Hof van Cassatie - Arrest van 24 maart 2010 (België)

Publicatie datum :
24-03-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100324-1
Rolnummer :
P.10.0473.F

Samenvatting

Krachtens artikel 51 Sw. veronderstelt strafbare poging met name dat het voornemen om een misdaad of een wanbedrijf te plegen zich heeft geopenbaard door uitwendige daden die een begin van uitvoering van die misdaad of van dat wanbedrijf uitmaken; ofschoon niet vereist is dat het wezenlijk bestanddeel zelf van het misdrijf reeds begonnen is, veronderstelt begin van uitvoering op zijn minst wel dat de dader de middelen aanwendt die hij zich heeft verschaft, klaargelegd en in gereedheid gebracht om zijn misdadig opzet ten uitvoer te brengen (1). (1) Cass., 3 nov. 2004, AR P.04.1191.F, A.C., 2004, nr 529.

Arrest

Nr. P.10.0473.F

O. S.,

Mr. Luc Balaes, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 maart 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens artikel 51 Strafwetboek, waarvan het middel aanvoert dat het is geschonden, veronderstelt strafbare poging met name dat het voornemen om een misdaad of een wanbedrijf te plegen zich heeft geopenbaard door uitwendige daden die een begin van uitvoering van die misdaad of van dat wanbedrijf uitmaken.

Ofschoon niet vereist is dat het wezenlijk bestanddeel zelf van het misdrijf reeds begonnen is, veronderstelt begin van uitvoering op zijn minst wel dat de dader de middelen aanwendt die hij zich heeft verschaft, klaargelegd en in gereedheid gebracht om zijn misdadig voornemen ten uitvoer te brengen.

Wanneer de bodemrechter de feiten heeft opgesomd die volgens hem strafbare poging uitmaken, gaat het Hof na of die feiten naar recht werden omschreven en met name of het rechtsbegrip begin van uitvoering niet werd miskend.

Met overneming van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie, wijst het arrest erop dat de eiser, samen met twee anderen, werd tegengehouden in een voertuig dat 's nachts, met draaiende motor, naast een pand geparkeerd stond in een regio waar talrijke diefstallen in woningen worden gepleegd.

Volgens de door de appelrechters overgenomen redenen lag al het voor inbraak nodige gereedschap in het voertuig. Eén van de drie inzittenden van het voertuig heeft de tijd gehad om de omgeving van het landgoed te verkennen en over een muur te klimmen. Hij werd opgemerkt in de dreef, waar de automatische verlichting functioneerde, terwijl hij in de richting van het verdachte voertuig liep. In die dreef werd een zaklamp teruggevonden en stond een bestelwagen geparkeerd, die eigendom was van de bewoners.

De eiser heeft een conclusie neergelegd waarin hij aanvoert dat het aan de hand van het politieverslag niet mogelijk was om op grond van die handelingen die het als voorbereidende handelingen omschrijft, het begin van uitvoering aan te nemen dat vereist is opdat er van strafbare poging sprake zou zijn.

Uit de door het arrest vastgestelde omstandigheid dat één van de verdachten 's nachts in het landgoed is binnengedrongen, in de buurt waarvan inbrekersmaterieel was afgezet, leiden de appelrechters naar recht af dat een materiële daad werd gesteld die rechtstreeks en onmiddellijk tot het plegen van een welbepaald misdrijf leidt.

Het middel kan niet worden aangenomen.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is, behoudens de hierna vernietigde onwettigheid, overeenkomstig de wet gewezen.

Ambtshalve aangevoerde middel: schending van de artikel 16, §1, Voorlopige Hechteniswet

Tegen de eiser werd op 23 februari 2010 een bevel tot aanhouding uitgevaardigd wegens poging tot zware diefstal, deelneming aan een vereniging van boosdoeners en het in het openbaar dragen van een valse naam. Bij beschikking van 26 februari 2010 heeft de raadkamer dat bevel tot aanhouding regelmatig verklaard en de voorlopige hechtenis gehandhaafd. Het bestreden arrest bevestigt de beschikking.

Artikel 16, §1, Voorlopige Hechteniswet staat hechtenis alleen toe voor feiten waarop een gevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf staat.

Artikel 231 Strafwetboek straft het in het openbaar dragen van een valse naam met acht dagen tot drie maanden gevangenis en een geldboete of alleen met één van die straffen.

Daaruit volgt dat wegens dat misdrijf geen voorlopige hechtenis kan bevolen of gehandhaafd worden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de voorlopige hechtenis handhaaft wegens het in het openbaar dragen van een valse naam.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in twee derde van de kosten van zijn cassatieberoep en laat het overige derde ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 24 maart 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,