betoogt ten onrechte dat de ‘andersluidende bepaling' van de overledene, zoals bedoeld in artikel 1094, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, stilzwijgend kan zijn. Hoewel geen sacramentele bewoordingen vereist zijn, verlangt de wetgever een duidelijke wilsuiting van de erflater (cf. P. Delnoy, J.T., 1982, nr. 25, p. 394) ;

Welnu, nergens staaft de tekst van het testament van 17 januari 1981 of van de codicil van 30 december 1982 de stelling volgens welke T. d. het vruchtgebruik van zijn langstlevende echtgenoot heeft willen beperken. Wat dat betreft beroept (de eiser) zich ten onrechte op de laatste paragraaf van het testament van 17 januari 1981, aangezien die paragraaf niet ertoe strekt de omvang van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot te beperken maar de reden te preciseren waarom de erflater twee algemene legatarissen heeft aangesteld. Die paragraaf luidt immers als volgt : ‘Ik herhaal : de aanstelling van mijn vrouw en (van de eiser) als algemene legatarissen heeft tot doel neven en nichten uit mijn nalatenschap te weren om ernstige geschillen te voorkomen en de kosten te dekken van het overlijden van mijn vrouw, daar haar plotseling verscheiden enkele van haar naasten wel eens op het idee zou kunnen brengen om aanspraak te maken op sommige van mijn bezittingen', wat bevestigt dat de aanstelling van zijn neef, volgens T. d. zelf, niet ertoe strekt de rechten van zijn echtgenote te beperken maar wel om de erfopvolging in geval van haar overlijden te verzekeren ;

De getuigenis (van de zesde verweerder), neef en petekind van T. d., is overigens veelzeggend. Hij schrijft immers het volgende :

‘Ik kan bevestigen dat mijn oom erg aan zijn familie en aan de familietraditie gehecht was. Dat is van groot belang voor deze zaak.

Diezelfde zin voor traditie verklaart duidelijk waarom mijn tante over een volledig vruchtgebruik beschikt, met inbegrip van de bijzondere legaten. Dat vruchtgebruik werd bij de aangifte van nalatenschap feitelijk erkend door mijn broer, mijn zussen en mijn nichten.

Mijn peetoom heeft in vertrouwelijke gesprekken herhaaldelijk gezinspeeld op zijn dood en zijn wil om aan zijn echtgenote het genot van zijn goederen en het gebruik ervan na te laten. Ondanks het protest van mijn tante, bevestigde mijn oom zijn wil en maakte hij zo een eind aan die discussie. Zijn wil is volgens mij dus steeds zeer duidelijk geweest' ;

Uit de voorgaande vaststellingen en overwegingen volgt dat (de eerste verweerster) het recht van vruchtgebruik mag uitoefenen dat aan de langstlevende echtgenoot is toegekend op het algemeen legaat dat aan (de eiser) is toegekend en op de bijzondere legaten die aan laatstgenoemde en aan de andere bijzondere legatarissen zijn toegekend. De rechtsleer en de rechtspraak waarnaar (de eiser) verwijst, kunnen die slotsom niet ontkrachten, daar zij betrekking hebben op feitelijke situaties die van het huidige geschil verschillen ;

Uit het voorgaande volgt tevens dat de vraag of het voorbehouden erfdeel van (de eerste verweerster) is aangetast, zinloos is, ten eerste omdat, zoals hierboven is gezegd, T. d. niet uitdrukkelijk heeft beschikt dat de omvang van dat voorbehouden erfdeel beperkt moest worden en, ten tweede, omdat niet is betoogd dat dat voorbehouden erfdeel, door de toepassing van de voormelde slotsom, met name de uitoefening van het recht van vruchtgebruik op de gelegeerde goederen, gewijzigd zou worden ;

Uit het voorgaande volgt ook dat de legaten, in de huidige stand van zaken, slechts in blote eigendom moeten worden overgedragen. (De eerste verweerster) heeft trouwens verklaard dat zij bereid was en blijft om dat te doen, en bijgevolg bestaat er geen grond om haar daartoe te veroordelen ;

Hieruit volgt, ten slotte, dat de legatarissen die in het eigenhandig testament van 17 januari 1991 als blote eigenaars zijn aangesteld, geen aanspraak kunnen maken op de opbrengst die de gelegeerde goederen sinds het overlijden van T. d. hebben opgeleverd".

Grieven

Het arrest beslist, om de in het middel weergegeven redenen, dat het algemeen legaat, dat in volle eigendom aan de eiser is toegekend, alsook de bijzondere legaten die in volle eigendom aan laatstgenoemde en aan de verweerders sub 2 tot 11 zijn toegekend, zijn belast met het erfrechtelijk vruchtgebruik van de eerste verweerster.

Eerste onderdeel

Het arrest stelt echter niet vast dat de algemene en bijzondere legaten het voorbehouden erfdeel van de eerste verweerster zouden hebben aangetast (artikel 915bis, § 1 en 2, van het Burgerlijk Wetboek), maar beslist dat die vraag zinloos is.

Welnu, het beschikbare gedeelte is het gedeelte van het goed van de vooroverledene waarover hij vrij kan beschikken, hetzij bij akte door een schenking onder levenden, hetzij bij testament (artikelen 913 tot 919 van het Burgerlijk Wetboek).

Het bedrag van dat beschikbare gedeelte wordt alleen beperkt door de rechten van de wettelijke voorbehouden erfgenamen.

De enige voorbehouden erfgenaam, in dit geval, is de eerste verweerster en er werd noch vastgesteld noch betoogd dat de voorbehouden rechten van laatstgenoemde zouden zijn aangetast door de voormelde algemene en bijzondere legaten.

Hieruit volgt dat het arrest, dat beslist dat die algemene en bijzondere legaten in het voordeel van de eerste verweerster waren belast met het erfrechtelijk vruchtgebruik dat haar was toegekend bij artikel 745bis van het Burgerlijk Wetboek, zonder vast te stellen dat die legaten het voorbehouden erfdeel hebben aangetast dat haar bij artikel 915bis, § 1 en 2, van het Burgerlijk Wetboek, is toegekend, het wettelijk begrip "beschikbaar gedeelte" miskent (schending van de artikelen 913 tot 919 van het Burgerlijk Wetboek) en inzonderheid het wettelijk begrip "beschikbaar gedeelte" ten aanzien van het voorbehouden erfdeel dat bij de artikelen 915bis, § 1 en 2, en 1094 van het Burgerlijk Wetboek is toegekend, miskent (schending van die artikelen 915bis, § 1 en 2, en 1094).

Het arrest beperkt bijgevolg op onwettige wijze het voorwerp van het algemeen legaat dat aan de eiser is toegekend (schending van artikel 1003 van het Burgerlijk Wetboek) en het voorwerp van de voormelde bijzondere legaten (schending van artikel 1014 van het Burgerlijk Wetboek).

Het arrest, dat in die zin beslist zonder na te gaan of die legaten het voormelde voorbehouden erfdeel aantastten, maar integendeel beslist dat die vraag zinloos is, stelt het Hof in de onmogelijkheid om het hem toevertrouwde wettigheidstoezicht uit te oefenen en is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Tweede onderdeel

De door het middel bekritiseerde beslissingen worden evenmin naar recht verantwoord door de overwegingen dat de wet van 14 mei 1981 tot wijziging van artikel 1094 van het Burgerlijk Wetboek de rechten van de langstlevende echtgenoot aanzienlijk uitbreidt, zodat hij een volwaardige erfgenaam wordt, dat er bijgevolg niet langer verwezen hoeft te worden naar de rechtsleer van vóór 1981, die het beginsel van de voorrang van de erfopvolging bij testament op de wettelijke erfopvolging vooropstelde, dat de wetgever in 1981 voorrang heeft willen geven aan het beginsel van het huwelijk, door de langstlevende echtgenoot de mogelijkheid te bieden in dezelfde omstandigheden en in dezelfde welstand verder te leven als toen de twee echtgenoten nog leefden en door afstand te doen van het idee dat de goederen binnen de familie moesten blijven, en dat het nieuwe artikel 1094 impliceert dat de wetgever heeft willen voorzien in het geval van een testamentaire erfopvolging met de opvolging ab intestat.

Die overwegingen zijn niet relevant, daar noch het nieuwe artikel 1094 van het Burgerlijk Wetboek noch enig andere wettelijke bepaling het beschikbare gedeelte van de overleden echtgenoot beperken door het voorbehouden erfdeel te verhogen dat bij artikel 915, § 1 en 2, van het Burgerlijk Wetboek, aan de langstlevende echtgenoot is toegekend.

Het arrest, dat de in het middel bekritiseerde beslissingen op die overwegingen grondt, schendt derhalve de artikelen 745bis, inzonderheid § 1, 915bis, §§ 1 en 2, en 1094 van het Burgerlijk Wetboek.

Het arrest beperkt bijgevolg op onwettige wijze het voorwerp van het aan de eiser toegekende algemeen legaat (schending van artikel 1003 van het Burgerlijk Wetboek) en het voorwerp van de aan laatstgenoemde en aan de verweerders sub 2 tot 11 toegekende bijzondere legaten (schending van artikel 1014 van het Burgerlijk Wetboek.

Derde onderdeel

Het arrest grondt de in het middel bekritiseerde beslissingen daarenboven op de reden dat "het nieuwe artikel 1094 bepaalt dat de giften die de langstlevende echtgenoot heeft ontvangen, niet tot gevolg hebben dat hij zijn rechten ab intestat verliest, zelfs wanneer er samen met hem legatarissen opkomen, wat impliceert dat de wetgever wel degelijk voorzien heeft in het geval van een testamentaire erfopvolging met de opvolging ab intestat ;

Wanneer, met andere woorden, de overledene zijn echtgenoot het beschikbare gedeelte in volle eigendom heeft gegeven, betekent dit daarom niet dat ervan moet worden uitgegaan dat hij heeft willen beletten dat zijn echtgenoot, als wettelijk erfopvolger, zou ontvangen wat artikel 475bis (leest : 745bis) hem op de overblijvende goederen in vruchtgebruik geeft (cf. P. Delnoy, J. T., 1982, nr. 25, p. 394) ;

De beperking van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, die samen met legatarissen opkomt, - zo zij nodig is - vloeit niet hieruit voort dat hij de hoedanigheid van begiftigde of legataris met die van erfgenaam ab intestat cumuleert, maar wel, luidens artikel 1094, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, uit het feit dat de schenker of erflater het anders heeft bepaald.

De wetgever heeft hierover geen twijfel laten bestaan ;

Hieruit kan worden afgeleid dat de langstlevende echtgenoot die met andere erfgerechtigden of legatarissen opkomt en giften ontvangen heeft, zijn vruchtgebruik in de regel wel degelijk kan uitoefenen op de rest van de nalatenschap en op het gedeelte van het gemeenschappelijk vermogen en dus ook op de legaten die door de overledene zijn toegekend, op voorwaarde, evenwel, dat laatstgenoemde niet anders heeft bepaald ;

In tegenstelling tot wat (de eiser) beweert, heeft de regel van artikel 1094, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals deze is verwoord, niet tot gevolg dat de legaten geen enkele uitwerking meer hebben, maar strekken ze slechts ertoe (indien de overledene niet anders heeft bepaald) het volle genot ervan uit te stellen tot op de dag van het overlijden van de langstlevende echtgenoot, die het vruchtgebruik hierop behoudt. De wetgever heeft met andere woorden de legaten - tenzij de overledene kennelijk anders bepaalt - willen bezwaren met een vruchtgebruik ten voordele van de langstlevende echtgenoot, wat de verwijzing naar artikel 745bis van het Burgerlijk Wetboek bevestigt (zie R. Bourseau, Les droits du conjoint survivant, p. 282) ;

Nu de regel verduidelijkt is, moet worden nagegaan of T.d. te dezen kenbaar heeft willen maken dat hij het vruchtgebruik van zijn echtgenote heeft willen beperken en hiervan de bij algemeen dan wel bij bijzonder legaat toegekende goederen - of zelfs sommige daarvan - van vruchtgebruik heeft willen uitsluiten".

Die overwegingen verantwoorden de in het middel bekritiseerde beslissingen niet naar recht.

Artikel 1094, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, heeft immers slechts betrekking op het - te dezen niet toepasselijke - geval waarin de langstlevende echtgenoot samen met afstammelingen opkomt.

Artikel 1094, tweede lid, bepaalt dat, ingeval de langstlevende echtgenoot samen met andere erfgerechtigden of met legatarissen opkomt en giften in volle eigendom heeft ontvangen, hij zijn recht van vruchtgebruik behoudt op hetgeen van de nalatenschap overblijft, tenzij de erflater anders heeft bepaald. Artikel 1094, derde lid, bepaalt dat een dergelijke andersluidende bepaling het voorbehouden erfdeel van de langstlevende echtgenoot niet kan aantasten.

Zoals blijkt uit de in het eerste onderdeel vermelde grieven, die hier als weergegeven worden beschouwd, blijft het voorwerp van de algemene of bijzondere legaten die de overledene binnen de grenzen van het beschikbare gedeelte heeft toegekend, niet in de nalatenschap, zodat het tweede en het derde lid van artikel 1094 van het Burgerlijk Wetboek niet op die legaten van toepassing zijn.

De strekking van artikel 1094, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is dus alleen dat, indien de langstlevende echtgenoot, die een gift heeft ontvangen, samen met een legataris opkomt, hij het erfdeel van de legataris in voorkomend geval kan verminderen door die gift van het beschikbare gedeelte af te trekken, indien het beschikbare gedeelte niet volstaat om het legaat uit te voeren.

Hieruit volgt dat het arrest, dat die beslissingen grondt op een onjuiste uitlegging van artikel 1094 van het Burgerlijk Wetboek, alle leden van artikel 1094 schendt, daarenboven en bijgevolg de grenzen van het beschikbare gedeelte van de de cuius miskent en aldus de artikelen 745bis en 915bis, § 1 en 2, van het Burgerlijk Wetboek schendt.

Het arrest beperkt derhalve op onwettige wijze het voorwerp van het aan de eiser toegekende algemeen legaat (schending van artikel 1003 van het Burgerlijk Wetboek) en het voorwerp van de aan laatstgenoemde en aan de verweerders sub 2 tot 11 toegekende bijzondere legaten (schending van artikel 1014 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Het arrest stelt vast dat T. d., die met de eerste verweerster was gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, overleden is op 22 maart 1983 en deze verweerster als enige reservataire erfgename achterliet en dat hij haar, samen met de eiser, zijn neef, als algemene legatarissen had aangesteld en tegelijkertijd bijzondere legaten in volle eigendom had toegekend aan elke partij in het cassatiegeding en aan andere verwanten, die niet in de zaak betrokken zijn.

Het arrest beslist dat die legaten belast zijn met het vruchtgebruik dat aan de langstlevende echtgenoot wordt toegekend door artikel 745bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Luidens artikel 916 van dat wetboek mogen de giften, bij gebrek aan een langstlevende echtgenoot, van bloedverwanten in de opgaande en in de nederdalende lijn, bij akten onder de levenden of bij testament, de gehele nalatenschap omvatten.

Artikel 915bis, §§ 1 en 2, van dat wetboek, beperkt het voorbehouden erfdeel van de langstlevende echtgenoot tot een gedeelte van het hem bij artikel 745bis toegekende vruchtgebruik.

Artikel 1094, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, luidens hetwelk de langstlevende echtgenoot, ingeval hij samen met legatarissen opkomt en giften in volle eigendom heeft ontvangen, op hetgeen van de nalatenschap en van het gedeelte van de vooroverledene in het gemeenschappelijk vermogen overblijft, de rechten behoudt die hem zijn toegekend door artikel 745bis, tenzij de schenker of erflater anders heeft bepaald, wijkt niet af van de regels betreffende het beschikbare gedeelte en het voorbehouden erfdeel.

Het arrest, dat geen aantasting van het voorbehouden erfdeel van de eerste verweerster vaststelt, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Er bestaat geen grond tot onderzoek van de andere onderdelen van het middel, die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het voor recht zegt dat de eerste verweerster, als langstlevende echtgenoot, haar vruchtgebruik mag uitoefenen op het algemeen legaat dat aan de eiser is toegekend en op de bijzondere legaten die aan laatstgenoemde en aan de andere bijzondere legatarissen zijn toegekend, en dat die legaten aan de verschillende legatarissen in blote eigendom moeten worden overgedragen, en in zoverre het uitspraak doet over de kosten ;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Alain Simon, Gustave Steffens en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 22 maart 2010 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,