Hof van Cassatie - Arrest van 23 oktober 2003 (België)

Publicatie datum :
23-10-2003
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
9 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20031023-14
Rolnummer :
C020273N

Samenvatting

Alhoewel bij de uitvoering van een vonnis tot uitzetting de goederen in de regel op de openbare weg worden gezet, kan, indien vaststaat dat de goederen door de eigenaar zullen worden achtergelaten en dat het toelaten van de door de uitvoering veroorzaakte hinder of milieustoornis in strijd zou zijn met een behoorlijk bestuur van de gemeente, de uitvoerende gerechtsdeurwaarder met de gemeente overeenkomen dat de goederen rechtstreeks naar de daartoe door de gemeente aangewezen plaats zullen worden overgebracht (1); in dit geval worden de goederen die na het verstrijken van de in art. 2 van de wet van 30 dec. 1975 bepaalde termijnen niet door de eigenaar of diens rechtverkrijgenden zijn opgeëist, eigendom van de gemeente. (1) Zie Parl. St. Senaat, BZ 1974, nr 305-1, 3; Hand. Kamer 1975-1976, 16 dec. 1975, 1325, verklaring van verslaggever De Kerpel dat de wettelijke regeling zal "bijdragen het leefmilieu te vrijwaren en te verhinderen dat onze gemeenten en dorpen verder ontsierd worden".

Arrest

Nr. C.02.0273.N
SWD, naamloze vennootschap, met zetel te 8531 Harelbeke, Brugsesteenweg 2A, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk, nummer 108.381,
eiseres,
vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
STAD KORTRIJK, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met burelen gevestigd te 8500 Kortrijk, Stadhuis, Grote Markt 54,
verweerster,
vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 november 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd.
III. Middel
Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
artikel 16 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ;
artikel 1 van het aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 ;
artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek ;
de artikelen 2 en 4 van de wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 30 november 1998.
Aangevochten beslissingen
Het middel tot cassatie vecht het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 14 november 2001 aan in zoverre het hof van beroep hierbij de vordering van de stad Kortrijk ontvankelijk en gegrond verklaart, voor recht zegt dat de stad Kortrijk de betreffende goederen heeft opgehaald en bewaard in toepassing van de wet van 30 december 1975 en derhalve verder voor recht zegt dat de goederen, thans opgeslagen aan het Vlaswaagplein 13 te Bissegem, voorwerp uitmakende van de uitdrijving door gerechtsdeurwaarder F. D., ingevolge de toepassing van de wet van 30 december 1975 eigendom zijn van de stad Kortrijk, de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond verklaart en haar veroordeelt tot alle gerechtskosten van beide aanleggen, hierbij steunend op volgende gronden :
"De wet van 30 december 1975 bepaalt onder artikel 2 dat de gemeentebesturen gedurende zes maanden na hun weghaling de goederen bewaren die op de openbare weg geplaatst zijn ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting, en die zij, na achterlating door hun eigenaar, hebben moeten wegnemen om een eind te maken aan de belemmering van de openbare weg.
Artikel 3 van de wet luidt als volgt :
'Wanneer de gemeente de eigenaar van het betrokken goed of zijn rechtverkrijgende kent, nodigt zij hem of hen uit per brief door brenger of per aangetekende brief aan hun laatst bekende adres om de goederen, of, in de gevallen bepaald in artikel 4, tweede lid, de opbrengst van de verkoop van de goederen te komen afhalen voor het verstrijken van de termijnen gesteld in artikel 2. De brief bedoeld in het voorgaande lid moet uiterlijk een maand voor het verstrijken van de termijnen gesteld in artikel 2, door brenger of ter post afgegeven worden.'
Artikel 4 bepaalt :
'In afwijking van artikel 2279, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek worden de goederen die na het verstrijken van de in artikel 2 gestelde termijnen niet door hun eigenaar of diens rechtverkrijgenden zijn opgeëist, eigendom van de gemeente.
De burgemeester mag evenwel, zonder het verstrijken van die termijnen af te wachten, beschikken over de goederen die aan snel bederf onderhevig zijn of schadelijk zijn voor de openbare hygiëne, gezondheid of veiligheid. Ingeval van verkoop wordt de opbrengst ter beschikking van de eigenaar of van zijn rechtverkrijgenden gehouden tot het verstrijken van de in artikel 2 gestelde termijnen, waarna zij eigendom van de gemeente wordt (...).'
Artikel 5 bepaalt :
'De gemeentebesturen mogen voor het verstrijken van de in artikel 2 gestelde termijnen de teruggave van de goederen of van hun opbrengst afhankelijk stellen van de betaling door de eigenaar of zijn rechtverkrijgenden, van de kosten die zij gemaakt hebben voor het weghalen en bewaren ervan'.
B.
a.
Uit de talrijke voorgelegde stukken en uit de uiteenzetting van de partijen in hun besluiten, blijkt dat er door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder in opdracht van de NV CEP in de loop van de periode van 21 tot en met 27 april 1995 uitvoering is gegeven aan een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis van de Vrederechter van het Eerste Kanton Kortrijk van 15 maart 1995 (door de NV CEP betekend aan (eiseres) op 5 april 1995).
De ontruiming desnoods met behulp van de openbare macht wordt door de Vrederechter bevolen (zie stukken nrs. 1 tot en met 3, dossier (eiseres)).
Hierbij is er een enorm grote hoeveelheid materieel uit het pand van de hierboven reeds vermelde NV CEP door de gerechtsdeurwaarder verwijderd (zie de diverse foto's en video door (eiseres) voorgelegd).
Uit de stukken blijkt overduidelijk dat de ontruiming van het pand geen ontruiming betekent die als 'normaal' mag bestempeld worden.
De hoeveelheid, zowel in gewicht als in omvang, alsook het aantal dagen die de gerechtsdeurwaarder nodig heeft gehad voor de ontruiming, tonen aan dat de ontruiming een zorgvuldige voorbereiding vergde en buitengewoon omvangrijk was.
In deze omstandigheden heeft de uitzetting van in de beginne terecht plaatsgehad in afspraak met (verweerster) (zie ook PV van uitzetting zie stuk nr. 17 dossier (verweerster)).
Mocht (verweerster) niet van in de beginne af erbij betrokken zijn geweest, zou dit blijk hebben gegeven van een verregaande onzorgvuldigheid.
Het blijkt uit het PV van uitzetting dat de ontruimde goederen zijn opgeslagen geworden op een terrein eigendom van de NMBS, gehuurd door (verweerster), grotendeels 'in één beweging', m.a.w. door de gerechtsdeurwaarder na ontruiming terstond op het terrein van de NMBS geplaatst. Dit op aanwijzen van de stad Kortrijk.
Het kwestieuze terrein paalt precies aan het terrein waarop het te ontruimen pand staat.
Uit de stukken en uit wat voorafgaat volgt dat mochten de goederen niet terstond zijn weggebracht naar het door (verweerster) aangewezen terrein in concreto het terrein eigendom van de NMBS de openbare weg bij de effectieve opstraatstelling op een totaal onaanvaardbare wijze zou zijn belemmerd (en wellicht ook beschadigd).
In de concreet voorliggende omstandigheden was de aanpak van de zaak zoals zij ook effectief heeft plaatsgevonden, voor (verweerster) de enig mogelijke.
Zij wist dat, aangezien de goederen de straat zouden belemmeren, zij met toepassing van de wet van 30 september 1975 de plicht had over te gaan tot bewaring ervan. Zij heeft zich, door het initiatief te nemen het terrein van de NMBS voor de opslag en bewaring aan te wenden en toe te staan dat de goederen aldaar terstond werden geplaatst, volkomen naar de wet gedragen.
Er mag ook niet uit het oog worden verloren dat de wet van 30 december 1975 de plicht oplegt aan de gemeente tot bewaring van de goederen die de openbare weg belemmeren.
Waar in concreto het zeker was dat de openbare weg zou belemmerd worden door de effectieve opstraatstelling, heeft (verweerster) conform de wet van 30 december 1975 gehandeld door er onmiddellijk voor te zorgen dat de goederen op het aanpalende terrein werden opgeslagen en door haar bewaard.
b.
Welke de concrete juridische verhouding is tussen de NMBS enerzijds en anderzijds (verweerster) met betrekking tot het gebruik dat (verweerster) mocht hebben van de grond, is de zaak niet van (eiseres).
De stad Kortrijk heeft haar weghaling- en bewaringsplicht volgens de wettelijke regels uitgevoerd.
c.
Ten onrechte houdt (eiseres) voor dat de goederen niet door haar waren "achtergelaten" in de zin van artikel 2 van de wet van 30 december 1975.
De Franse tekst heeft het letterlijk over goederen die er door hun eigenaar zijn achtergelaten ( : 'leur propriétaire les y laissant').
In casu kan niet anders dan vastgesteld worden dat (eiseres) de goederen die door de gerechtsdeurwaarder effectief werden ontruimd er uiteraard ook door de eigenaar (eiseres) in strijd met het vonnis van de vrederechter waren achtergelaten in het te ontruimen pand.
De stad Kortrijk heeft zich volgens artikel 2 van de wet gedragen door de goederen die (eiseres) in het pand had achtergelaten en door de gerechtsdeurwaarder weggeruimd uit het pand, in bewaring te nemen.
Voor zoveel als nodig stelt het hof vast, zoals de eerste rechter heeft aangemerkt, dat (eiseres) op het ogenblik van de uitvoering hoogstens enkele schijndaden heeft verricht zogezegd om tot vrijwillige uitvoering over te gaan en geenszins aanstalten maakte om het bij voorraad uitvoerbare vonnis van de vrederechter ook terstond en volledig uit te voeren.
De overweging vanwege (eiseres) dat (verweerster) even goed de weghaling en bewaring kon (doen) verrichten door het materieel naar de vestiging van (eiseres) te Hulste te brengen, is ten onrechte. Zij komt als onjuist over daar waar zij geuit wordt door (eiseres) die geweigerd heeft het bij voorraad uitvoerbare vonnis van de vrederechter vrijwillig uit te voeren.
(Verweerster) was overigens geen aannemer in opdracht van (eiseres), doch een overheid die bekleed is met rechten en plichten die voortvloeien uit de wet van 30 december 1975.
Tenslotte : indien (eiseres) bedenkingen heeft bij de uitvoering zelf van het vonnis, met name het feit en de wijze van ontruiming, dient zij zich te wenden tot de instrumenterende gerechtsdeurwaarder en/of diens opdrachtgever.
De stad Kortrijk kon niet anders dan vaststellen dat zij ten gevolge van de effectieve opstraatstelling diende over te gaan tot opslag en bewaring. Zij heeft geenszins de bevoegdheid om de effectieve uitvoering door de gerechtsdeurwaarder die zijn eigen verantwoordelijkheden heeft, te toetsen.
d.
Uit wat voorafgaat volgt als algemene conclusie dat (verweerster) op wettelijke en wettige wijze onder toepassing van artikel 2 van de wet van 30 december 1975 de goederen van (eiseres) in bewaring heeft genomen.
C.
a. Met aangetekende brief dd. 5 mei 1995 (stuk nr. 4, dossier (verweerster)) heeft (verweerster) aan (eiseres) onder meer
- medegedeeld dat de problematiek van de goederen gestapeld op het Vlaswaagplein te Bissegem, beheerst wordt door de wet van 30 december 1975 ;
- aangemaand 'Uw goederen dan ook zo snel als mogelijk af te halen' , verder in fine : 'Uiteindelijk dringen wij er nog eens op aan, zoals in supra reeds gesteld, dat de goederen die thans opgestapeld zijn op de parking Vlaswaagplein zeer dringend door Uw toedoen verplaatst dienden te worden'.
- medegedeeld m.b.t. bepaalde goederen die gevaar voor de gezondheid of de veiligheid betekenden 'Met Uw akkoord hebben onze diensten dan zelf deze goederen, onder politiebegeleiding naar Uw terreinen in Hulste vervoerd. Het spreekt vanzelf dat ook deze kosten op U zullen verhaald worden'.
Uit het PV van uiteenzetting blijkt dat de ontruiming door de gerechtsdeurwaarder is beëindigd op 27 april 1995.
Die datum dient dan ook als aanvangsdatum van de inbewaringneming van de goederen door (verweerster) te worden aangezien.
b.
Met toepassing van art. 4 van de wet van 30 december 1975 worden de goederen die niet binnen de zes maanden na de inbewaringneming zijn opgeëist door de eigenaar of diens rechtsverkrijgenden, eigendom van de gemeente.
Voor de overgang van het eigendomsrecht stelt de wet slechts één voorwaarde, met name het verloop van zes maanden zonder dat er binnen die termijn een opeising door de eigenaar is geschied.
Binnen de termijn tussen 27 april en 27 oktober 1995 is er door (eiseres) geen opeising van de goederen verricht.
In casu betekent dit dat met verloop van 27 oktober 1995, (verweerster) eigenares is geworden van de kwestieuze goederen.
Zelfs indien een voorafgaande aangetekende aanmaning tot afhaling van de goederen een voorwaarde is voor de eigendomsoverdracht, is hieraan voldaan geworden door (verweerster) met haar aangetekend schrijven van 5 mei 1995 (zie supra a).
c.
Het aangetekend schrijven van 20 november 1995 (stuk nr. 6), dossier (verweerster)) vanwege (verweerster), waarin zij (eiseres) nogmaals in gebreke stelt tot betaling en afhaling binnen de maand stelt : 'Indien U aan dit verzoek, binnen de gestelde termijn, geen gevolg geeft, worden deze bij toepassing van artikel 4 van voornoemde wet eigendom van de stad", doet aan voorgaande geen afbreuk.
Met ingang van 28 oktober 1995 was (verweerster) immers automatisch eigenares geworden van de goederen.
Het stond aan (verweerster) die inmiddels hoe dan ook eigenares was geworden vrij om nog een laatste kans te geven aan (eiseres), doch onder de voorwaarden gesteld door (verweerster), met name afhaling binnen de maand en betaling voordien.
(Eiseres) heeft hieraan niet het gevolg gegeven zoals door de stad Kortrijk gevraagd : ze heeft niet betaald binnen de door (verweerster) bijkomend gegeven termijn van één maand en deze goederen (uiteraard) ook niet afgehaald.
Met gewoon schrijven van 19 december 1995 heeft de toenmalige raadsman van (eiseres) gemeld dat (eiseres) bereid was om de goederen te komen afhalen en uitleg over de kostenaanrekening ad. 187.572 BEF gevraagd (stuk nr. 7, dossier (verweerster)).
Deze brief kan dan ook zelfs niet als belofte tot betaling gelden.
d.
Waar het eigendomsrecht in hoofde van (verweerster) over de kwestieuze goederen vaststaat, vervalt meteen ook elke mogelijkheid van verhaal vanwege (eiseres) lastens (verweerster) wegens mogelijke schade aan de goederen in de loop van de bewaring.
Bij dit alles is geen enkel rechtsmisbruik noch misbruik van macht of machtsoverschrijding in hoofde van (verweerster) vast te stellen, noch bij de concrete omstandigheden van de inbewaringneming van de goederen, noch bij de laatste pogingen om vooralsnog de zaak in der minne te regelen.
De stad Kortrijk heeft zich in alle opzichten conform de wettelijke bepalingen gedragen.
D.
Terecht wordt echter door (eiseres) beknopt in de beroepsakte doch ruimer voor de eerste rechter (zie o.m. besluiten neergelegd op 18 maart 1998, blz. 6, bovenaan) opgeworpen dat de wet van 30 december 1975 geen vordering tot kostenvergoeding toestaat in de hypothese dat de goederen eigendom van (verweerster) zijn geworden.
Slechts in geval van teruggave van de goederen, kan de gemeente deze teruggave afhankelijk stellen van de betaling van de kosten van weghaling en bewaring, dit met toepassing van artikel 5 van de wet.
De wet van 30 december 1975 is een voor de kwestieuze problematiek 'gesloten' regeling, in die zin dat zij een evenwicht creëert tussen de belangen van de betrokkenen, gemeente respectievelijk de privé-persoon/uitgewonnene ; een evenwicht dat zich niet laat aanvullen door het gemeenrecht (zaakwaarneming, verrijking zonder oorzaak...).
Er is een automatisme voorzien in de eigendomsoverdracht (artikel 4) doch duidelijk als vergoeding/betaling voor de kosten van weghaling en bewaring die de gemeente heeft dienen te dragen (zie overigens ook artikel 4, tweede lid van de wet, die een 'noodverkoop' voorziet, waarvan de geldopbrengst na verstrijken van de zes maanden eigendom van de gemeente wordt).
De gemeente kan niet tezelfdertijd eigenares worden van de goederen cq. de geldopbrengst (artikel 4, in fine) en bijkomend de betaling van de kosten vorderen.
Aangezien de goederen eigendom zijn geworden van (verweerster) kan (verweerster) geen vergoeding voor haar kosten vorderen".
Grieven
Eerste onderdeel
Artikel 2 van de wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting bepaalt dat de gemeentebesturen, gedurende zes maanden na hun weghaling, de goederen bewaren waarvan de eigenaar onbekend is, die de veiligheid of het gemak van doorgang op openbare wegen, straten, kaaien en pleinen hinderen en die zij dientengevolge hebben moeten wegnemen, alsmede de goederen op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting, en die zij, na achterlating door hun eigenaar, hebben moeten wegnemen om een einde te maken aan de belemmering van de openbare weg, met dien verstande dat krachtens artikel 4 van diezelfde wet, in afwijking van artikel 2279, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, de goederen die na het verstrijken van de in artikel 2 gestelde termijnen niet door hun eigenaar of diens rechtverkrijgende zijn opgeëist, eigendom worden van de gemeente.
Uit hoger voornoemd artikel 2 volgt dat de gemeente slechts dan tot weghaling van de goederen is gehouden wanneer blijkt, vooreerst, dat de goederen op de openbare weg werden geplaatst door een gerechtsdeurwaarder naar aanleiding van de uitvoering van een vonnis tot uitzetting en, vervolgens, dat die goederen door de eigenaar op die openbare weg werden achtergelaten, alwaar zij een belemmering vormden.
Slechts in deze voorwaarden zal er gewag kunnen worden gemaakt van een bewaargeving uit noodzaak van de weggehaalde goederen, waarvan de niet-opeising binnen de zes maanden een eigendomsoverdracht krachtens artikel 4 van de wet van 30 december 1975 zal teweegbrengen.
Hieruit volgt dat in zoverre het hof van beroep aanneemt dat er aan de voorwaarden van artikel 2 van de wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting is voldaan zodra blijkt dat de goederen in het gehuurde pand werden achtergelaten, het bestreden arrest niet naar recht verantwoord is en het artikel 2 van de wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 30 november 1998, schendt.
In ieder geval kon het hof van beroep op grond van de gedane vaststellingen, waaruit niet blijkt dat de goederen door de gerechtsdeurwaarder op de openbare weg werden geplaatst en waaruit evenmin blijkt dat die goederen door eiseres op die openbare weg werden achtergelaten, alwaar zij een belemmering vormden, niet wettig besluiten dat voldaan was aan de voorwaarden tot toepassing van de wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting (schending van artikel 2 van de wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 30 november 1998) en dat, bij gebreke van opeising van de goederen binnen de zes maanden, verweerster hiervan de eigendom had verworven (schending van artikel 4 van de wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting en voor zoveel als nodig artikelen 16 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 en 544 van het Burgerlijk Wetboek).
Tweede onderdeel
Artikel 1 van het aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, bepaalt dat alle natuurlijke en rechtspersonen recht hebben op het ongestoord genot van hun eigendom en dat niemand van zijn eigendom zal worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.
Dergelijke eigendomsberovende maatregel mag weliswaar aan het individu geen onevenredig zware last opleggen, hetgeen impliceert dat iedere maatregel, die een onteigening tot gevolg heeft, in een billijke schadeloosstelling zal moeten voorzien.
Artikel 16 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 bepaalt zijnerzijds uitdrukkelijk dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemene nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke vergoeding en voorafgaande schadeloosstelling.
Bij artikel 4 van de wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting, wordt gepreciseerd dat in afwijking van artikel 2279, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, de goederen die na het verstrijken van de in artikel 2 gestelde termijnen niet door hun eigenaar of diens rechtverkrijgenden zijn opgeëist, eigendom worden van de gemeente, zulks bij wijze van compensatie voor de door de gemeente gemaakte kosten naar aanleiding van de weghaling en bewaring van de goederen tijdens die termijn.
De eigenaar, die de termijn van zes maanden laat verstrijken zonder de goederen op te eisen, wordt derhalve de facto onteigend, zonder dat hiertegenover weliswaar enige geldelijke vergoeding staat voor hetgeen de kostprijs van de weghaling en bewaring van de goederen te boven gaat.
Hieruit volgt dat het hof van beroep, dat bij toepassing van artikel 4 van de wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting verklaart dat verweerster eigenaar is geworden van de door haar weggehaalde goederen, zonder hiervoor enige vergoeding verschuldigd te zijn, en dit ongeacht de mogelijke discrepantie die er bestaat tussen de kostprijs van de weghaling en betaling van die goederen, in casu door de gemeente becijferd op een bedrag van 187.152 BEF of 4.639,38 Euro, en de waarde van de goederen, waarvan de commerciële waarde door eiseres in het kader van haar tegeneis werd geraamd op 350.000.000 BEF of 8.676.273,3 Euro (p. 6 van de beroepsconclusie), artikel 1 van het aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 schendt. Door bovendien te zeggen voor recht dat verweerster van die goederen eigenaar is bij toepassing van de wet van 30 december 1975, zonder dat hiervoor enige vergoeding verschuldigd is, schendt het het artikel 16 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994.
IV. Beslissing van het Hof
Eerste onderdeel
Overwegende dat artikel 2, tweede lid, van de wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen van uitzetting, bepaalt dat de gemeentebesturen, gedurende zes maanden na hun weghaling, de goederen bewaren waarvan de eigenaar onbekend is, die de veiligheid of het gemak van doorgang op openbare wegen, straten, kaaien en pleinen hinderen en die zij dientengevolge hebben moeten wegnemen, alsmede de goederen op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting, en die zij, na achterlating door hun eigenaar, hebben moeten wegnemen om een eind te maken aan de belemmering van de openbare weg ;
Dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat die wetsbepaling niet enkel tot doel heeft de eigenaars te beschermen, maar vooral ertoe strekt het milieu te beschermen en te verhinderen dat de steden en gemeenten nog meer zouden ontsierd worden door goederen die op de openbare weg worden achtergelaten ;
Dat uit de aard en het doel van die bepaling volgt dat bij de uitvoering van de vonnissen tot uitzetting de goederen in de regel op de openbare weg worden gezet, maar dat in het geval dat vaststaat dat de goederen door de eigenaar zullen worden achtergelaten en dat de door de uitvoering veroorzaakte hinder of milieustoornis van die aard zou zijn dat het toelaten daarvan in strijd zou zijn met een behoorlijk bestuur van de gemeente, de uitvoerende gerechtsdeurwaarder met de gemeente kan overeenkomen dat de goederen rechtstreeks naar de daartoe door de gemeente aangewezen plaats zal worden overgebracht ;
Dat in dit laatste geval artikel 4, eerste lid, van de wet van 30 december 1975 van toepassing is waarin is bepaald dat, in afwijking van artikel 2279, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, de goederen die na het verstrijken van de in het genoemde artikel 2 bepaalde termijnen niet door de eigenaar of diens rechtverkrijgenden zijn opgeëist, eigendom worden van de gemeente ;
Overwegende dat het arrest overweegt dat :
- uit de stukken overduidelijk blijkt dat de ontruiming van het pand geen ontruiming betekent die als "normaal" mag bestempeld worden en dat de hoeveelheid, zowel in gewicht als omvang, alsook het aantal dagen die de gerechtsdeurwaarder nodig heeft gehad voor de ontruiming, aantonen dat de ontruiming een zorgvuldige voorbereiding vergde en buitengewoon omvangrijk was ;
- in deze omstandigheden de uitzetting van in de beginne terecht heeft plaatsgehad in afspraak met verweerster ;
- mocht verweerster er niet vanaf in de beginne erbij betrokken zijn geweest, dit blijk zou hebben gegeven van een verregaande onzorgvuldigheid ;
- uit de stukken blijkt dat, mochten de goederen niet terstond zijn weggebracht naar het door verweerster aangewezen terrein, de openbare weg bij het effectief op straat stellen op een totaal onaanvaardbare wijze zou zijn belemmerd en wellicht ook beschadigd ;
- de in concreet voorliggende omstandigheden de aanpak van de zaak zoals zij effectief heeft plaats gevonden, voor verweerster de enige mogelijke was ;
Overwegende verder dat het arrest niet enkel oordeelt dat eiseres de goederen in het ontruimde pand heeft achtergelaten, maar ook dat eiseres op het ogenblik van de uitvoering hoogstens enkele schijndaden heeft verricht zogezegd om tot vrijwillige uitvoering over te gaan ;
Dat het arrest aldus te kennen geeft dat eiseres de door de gerechtsdeurwaarder verwijderde goederen, ook als die eerst op de openbare weg zouden zijn gesteld, niet zou hebben afgehaald en dit ook niet onmiddellijk bij de overbrenging zou doen ;
Dat het arrest aldus naar recht is verantwoord ;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
Tweede onderdeel
Overwegende dat eiseres de in het onderdeel aangevoerde schending van het EVRM niet heeft aangevoerd voor de feitenrechter ;
Dat het onderdeel in zoverre nieuw, mitsdien niet ontvankelijk is ;
Overwegende dat in zoverre schending wordt aangevoerd van artikel 16 van de Grondwet in verband met hetgeen eiser als een "de facto onteigening" kwalificeert maar dat vreemd blijft aan de toestand bedoeld in dit artikel, het onderdeel niet ontvankelijk is ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
De kosten begroot op de som van zeshonderd zevenentachtig euro vierenzestig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd zestig euro vierenvijftig cent jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Londers en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van drieëntwintig oktober tweeduizend en drie uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.