Hof van Cassatie - Arrest van 25 maart 2010 (België)

Publicatie datum :
25-03-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
12 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100325-1
Rolnummer :
C.08.0483.N

Samenvatting

Onder hangende zaken in de zin van artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat worden de zaken bedoeld waarover nog uitspraak moet worden gedaan bij de inwerkingtreding van de nieuwe wet.

Arrest

Nr. C.08.0483.N

AVS/GPS, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2000 Antwerpen, Blauwtorenplein 2,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

GRAMACO, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2100 Deurne, Antoon Van den Bosschelaan 112, die woonplaats kiest bij gerechtsdeurwaarder Eric Rochtus, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 207,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 24 juni 2008, gewezen door het hof van beroep te Antwerpen.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 20, inzonderheid eerste, derde en vierde lid, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst;

- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994.

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep, recht sprekend over de vordering van de verweerster tot het verkrijgen van een uitwinningsvergoeding, het hoger beroep van de verweerster gedeeltelijk gegrond. Het hof van beroep hervormt het vonnis van de rechtbank van koophandel van 28 juni 2007 en veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerster van een bedrag van 28.749,99 euro als uitwinningsvergoeding, vermeerderd met de verwijlinterest berekend aan de wettelijke interestvoet van zeven procent per jaar vanaf 20 april 2006 en de gerechtelijke interest berekend aan dezelfde interestvoet vanaf 8 mei 2006 tot de dag van betaling. Die beslissing is gesteund op de volgende motieven:

"D. Met betrekking tot de uitwinningsvergoeding

De overeenkomst bevat een niet-concurrentiebeding (art. 7). De principaal wordt geacht, behoudens tegenbewijs, nog aanzienlijke voordelen te krijgen.

De samenwerking was van relatieve korte duur. Bovendien kwam het cliëntèle uit de overname van G.P.S. door A.V.S. G.P.S. - later in faillissement - was een vennootschap gerund door dezelfde zaakvoerder als (de verweerster).

Billijkheidshalve kent het hof drie maanden uitwinningsvergoeding toe, hetzij de gemiddelde forfaitaire vergoeding per maand aan 9,583,33 euro x 3 = 28.749,99 in hoofdsom, meer de verwijlintresten aan wettelijke intrestvoet van 7 pct. per jaar vanaf 20 april 2006, de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet vanaf 8 mei 2006 tot de dag van betaling" (pagina 12, punt D, van het bestreden arrest).

Grieven

Het hof van beroep beslist dat de eiseres en de verweerster een handelsagentuur-overeenkomst (voor bepaalde duur) hebben gesloten (pagina 9, derde volledige alinea, van het bestreden arrest).

Het hof van beroep beslist eveneens in het bestreden arrest dat de verweerster de handelsagentuurovereenkomst op grond van artikel 19 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, hieronder afgekort als de Handels-agentuurwet, regelmatig en rechtmatig heeft beëindigd, aangezien de eiseres vervallen en verschuldigde facturen met betrekking tot de forfaitaire vergoeding van de handelsagent (de verweerster) niet betaalde (pagina 11, achtste en negende alinea, van het bestreden arrest).

- Artikel 20, eerste lid, van de Handelsagentuurwet bepaalt dat de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst recht heeft op een uitwinningsvergoeding, waarvan het bedrag wordt bepaald in het derde en vierde lid, wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.

Opdat de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst recht zou hebben op een uitwinningsvergoeding moet hij dus op de eerste plaats ofwel nieuwe klanten hebben aangebracht ofwel de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk uitgebreid hebben. Bijkomende voorwaarde is dat de aanbreng van nieuwe klanten of de uitbreiding van zaken met bestaande klanten nog aanzienlijke voordelen voor de principaal kan opleveren.

De eiseres voerde in conclusie voor het hof van beroep aan dat:

- niet voldaan was aan de voorwaarden dat de handelsagent nieuwe klanten dient aangebracht te hebben of de bestaande zaak aanzienlijk dient uitgebreid te hebben, en dat dit de principaal aanzienlijke voordelen moet kunnen opleveren (zie blz. 13, punt 5, eerste alinea, van de syntheseconclusie van de eiseres, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 5 mei 2008, "derde (synthese)beroepsbesluiten" genaamd);

en

- "niet het minste bewijs wordt geleverd van nieuwe cliënten" en "het cliënteel datgene was dat de zaakvoerder, zijnde de heer I.L. , had opgebouwd via zijn vennootschap GPS, waarvan het volledige handelsfonds werd verkocht aan (de eiseres)" (blz. 6, tweede en vierde alinea, van de syntheseconclusie van de eiseres, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 5 mei 2008, "derde (synthese)beroepsbesluiten" genaamd; zie ook blz. 11, laatste alinea en blz. 12, voorlaatste alinea, van die conclusie).

1.1. Eerste onderdeel

Het hof van beroep stelt in het bestreden arrest vast dat de overeenkomst een niet-concurrentiebeding bevat (vermeld in artikel 7) (pagina 12, punt D, eerste alinea, eerste zin, van het bestreden arrest). Het overweegt dat de principaal wordt geacht, behoudens tegenbewijs, nog aanzienlijke voordelen te krijgen (pagina 12, punt D., eerste alinea, tweede zin, van het bestreden arrest).

Vervolgens stelt het hof van beroep in het bestreden arrest vast dat de samenwerking van relatieve korte duur was, dat "bovendien het cliëntèle uit de overname van G.P.S. door A.V.S. kwam", en dat "G.P.S. - later in faillissement - een vennootschap was gerund door dezelfde zaakvoerder als (de verweerster)" (pagina 12, punt D., tweede alinea, van het bestreden arrest).

1.1.1. Eerste subonderdeel

Met zijn hierboven weergegeven vaststellingen en overweging onderzoekt het hof van beroep niet noch stelt het vast dat de verweerster (handelsagent) de eiseres (principaal) nieuwe klanten heeft aangebracht of de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid wat de eiseres (principaal) nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.

Het hof van beroep stelt aldus in het bestreden arrest niet vast dat voldaan is aan de voor de toekenning van een uitwinningsvergoeding in artikel 20, eerste lid, van de Handelsagentuurwet gestelde voorwaarden dat de handelsagent de principaal nieuwe klanten moet hebben aangebracht of de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk moet hebben uitgebreid, en dat dit de principaal nog aanzienlijke voordelen moet kunnen opleveren, terwijl de eiseres, zoals uiteengezet in de aanhef van het middel, in conclusie voor het hof van beroep aanvoerde dat niet was voldaan aan die voorwaarden.

Conclusie

Door aan de verweerster een uitwinningsvergoeding toe te kennen zonder vast te stellen dat zij de eiseres nieuwe klanten heeft aangebracht of de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid wat de eiseres nog aanzienlijke voordelen kan opleveren, schendt het hof van beroep artikel 20, eerste lid, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst. Het hof van beroep veroordeelt de eiseres dan ook niet wettig tot betaling aan de verweerster van een bedrag van 28.749,99 euro als uitwinningsvergoeding, vermeerderd met de verwijlinterest berekend aan de wettelijke interestvoet van 7 pct. per jaar vanaf 20 april 2006 en de gerechtelijke interest berekend aan dezelfde interestvoet vanaf 8 mei 2006 tot de dag van betaling (schending van artikel 20, inzonderheid eerste, derde en vierde lid, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst).

1.1.2. Tweede subonderdeel

Minstens laten de in de aanhef van het eerste onderdeel weergegeven vaststellingen en overweging van het hof van beroep het Hof niet toe na te gaan of voldaan is aan de in artikel 20, eerste lid, van de Handelsagentuurwet voor de toekenning van een uitwinningsvergoeding gestelde voorwaarden dat de handelsagent de principaal nieuwe klanten moet hebben aangebracht of de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk moet hebben uitgebreid, en dat dit de principaal nog aanzienlijke voordelen moet kunnen opleveren.

Conclusie

Het hof van beroep maakt het door het Hof uit te oefenen wettigheidstoezicht op de naleving van artikel 20, eerste lid, van de Handelsagentuurwet, onmogelijk (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).

1.2. Tweede onderdeel

Dit onderdeel gaat ervan uit dat het hof van beroep in het bestreden arrest wel aangeeft dat de verweerster (handelsagent) de eiseres (principaal) nieuwe klanten heeft aangebracht of de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid wat de eiseres (principaal) nog aanzienlijke voordelen kan opleveren, en dat de in de aanhef van het eerste onderdeel weergegeven vaststellingen en overweging van het hof van beroep het Hof wel toelaten na te gaan of voldaan is aan de in artikel 20, eerste lid, van de Handelsagentuurwet voor de toekenning van een uitwinningsvergoeding gestelde voorwaarden.

1.2.1. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de Handelsagentuurwet komt aan de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst een uitwinningsvergoeding toe wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dat de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.

De aanbreng van nieuwe klanten of de aanzienlijke uitbreiding van de zaken met de bestaande klanten die de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren, moet het gevolg zijn van de uitoefening van de activiteiten als handelsagent, minstens van de uitvoering van de handelsagentuurovereenkomst. Nieuwe klanten of een uitbreiding van de zaken die het gevolg zijn van een overdracht van een handelszaak of bestanddelen daarvan aan de principaal door of door toedoen van de handelsagent komen dus niet in aanmerking om uit te maken of de handelsagent recht heeft op een uitwinningsvergoeding, zeker niet als die overdracht werd overeengekomen op een tijdstip dat de handelsagentuurovereenkomst voorafgaat.

1.2.2. Het hof van beroep stelt in het bestreden arrest vast dat de samenwerking van relatieve korte duur was, dat "bovendien het cliëntèle uit de overname van G.P.S. door A.V.S. (zijnde de vroegere benaming van de eiseres) kwam" en dat "G.P.S. - later in faillissement - een vennootschap was gerund door dezelfde zaakvoerder als (de verweerster)" (pagina 12, punt D., tweede alinea, van het bestreden arrest).

Het hof van beroep geeft met die vaststellingen aan dat de eiseres (principaal) het cliëntèle kreeg als gevolg van de overname van "G.P.S.", vennootschap die werd "gerund" door dezelfde zaakvoerder als de verweerster (handelsagent), door "A.V.S.", d.i. de vroegere benaming van de eiseres (principaal).

Uit de vaststellingen van het hof van beroep blijkt dat de overname van "G.I.S." door "A.V.S." werd overeengekomen op 11 juli 2005, d.i. voor het sluiten van de handelsagentuurovereenkosmt, op 12 juli 2005 (pagina 6, nr. 1, eerste alinea en nr. 2, eerste alinea, van het bestreden arrest).

De aanbreng van cliëntèle aan de eiseres vloeit volgens de vaststellingen van het hof van beroep dus voort uit een overname door de eiseres die werd overeengekomen voor het sluiten van de handelsagentuurovereenkomst, en dus niet uit de uitoefening van de activiteiten door de verweerster als handelsagent of de uitvoering van de handelsagentuurovereenkomst.

Conclusie

Het hof van beroep leidt uit zijn vaststellingen dat "het cliëntèle uit de overname van G.P.S. door A.V.S. (zijnde de vroegere benaming van de eiseres, d.i. de principaal) kwam" en dat "G.P.S. - later in faillissement - een vennootschap was gerund door dezelfde zaakvoerder als (de verweerster, d.i. de handelsagent)" niet wettig af dat de verweerster (handelsagent) aan de eiseres (principaal) nieuwe klanten heeft aangebracht of de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid wat de eiseres (principaal) nog aanzienlijke voordelen kan opleveren (schending van artikel 20, eerste lid, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst). Het hof van beroep veroordeelt de eiseres aldus niet wettig tot betaling aan de verweerster van een bedrag van 28.749,99 euro als uitwinningsvergoeding, vermeerderd met de verwijlinterest en de gerechtelijke interest (schending van artikel 20, inzonderheid eerste, derde en vierde lid, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1018, 6°, en 1022, en, voor zoveel als nodig, 3 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 5, 7, 13, en 14 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat;

- de artikelen 1, eerste en tweede lid, 2 en 10 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat;

- de artikelen 2, 1137, 1142, 1146, 1147, 1148, 1149, 1150 en 1151 van het Burgerlijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, zoals neergelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep, recht sprekend over de vordering van de verweerster tot het verkrijgen van een rechtsplegingsvergoeding voor de in eerste aanleg gevoerde procedure, het hoger beroep van de verweerster gegrond. Het hof van beroep kent aan de verweerster een bedrag van 6.000,00 euro als rechtsplegingsvergoeding toe voor de in eerste aanleg gevoerde procedure. Die beslissing is gesteund op de volgende motieven:

"F. Met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding op grond van de Wet Verhaalbaarheid Ereloon (WVE)

F.1

(De verweerster) vorderde een bedrag van 4.500,00 euro provisioneel voor advocaatkosten. Deze deelvordering werd afgewezen.

Zij verzoekt om een rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg op basis van de Wet Verhaalbaarheid Ereloon (WVE), hetgeen kan.

Terzake gaat het om een vordering tussen de 500.000,01 euro en 1.000.000,00 euro met een basisbedrag van 10.000,00 euro.

(De verweerster) vordert thans voor de eerste aanleg een rechtsplegingsvergoeding tot beloop van 6.000,00 euro, zijnde een vermindering ten aanzien van het basisbedrag.

Dit bedrag kan haar worden toegewezen. Zij is de partij die in het gelijk wordt gesteld". (pagina 13, punt F.1, van het bestreden arrest)

Grieven

1. Op grond van de artikelen 1137, 1142, 1146, 1147, 1148, 1149, 1150 en 1151 van het Burgerlijk Wetboek is een partij bij een overeenkomst aansprakelijk voor de niet-nakoming van een op haar rustende verbintenis wanneer die partij een fout begaat waardoor schade ontstaat die in oorzakelijk verband staat met die fout.

Voor de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, d.i. voor 1 januari 2008, konden het honorarium en de kosten van een advocaat die de benadeelde van een contractuele fout heeft betaald, een vergoedbaar element van zijn schade vormen, in zoverre zij met toepassing van artikel 1151 van het Burgerlijk Wetboek een noodzakelijk gevolg zijn van het niet uitvoeren van de overeenkomst.

Uit de vaststellingen van het hof van beroep en de stukken van de procedure, waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerster voor de rechtbank van koophandel een vergoeding vorderde als tegemoetkoming in het ereloon en de kosten van haar advocaat (zie pagina 13, punt F.1, eerste alinea, eerste zin, van het bestreden arrest);

2.1. Op grond van artikel 1018, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 5 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, hieronder afgekort als de wet van 21 april 2007, maakt de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 1022 van dat wetboek, deel uit van de gerechtskosten.

Artikel 1022, eerste lid, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Overeenkomstig artikel 1022, tweede lid, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007, van het Gerechtelijk Wetboek stelt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding vast, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

Artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, hieronder afgekort als het koninklijk besluit van 26 oktober 2007, stelt de (basis-, minimum- en maximumbedragen van de) rechtsplegingsvergoeding vast voor geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen.

Artikel 14 van de wet van 21 april 2007 bepaalt dat de Koning de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van die wet bepaalt, zij het dat de inwerkingtreding uiterlijk op 1 januari 2008 dient te gebeuren.

Krachtens artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 treden de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 en dat koninklijk besluit zelf in werking op 1 januari 2008. De artikelen 5 en 7 van de wet van 21 april 2007 en artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 traden aldus in werking op 1 januari 2008.

Artikel 13 van de wet van 21 april 2007 bepaalt dat de artikelen 2 tot 12 van die wet van toepassing zijn op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden. Artikel 13 van de wet van 21 april 2007 maakt een bijzondere toepassing uit van artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, dat onder meer bepaalt dat de wetten betreffende de rechtspleging van toepassing zijn op de hangende rechtsgedingen, dit zijn de rechtsgedingen waarover nog uitspraak moet worden gedaan op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling.

Artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bepaalt dat de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding worden vastgesteld per aanleg.

Artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de wet alleen voor het toekomende beschikt en geen terugwerkende kracht heeft. Het beginsel dat een wet geen terugwerkende kracht heeft, maakt een algemeen rechtsbeginsel uit.

2.2. Wanneer een partij voor de eerste rechter een vergoeding vorderde als tegemoetkoming in het ereloon en de kosten van haar raadsman, voorhoudende dat die met toepassing van artikel 1151 van het Burgerlijk Wetboek een noodzakelijk gevolg zijn van het niet-uitvoeren van de overeenkomst, die vordering door de eerste rechter voor de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 (dus voor 1 januari 2008) werd afgewezen, en tegen die beslissing van de eerste rechter hoger beroep werd ingesteld, kan de appelrechter die uitspraak doet na de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 (dus na 1 januari 2008), voor de in eerste aanleg gevoerde procedure geen rechtsplegingsvergoeding toekennen op grond van de wet van 21 april 2007.

Wanneer de eerste rechter voor de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007, d.i. voor 1 januari 2008, uitspraak heeft gedaan over de vordering van een partij tot het verkrijgen van een vergoeding als tegemoetkoming in het ereloon en de kosten van haar raadsman, is immers geen sprake meer van een zaak die hangende is op het moment dat de wet van 21 april 2007 in werking treedt in de zin van artikel 13 van die wet, en kan dan ook voor de in eerste aanleg gevoerde procedure geen toepassing worden gemaakt van die wet.

Wanneer de appelrechter bij wie hoger beroep werd ingesteld tegen een uitspraak waarin de eerste rechter voor 1 januari 2008 uitspraak deed over de vordering van een partij tot het verkrijgen van een vergoeding als tegemoetkoming in het ereloon en de kosten van haar raadsman, voor de in eerste aanleg gevoerde procedure een rechtsplegingsvergoeding toekent op grond van de wet van 21 april 2007, schendt hij niet enkel artikel 13 van die wet, maar ook artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht. Hij kent dan immers niet wettig terugwerkende kracht toe aan de wet van 21 april 2007.

3. Uit de vaststellingen van het hof van beroep en de stukken van de rechtspleging, waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat:

- de vordering van de verweerster tot het verkrijgen van een vergoeding als tegemoetkoming in het ereloon en de kosten van haar advocaat, door de rechtbank van koophandel op 28 juni 2007 (d.i. voor 1 januari 2008) als ongegrond werd afgewezen (zie pagina 13, punt F.1, eerste alinea, tweede zin, van het bestreden arrest; 12e blad, punt 5, van het vonnis van de rechtbank van koophandel van 28 juni 2007);

- tegen die beslissing van de rechtbank van koophandel door de verweerster hoger beroep werd ingesteld voor het hof van beroep te Antwerpen (zie blz. 8/13, punt V t.e.m. blz. 9/13, vijfde alinea, van het verzoekschrift tot hoger beroep van de verweerster, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 7 september 2007, "akte van hoger beroep" genaamd);

- de verweerster in conclusie voor het hof van beroep voor de in eerste aanleg gevoerde procedure een rechtsplegingsvergoeding vorderde op grond van de wet van 21 april 2007 (zie pagina 13, punt F.1, tweede alinea, van het bestreden arrest).

Het hof van beroep overweegt in het bestreden arrest dat "(de verweerster) verzoekt om een rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg op basis van de Wet Verhaalbaarheid Ereloon (WVE), hetgeen kan" (pagina 13, punt F.1, tweede alinea, van het bestreden arrest; onderstreping toegevoegd) en kent aan de verweerster een rechtsplegingsvergoeding van 6.000,00 euro toe op grond van de wet van 21 april 2007 (pagina 13, punt F.1, vierde en vijfde alinea, van het bestreden arrest).

Aangezien de rechtbank van koophandel in eerste aanleg op 28 juni 2007, d.i. voor de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 (1 januari 2008), uitspraak deed over de vordering van de verweerster tot het verkrijgen van een vergoeding als tegemoetkoming in het ereloon en de kosten van haar raadsman en aldus geen sprake meer is van een zaak die hangende is op het moment dat de wet van 21 april 2007 in werking is getreden (1 januari 2008) in de zin van artikel 13 van die wet, kon het hof van beroep bij wie hoger beroep werd ingesteld tegen die uitspraak, voor de in eerste aanleg gevoerde procedure geen rechtsplegingsvergoeding toekennen op grond van de wet van 21 april 2007.

Door voor de in eerste aanleg gevoerde procedure een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen op grond van de wet van 21 april 2007, schendt het hof van beroep de artikelen 1018, 6° en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, 5, 7, 13 en 14 van de wet van 21 april 2007, en 1, eerste en tweede lid, 2 en 10 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007. Bovendien schendt het hof van beroep daardoor artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, aangezien het aldus aan de wet van 21 april 2007 niet wettig terugwerkende kracht verleent.

Conclusie

Het hof van beroep kent voor de in eerste aanleg gevoerde procedure niet wettig een rechtsplegingsvergoeding van 6.000,00 euro toe (schending van de artikelen 1018, 6°, 1022, en 3 van het Gerechtelijk Wetboek, 5, 7, 13 en 14 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, 1, eerste en tweede lid, 2 en 10 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht) en maakt niet wettig geen toepassing van de artikelen 1137, 1142, 1146, 1147, 1148, 1149, 1150 en 1151 van het Burgerlijk Wetboek (schending van de artikelen 1137, 1142, 1146, 1147, 1148, 1149, 1150 en 1151 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Eerste subonderdeel

1. Krachtens artikel 20, eerste lid, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, heeft de handelsagent recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.

Het tweede lid van voornoemd artikel 20 bepaalt dat indien de overeenkomst voorziet in een concurrentiebeding, de principaal geacht wordt, behoudens tegenbewijs, nog aanzienlijke voordelen te verkrijgen.

Krachtens artikel 24, §3, van dezelfde wet, schept het concurrentiebeding ten gunste van de agent een vermoeden dat hij klanten heeft aangebracht; de principaal kan het tegenbewijs leveren.

2. Uit deze bepalingen volgt dat, indien de handelsagentuurovereenkomst een concurrentiebeding bevat, er ten gunste van de handelsagent een dubbel vermoeden bestaat, enerzijds dat de handelsagent klanten heeft aangebracht, en anderzijds dat de agentuur de principaal nog aanzienlijke voordelen zal opleveren.

In dit geval heeft de handelsagent dienvolgens recht op een uitwinningsvergoeding krachtens artikel 20, eerste lid, tenzij de principaal dit dubbele vermoeden weerlegt.

3. De appelrechters stellen vast dat de overeenkomst tussen partijen een concurrentiebeding bevat en oordelen dat de principaal, de eiseres, geacht wordt, behoudens tegenbewijs, nog aanzienlijke voordelen te krijgen.

Zij leggen aldus het tegenbewijs bij de eiseres.

4. Het subonderdeel dat volledig ervan uitgaat dat de verweerster als handelsagent in die omstandigheden geen recht heeft op een uitwinningsvergoeding omdat zij niet het bewijs levert van nieuw aangebracht cliënteel of van een aanzienlijke uitbreiding van de bestaande zaak, noch van het genot van aanzienlijke voordelen voor de principaal, in de zin van artikel 20, kan niet worden aangenomen.

Tweede subonderdeel

5. Anders dan het subonderdeel aanvoert, laten de in het eerste subonderdeel weergegeven redenen toe de wettigheid van de bedoelde beslissing te toetsen.

Het subonderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel gaat volledig ervan uit dat de bewijslast op de handelsagent, de verweerster, berust en deze bewijslast van de verweerster door de appelrechters is beoordeeld.

Zoals uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt, kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede middel

7. Artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, bepaalt dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Krachtens artikel 14 van de wet van 21 april 2007, bepaalt de Koning de datum van de inwerkingtreding van de bepalingen van die wet en gebeurt de inwerkingtreding uiterlijk op 1 januari 2008.

Krachtens artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007, treden de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 en dat koninklijk besluit zelf in werking op 1 januari 2008.

Artikel 13 van de wet van 21 april 2007 bepaalt dat de artikelen 2 tot 12 van die wet van toepassing zijn op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden.

8. Krachtens deze bepalingen is de wet van 21 april 2007, vanaf haar inwerkingtreding, onmiddellijk van toepassing op de hangende zaken.

Onder hangende zaken worden de zaken bedoeld waarover nog uitspraak moet worden gedaan bij de inwerkingtreding van de nieuwe wet.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever wilde bereiken dat de partijen zo snel mogelijk op een gelijke manier zouden worden behandeld op het vlak van de verhaalbaarheid van de kosten en de erelonen van advocaten, ongeacht de datum waarop de zaak werd ingeleid.

9. Hieruit volgt dat de nieuwe wet niet alleen van toepassing is op de vorderingen die overeenkomstig de nieuwe wet onder de vorm van een rechtsplegingsvergoeding worden geformuleerd, maar tevens op de vorderingen strekkende tot vergoeding van de kosten en erelonen als vergoedbaar element van schade.

Hieruit volgt tevens dat wanneer de eerste rechter vóór 1 januari 2008 uitspraak heeft gedaan over dergelijke schadevordering, maar deze beslissing het voorwerp uitmaakt van een tijdig en regelmatig hoger beroep de appelrechter toepassing dient te maken van de wet van 21 april 2007 in beide aanleggen, met dien verstande dat de eventueel toe te kennen rechtsplegingsvergoeding thans de aanvankelijk gevorderde schadevergoeding vervangt.

10. De appelrechters stellen vast:

- de verweerster vorderde voor de rechtbank van koophandel een vergoeding voor de erelonen en de kosten van haar advocaat;

- deze vordering werd door de rechtbank van koophandel op 28 juni 2007 als ongegrond afgewezen;

- de verweerster stelde op 7 september 2007 hoger beroep in tegen die beslissing en vorderde in haar appelconclusies voor de in eerste aanleg gevoerde procedure een rechtsplegingsvergoeding op grond van de wet van 21 april 2007.

Zij oordelen dat het op die grondslag gevorderde bedrag aan de verweerster kan worden toegekend, vermits zij de partij is die in het gelijk wordt gesteld en kennen op grond van de nieuwe wet de nieuwe rechtsplegingsvergoeding toe in eerste aanleg en in hoger beroep.

11. Door op grond van die vaststellingen te oordelen dat de wet van 21 april 2007 van toepassing is op de kosten van het geding voor de eerste rechter, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht, zonder schending van de in het middel aangewezen wettelijke bepalingen en zonder aan die wet terugwerkende kracht te verlenen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 556,08 euro jegens de eisende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Eric Dirix, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 25 maart 2010 uitgesproken door waarnemend voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.