Hof van Cassatie - Arrest van 24 juni 2004 (België)

Publicatie datum :
24-06-2004
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20040624-9
Rolnummer :
C020361F

Samenvatting

Wanneer het Hof ingevolge de artt. 33, Wet Raad van State en 609, 2°, Ger.W. uitspraak doet over het cassatieberoep tegen een arrest waarbij de afdeling administratie van de Raad van State afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid, oefent het Hof toezicht uit op de redenen waarom de Raad op die exceptie afwijzend heeft beschikt of geweigerd heeft kennis ervan te nemen (1). (1) Cass., Ver. K., 5 feb. 1993, AR 8209, nr 78, met concl. adv.-gen., D'Hoore.

Arrest

Nr. C.02.0361.F.-
FRANSE GEMEENSCHAP VAN BELGIE,
Mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
D. A.,
Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest nr. 106.968, op 24 mei 2002 gewezen door de Raad van State, afdeling administratie.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Xavier De Riemaecker heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddel
Eiseres voert een middel aan :
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 2 en 6 van het Gerechtelijk Wetboek ;
- de artikelen 13, 144, 145, 149, 158 en 159 van de Grondwet ;
- de artikelen 7, 14 en 28 van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State ;
- artikel 33 van het Regentsbesluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State ;
- artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op die inrichtingen ;
- artikel 9 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuursen onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op die inrichtingen, voor de wijziging ervan bij artikel 12 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 februari 1994 houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte en gebrekkigheid van sommige leden van het onderwijspersoneel (B.S. van 6 februari 1997) en voor de wijziging ten gevolge van artikel 13 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 juli 2000 houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs (B.S. van 18 augustus 2000) dat van toepassing is vanaf 1 september 2000 ;
- voor zoveel nodig, artikel 12 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 februari 1997 houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte en gebrekkigheid van sommige leden van het onderwijspersoneel (B.S. van 6 februari 1997) en het aldus gewijzigde artikel 13 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 juli 2000 houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs (B.S. van 18 augustus 2000) dat van toepassing is vanaf 1 september 2000 ;
- de artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op die inrichtingen en schending van voornoemd artikel 160 ;
- het algemeen rechtsbeginsel betreffende de scheiding der machten, dat voortvloeit uit de Grondwet in haar geheel en meer bepaald uit de artikelen 33 tot 41.
Aangevochten beslissingen en redenen
Het arrest nr. 106.968 van 24 mei 2002 verwerpt de door eiseres opgeworpen exceptie van onbevoegdheid op de volgende gronden :
"(eiseres) werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op ; volgens haar heeft het beroep geen onderwerp ; zij werpt dezelfde exceptie op die ze reeds had opgeworpen in de zaak die geleid heeft tot voormeld arrest nr. 65.658.
een dergelijke exceptie is door voornoemd arrest en door latere arresten verworpen ; (eiseres) voert geen enkel argument aan dat voor de Raad van State een reden zou kunnen zijn om op zijn rechtspraak terug te komen ; de exceptie kan slechts worden verworpen" ;
Grieven
1. Eerste onderdeel
Krachtens de artikelen 13 en 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken van de rechterlijke orde.
Krachtens de artikelen 7 en 14 van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State is de Raad van State niet bevoegd om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een individuele handeling die bestaat in de door een bestuurlijke overheid gedane vaststelling van het bestaan van een toestand die een subjectief recht schept aan de zijde van verzoeker, wanneer het aangevoerde middel tot nietigverklaring afgeleid is uit de schending van de rechtsregel die de voorwaarden voor de erkenning van een dergelijke toestand bepaalt.
Teneinde uit te maken of de Raad van State bevoegd is, dient de rechter na te gaan of er in de betrokken rechtsbetrekking tussen de bestuurlijke overheid en de burger een rechtsregel bestaat die aan de burger rechtstreeks het recht toekent om van de overheid een welbepaald gedrag te eisen.
Die macht bestaat wanneer de bevoegdheid van de bestuurlijke overheid volledig gebonden is, wat veronderstelt dat de voorwaarden waaraan de uitoefening van de bevoegdheid onderworpen is, objectief door de rechtsregel zijn vastgelegd zodat de overheid over geen enkele beoordelingsvrijheid beschikt.
Krachtens artikel 9 van het koninklijk besluit van 18 januari 1978, genomen met toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der onderwijsinrichtingen, voor de wijziging ervan bij artikel 12 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 februari 1997 houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte en gebrekkigheid van sommige leden van het onderwijspersoneel (B.S. van 6 februari 1997) en vervolgens bij artikel 13 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 juli 2000 houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs (B.S. van 18 augustus 2000) :
"is het in artikel 1 bedoelde vastbenoemde of stagedoende personeelslid van rechtswege ter beschikking gesteld wanneer hij wegens ziekte of gebrekkigheid afwezig is nadat hij het maximum aantal verlofdagen heeft genoten dat hem om die reden kan toegekend worden".
Terwijl artikel 14 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen met toepassing van het in het middel vermelde artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 het maximumaantal verlofdagen vastlegt waarop het personeelslid aanspraak kan maken wegens ziekte of gebrekkigheid, luidt artikel 15 van genoemd besluit als volgt :
"In afwijking van artikel 14, wordt het ziekte- en gebrekkigheidsverlof toegestaan zonder tijdsperking naar aanleiding van :
- een arbeidsongeval ;
- een ongeval op de weg van en naar het werk ;
- een beroepsziekte".
De terbeschikkingstelling geschiedt dus van rechtswege wanneer de in voormeld artikel 9 bepaalde voorwaarden vervuld zijn, onder voorbehoud met name van de toepassing van de artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen ter toepassing van het in het middel vermelde artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969, en zulks los van elk initiatief vanwege de overheid die enkel kan vaststellen dat de voorwaarden al dan niet vervuld zijn, zonder terzake over een discretionaire beoordelings-vrijheid te beschikken.
De administratie beschikt terzake over een volledig gebonden bevoegdheid die een directe impact heeft op de rechten van de betrokken persoon.
De administratie beschikt terzake over geen enkele beoordelings-vrijheid, en de rechten die voortvloeien uit de toepassing van die bepalingen, zijn burgerlijke rechten waarvan alleen de rechtbanken van de rechterlijke orde in geval van geschil kennis kunnen nemen.
In de door haar bij de Raad van State ingediende memories, en inzonderheid in haar laatste memorie van 21 februari 2002 heeft eiseres uitvoerig de redenen uiteengezet waarom de Raad van State onbevoegd was, onder meer omdat in artikel 9 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974 de woorden "van rechtswege" worden gebruikt, wat elke beoordelingsvrijheid aan de zijde van de administratie uitsluit.
Door op de in het middel overgenomen overwegingen de exceptie van onbevoegdheid te verwerpen, heeft de Raad van State zich ten onrechte bevoegd verklaard om kennis te nemen van geschillen over burgerlijke rechten, en heeft de Raad derhalve de artikelen 13 en 144 van de Grondwet, 7 en 14 van de wetten op de Raad van State, alsook de overige, in het middel aangewezen bepalingen geschonden.
2. Tweede onderdeel
Krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek "zijn de in dit wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek".
Krachtens artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek mogen de rechters in de zaken die aan hun oordeel onderworpen zijn, geen uitspraak doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking.
Die bepaling is op de Raad van State van toepassing zowel krachtens het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten, dat voortvloeit uit de Grondwet in haar geheel, en meer bepaald uit de artikelen 33 tot 41, als krachtens het hierboven weergegeven artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek.
De Raad van State heeft evenwel de door eiseres opgeworpen exceptie van onbevoegdheid verworpen op de volgende grond :
"(eiseres) werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op ; volgens haar heeft het beroep geen onderwerp ; zij werpt dezelfde exceptie op die ze reeds had opgeworpen in de zaak die geleid heeft tot voormeld arrest nr. 65.658 ;
een dergelijke exceptie is door voornoemd arrest en door latere arresten verworpen ; (eiseres) voert geen enkel argument aan dat voor de Raad van State een reden zou kunnen zijn om op zijn rechtspraak terug te komen ; de exceptie kan slechts worden verworpen".
Aldus kent het arrest van de Raad van State aan zijn rechtspraak de waarde toe van een algemene en als regel geldende beschikking en houdt het een schending in van de artikelen 149 van de Grondwet, 33 van het Regentsbesluit tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, 2 en 6 van het Gerechtelijk Wetboek, alsook het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten, dat volgt uit de Grondwet in haar geheel, en meer bepaald uit de artikelen 33 tot 41.
3. Derde onderdeel
De Raad van State verwerpt de exceptie van onbevoegdheid op grond van de overweging dat "een dergelijke exceptie door voornoemd arrest en door latere arresten is verworpen ; dat (eiseres) geen enkel argument aanvoert dat voor de Raad van State een reden zou kunnen zijn om op zijn vroegere rechtspraak terug te komen ; dat de exceptie slechts kan worden verworpen".
Die motivering bevat geen enkel gegeven dat het Hof van Cassatie in staat zou stellen het bij de wet aan het Hof opgedragen toezicht uit te oefenen.
Op grond van die motivering kan immers onmogelijk worden nagegaan of de Raad van State de exceptie van onbevoegdheid heeft verworpen omdat hij van oordeel was dat de rechten waarover het geschil tussen de partijen loopt geen burgerlijke rechten zijn, die tot de bevoegdheid van de rechtbanken van de rechterlijke orde behoren, dan wel omdat de Raad zich bevoegd geacht heeft om de handeling nietig te verklaren waarbij de administratie de stand disponbiliteit wegens ziekte vaststelt als bedoeld in het in het middel vermelde artikel 9 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974, dat achteraf artikel 12 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 februari 1997 houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte en gebrekkigheid van sommige leden van het onderwijspersoneel (B.S. van 6 februari 1997) geworden is en thans het vanaf 1 september 2000 toepasselijke artikel 13 is geworden van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 juli 2000 houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs (B. S. van 18 augus-tus 2000), terwijl krachtens die bepaling het personeelslid van rechtswege in disponbiliteit is wanneer het wegens ziekte afwezig is, zonder dat de administratie terzake over enige discretionaire macht beschikt.
Zelfs de motivering in vorige arresten waarnaar de Raad van State verwijst kan niet worden achterhaald, daar de lijst van die arresten niet wordt vermeld.
Daar het Hof (van Cassatie) ten gevolge van het arrest in de onmogelijkheid verkeert het toezicht uit te oefenen dat artikel 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 aan het Hof opdraagt krachtens de artikelen 144 en 158 van de Grondwet, schendt het die bepalingen alsook artikel 28 van voornoemde wet, artikel 33 van het Regentsbesluit tot vaststelling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State en artikel 149 van de Grondwet. Derhalve omkleedt het zijn beslissing niet regelmatig met redenen.
IV. Beslissing van het Hof
Derde onderdeel :
Overwegende dat, wanneer het Hof op grond van de artikelen 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en 609, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek kennis neemt van de voorziening tegen een arrest waarbij de afdeling administratie van de Raad van State afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid, het Hof toezicht uitoefent op de redenen waarom de Raad van State op die exceptie afwijzend heeft beschikt of geweigerd heeft kennis ervan te nemen ;
Dat de motivering van de Raad van State het Hof in staat moet stellen het bij voornoemd artikel 33 aan het Hof opgedragen toezicht uit te oefenen ;
Dat het arrest van de Raad van State zelf de motivering moet bevatten van de beslissing waarin het uitspraak doet over de exceptie van onbevoegdheid of, op zijn minst, moet het de motivering overnemen van een andere, in dezelfde zaak gewezen beslissing ;
Overwegende dat het bestreden arrest, na te hebben vastgesteld "dat (eiseres) een exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpt ; dat het beroep volgens haar geen onderwerp heeft ; dat zij dezelfde exceptie opwerpt die ze reeds had opgeworpen in de zaak die geleid heeft tot het arrest nr. 65.658 (van 28 maart 1997)", vermeldt "dat een dergelijke exceptie door voornoemd arrest en door latere arresten is verworpen ; dat (eiseres) geen enkel argument aanvoert dat voor de Raad van State een reden zou kunnen zijn om op zijn rechtspraak terug te komen ; dat de exceptie slechts kan worden verworpen" ;
Dat het bestreden arrest, door te verwijzen naar de motivering van een arrest dat niets met de zaak te maken heeft en van andere, niet nader te bepalen arresten, het Hof niet in staat stelt het toezicht uit te oefenen dat bij artikel 33, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aan het Hof opgedragen wordt ;
Dat het onderdeel gegrond is ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Vernietigt het bestreden arrest ;
Beveelt dat het arrest zal worden overgeschreven in de registers van de Raad van State en dat daarvan melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ;
Veroordeelt verweerster in de kosten ;
Verwijst de zaak naar de anders samengestelde Raad van State, afdeling administratie, opdat deze over de exceptie van onbevoegdheid uitspraak zou doen bij een arrest dat het Hof in staat zal stellen zijn toezicht uit te oefenen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de afdelingsvoorzitters Claude Parmentier en Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Philippe Echement, Christian Storck, Jean de Codt, Didier Batselé en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Xavier De Riemaecker, met bijstand van hoofdgriffier Etienne Sluys.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Greta Bourgeois en overgeschreven met assistentie van hoofdgriffier Etienne Sluys.
De hoofdgriffier, De raadsheer,