Hof van Cassatie - Arrest van 29 maart 2010 (België)

Publicatie datum :
29-03-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
10 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100329-6
Rolnummer :
C.08.0600.N

Samenvatting

De in artikel 35, tweede lid van de R.S.Z.-wet, zoals van toepassing, bedoelde ambtshalve veroordeling is een burgerrechtelijke maatregel die enkel het herstel beoogt van de schade die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid door het misdrijf heeft geleden. Deze veroordeling heeft niet het karakter van een strafrechtelijke sanctie en verjaart niet zoals de straf (1). Zie de conclusie van het openbaar ministerie.

Arrest

Nr. C.08.0600.N

D.M.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 maart 2008 gewezen door het hof van beroep te Gent.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 12 maart 2010 verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 35, inzonderheid vierde lid, in de versie van toepassing vóór de wijziging van dat artikel door artikel 121 van de programmawet van 9 juli 2004, en 38 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

- de artikelen 172, inzonderheid tweede lid, in de versie van toepassing vóór de vervanging van dat artikel bij artikel 8 van de wet van 23 maart 1994 houdende bepaalde maatregelen op arbeidsrechtelijk vlak tegen het zwartwerk, en 176, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 114 van de wet van 13 februari 1989 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, van de programmawet van 22 december 1989;

- de artikelen 11bis, in de versie van toepassing vóór de opheffing ervan bij artikel 5 van de wet van 23 maart 1994 houdende bepaalde maatregelen op arbeidsrechtelijk vlak tegen het zwartwerk, en 14, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 106 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten;

- de artikelen 92, 94, 99 en 100 van het Strafwetboek;

- artikel 2262bis, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep, recht sprekend over het verzet van de eiser tegen het bevel tot betalen van de verweerder, het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en gegrond in de mate die in het bestreden arrest wordt bepaald, op grond van alle motieven waarop de beslissing steunt, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en in het bijzonder op de volgende overwegingen:

"Anders dan de eerste rechter is het hof (van beroep) van oordeel dat de met het ten uitvoer gelegde arrest - ambtshalve en bij toepassing van het voormalig artikel 35, tweede en vierde lid, van de RSZ-wet - uitgesproken veroordeling tot het betalen van zowel de bijdrage, bijdrageopslagen en de verwijlinteresten, als van de vergoeding tot betaling van drie maal het bedrag van 1.264,26 euro, geen straf, maar een maatregel van burgerlijke aard is.

De bepalingen van het voormalig artikel 35, tweede en vierde lid, van de RSZ-wet en de actuele bepalingen van dit artikel, die de strafrechter ertoe verplichten de beklaagde - naast de veroordeling tot een straf - ambtshalve te veroordelen tot betaling van de niet gestorte bijdragen, bijslagen en interesten en tot het betalen van de in het vierde lid bedoelde vergoeding, leggen een - van het gemeen recht afwijkende bijzondere herstel-wijze op in het belang van de financiering van de sociale zekerheid, zodat de op grond van deze bepalingen uitgesproken veroordelingen, waarbij een forfaitaire vergoeding wordt toegekend, een burgerlijk karakter hebben en het gezag van het strafrechtelijk gewijsde niet kleeft aan deze veroordeling (zie en vergelijk: Cass., 6 november 2002, Arr. Cass., 2002, 2396; Cass., 8 mei 2000, JTT, 2000, 339; Cass. 21 februari 2000, RW, 2000-01, 165; Cass., 8 september 1999, RW, 2000-01, 726; Cass., 10 mei 1995, Arr. Cass., 1995, 462; Cass., 22 maart 1994, Arr. Cass., 1994, 294).

Ten overvloede zij daarbij nog vastgesteld dat de civiele aard van de veroordeling nog wordt aangetoond of kan worden aangetoond door de vaststelling dat de aangetoonde inbreuken zeer vaak slechts een fractie zijn van de reële ontduikingen van de bijdragen en dat de wetgever met de voornoemde vergoedingen - in het algemeen belang en op een bijzondere en forfaitaire wijze - de door het sociale zekerheidssysteem geleden verliezen beoogt te vergoeden (C., Persyn, ‘Toepassingsgebied en bijdrageregeling werknemers en zelfstandigen - rechtspraak', in D. Simoens en J. Put (eds.), Ontwikkelingen van de sociale zekerheid 1996-2001, Brugge, Die Keure, 2001, pag. 306).

Het hof (van beroep) stelt tevens vast dat het, bij toepassing van artikel 26 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof, het aan het hof (van beroep) - en niet aan het Grondwettelijk Hof - toekomt om de civiele of strafrechtelijke aard van de veroordeling te bepalen (zie conclusie van advocaat-generaal J.F. Leclercq voor Cass., 8 mei 2000, JTT, 2000, 340). Het stellen van een prejudiciële vraag is aldus in geen geval aan de orde. Bovendien - en volstrekt ten overvloede - zij nog vastgesteld dat het Grondwettelijk Hof de, in de prejudiciële vragen gestelde, interpretaties van de bepalingen van artikel 35 van de Grondwet onderzoekt in het kader van hun toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wat ten deze niet aan de orde is.

Waar er geen sprake is van enige strafrechtelijke veroordeling en waar de ‘actio judicati' met betrekking tot het ten uitvoer gelegde arrest, bij toepassing van artikel 2262, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 10 van de wet van 10 juni 1998, op het ogenblik van de betekening van het exploot niet was verjaard (wat trouwens niet wordt bestreden), kan (de eiser) derhalve niet worden bijgetreden in zijn middelen die strekken tot het horen zeggen voor recht dat de ten uitvoer gelegde titel niet meer actueel is ingevolge verjaring. (vijfde, zesde en zevende blad, van het arrest).

Grieven

Uit de stukken van de procedure waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat

- de eiser door het openbaar ministerie strafrechtelijke vervolgd werd voor inbreuken die zich hebben voorgedaan in het derde en vierde kwartaal van 1992 betreffende zijn werknemer M.B. (p. 2, nr. 1.1 van het bestreden arrest);

- bij vonnis van de 20ste correctionele kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 20 juni 1994 tegen de eiser een ambtshalve veroordeling werd uitgesproken tot betaling aan de verweerder van viermaal een bedrag van 1.264,26 euro (51.000 Belgische frank), hetzij 5.057,04 euro (204.000 Belgische frank), op grond van artikel 35 van de wet van 27 juni 1969, tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - d.i. eenmaal op grond van het tweede lid, driemaal op grond van het vierde lid - hieronder afgekort als de RSZ-Wet, (f° 2820, eerste alinea, van het vonnis van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 31 oktober 2006; p. 2, nr. 1.2, van het bestreden arrest);

- die veroordeling werd bevestigd bij arrest van de derde correctionele kamer van het hof van beroep te Gent van 21 december 1995 (f° 2819, laatste alinea, en f° 2820, eerste alinea, van het vonnis van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 31 oktober 2006; p. 2, nr. 1.3, van het bestreden arrest);

- het hof van beroep te Gent bij het voornoemde arrest van 21 december 1995 de eiser tevens ambtshalve veroordeelde om aan de verweerder te betalen:

- 1.635,73 euro (65.985 Belgische frank) wegens de in het arrest beschreven tenlastelegging A, met name op grond van artikel 172 van de programmawet van 22 december 1989,

- en 1.635,73 euro (65.985 Belgische frank) wegens de in het arrest beschreven tenlastelegging B, met name op grond van de (inmiddels opgeheven) artikelen 11bis en 15ter van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, hieronder afgekort als Sociale Documentenwet,

(f° 2820, tweede alinea, en f° 2822, 6de en 7de alinea, van het vonnis van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 31 oktober 2006; p. 2, nr. 1.3 van het bestreden arrest).

1.1.1. De versie van artikel 35 van de RSZ-Wet die hierboven nader wordt aangeduid bij de opgave van de als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen en die voor de strafrechter van toepassing was bij zijn voormelde beslissingen, luidt:

"Onverminderd de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 26 tot 500 frank, of met een van die straffen alleen:

1° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die zich niet schikken naar de bepalingen voorgeschreven door de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan; de geldboete wordt zoveel maal toegepast als er werknemers zijn ten overstaan van dewelke een inbreuk is gepleegd, zonder dat het totaal bedrag van de geldboete evenwel hoger mag zijn dan 100.000 frank;

2° de personen bedoeld bij artikel 30bis, §3, en hun medecontractanten die door de Koning bepaalde inlichtingen niet verstrekken of de opgelegde toezendingsvoorwaarden en -modaliteiten niet naleven;

3° de personen bedoeld bij artikel 30bis, §3, die nalaten de verschuldigde sommen binnen de voorgeschreven termijn te storten;

4° al wie het krachtens deze wet georganiseerd toezicht verhindert.

De rechter die de straf uitspreekt ten laste van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, veroordeelt ambtshalve de werkgever tot betaling aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlinteresten die niet aan de Rijksdienst werden gestort.

Bij bedrieglijke onderwerping van een of meer personen aan de toepassing van deze wet, veroordeelt de rechter ambtshalve de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers tot betaling aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van een vergoeding gelijk aan het driedubbele van de bedrieglijk aangegeven bijdragen.

Bij niet-onderwerping van één of meer personen aan de toepassing van deze wet, veroordeelt de rechter ambtshalve de werkgever, en in voorkomend geval, de hoofdaannemer bedoeld bij artikel 30ter, wat betreft de personen tewerkgesteld door de onderaannemer op de werf van de hoofdaannemer, tot betaling aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen, zonder dat dit bedrag minder dan 51.000 fr, per tewerkgestelde persoon en dit per maand of fraktie ervan, mag bedragen. Dit bedrag wordt aangepast in functie van de evolutie van de lonen en van het bedrag van de sociale zekerheidsbijdragen."

1.1.2. De versie van artikel 172 van de programmawet van 22 december 1989 die hierboven nader wordt aangeduid bij de opgave van de als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen en die voor de strafrechter van toepassing was bij zijn voormelde beslissingen, luidt:

"Onverminderd het bepaalde in de artikelen 269 en 271 tot 274 van het Strafwetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf van 8 dagen tot één maand en met geldboete van 26 tot 500 frank of met één van deze straffen alleen:

(...)

4° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die:

a) de maatregelen tot bekendmaking bedoeld bij de artikelen 157 en 159, niet naleven;

b) het bij artikel 160 bedoelde document niet bijhouden met alle volledige en juiste vermeldingen, wanneer ze deeltijdse werknemers tewerkstellen buiten het werkrooster dat bekendgemaakt werd op de wijze bedoeld bij de artikelen 157 en 159;

c) deeltijdse werknemers doen of laten presteren buiten hun werkrooster dat bekendgemaakt werd op de bij de artikelen 157 tot 159 bedoelde wijze, zonder hiervan melding te maken in het bij artikel 160 bedoelde document;

d) wanneer zij de toepassing van de artikelen 162 tot 165 inroepen, geen aan die bepalingen beantwoordend middel tot controle van de arbeidsprestaties van de deeltijdse werknemers gebruiken;

e) de nadere regelen tot controle van de bijkomende uren vastgesteld krachtens artikel 163 niet naleven;

f) de documenten bedoeld in de artikelen 160 en 162 tot 165 niet bewaren gedurende de periode bepaald in artikel 167 en op één van de plaatsen bedoeld in artikel 168;

(...).

Bij veroordeling wegens een overtreding als bedoeld in het eerste lid, 4°, veroordeelt de rechter de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, ambtshalve tot betaling aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van een vergoeding gelijk aan het driedubbele van de bijdragen bedoeld bij artikel 38, §§ 2 en 3, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, berekend op basis van het gemiddeld minimum maandinkomen vastgesteld bij een in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst.

De vergoeding bedoeld in het tweede lid wordt vermenigvuldigd met het aantal werknemers waarvoor een inbreuk is vastgesteld."

1.1.3. De versie van artikel 11bis van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten die hierboven nader worden aangeduid bij de opgave van de als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen en die voor de strafrechter van toepassing was bij zijn voormelde beslissingen, luidt:

"De rechter die voor de feiten bedoeld in artikel 11, 1°, a, b, c, d, e, f en h, de straf uitspreekt ten laste van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, alsmede de personen bepaald door de Koning in uitvoering van artikel 4, §2, veroordeelt hen, wanneer deze feiten het ontwijken van de juiste aangifte van de prestaties toegelaten hebben, tot betaling aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de bijdragen bedoeld in artikel 38, §§ 2 en 3, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Deze bijdragen worden berekend op basis van het maandelijks bedrag van het gemiddeld minimum maandinkomen vastgesteld bij een in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, ongeacht de duur van de tewerkstelling waarop de feiten betrekking hebben."

1.2. De ambtshalve veroordelingen waarvan sprake in het vierde lid van artikel 35 van de RSZ-Wet, het tweede lid van artikel 172 van de programmawet van 22 december 1989 en artikel 11bis van de Sociale Documentenwet behoren tot de strafvordering en ontlenen aan de strafsanctie, die ze blijkens de context waarin ze voorkomen, vervolledigen, een repressieve en ontradende draagwijdte.

De vordering die strekt tot de uitvoering van die ambtshalve veroordelingen, verjaart logischerwijze zoals de straf.

2.1. Artikel 38 van de RSZ-Wet bepaalt dat alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, uitgezonderd hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, toepasselijk zijn op de misdrijven in die wet omschreven.

Luidens artikel 176 van de programmawet van 22 december 1989, in de versie hierboven aangewezen bij de opgave van de geschonden wettelijke bepalingen, zijn alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, uitgezonderd hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, van toepassing op de misdrijven bepaald in het hoofdstuk waarvan artikel 172 deel uitmaakt.

Op grond van artikel 14 van de Sociale Documentenwet, in de versie hierboven aangewezen bij de opgave van de geschonden wettelijke bepalingen, zijn alle bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V maar met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, van toepassing op de bij die wet bepaalde misdrijven.

2.2. Artikel 92 van het Strafwetboek bepaalt dat correctionele straffen verjaren door verloop van vijf jaren, te rekenen van de dagtekening van het arrest of van het in laatste aanleg gewezen vonnis, of te rekenen van de dag waarop het in eerste aanleg gewezen vonnis niet meer kan worden bestreden bij wege van hoger beroep. Indien de uitgesproken straf drie jaar te boven gaat, is de verjaringstermijn tien jaren.

Krachtens artikel 94 van het Strafwetboek verjaren de straffen van geldboete en van bijzondere verbeurdverklaring door verloop van de in de vorige artikelen vastgestelde termijnen, naargelang zij zijn uitgesproken wegens misdaden, wanbedrijven of overtredingen.

Luidens artikel 100 van het Strafwetboek worden, bij gebreke van andersluidende bepalingen in bijzondere wetten en verordeningen, de bepalingen van het eerste boek van dat wetboek, waarin de artikelen 92 en 94 voorkomen, toegepast op de misdrijven die bij die wetten en verordeningen strafbaar zijn gesteld, met uitzondering van hoofdstuk VII en van artikel 85.

3.1. Uit de stukken van de procedure waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser bij arrest van de 3de correctionele kamer van het hof van beroep te Gent van 21 december 1995 voor de inbreuken waarvoor ook ambtshalve veroordelingen werden uitgesproken, werd veroordeeld tot drie geldboetes van vijftig Belgische frank of een vervangende gevangenisstraf van acht dagen (f° 2820, tweede alinea, van het vonnis van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 31 oktober 2006), d.i. tot correctionele straffen van minder dan drie jaar.

Aangezien de vordering die strekt tot uitvoering van de drie ambtshalve veroordelingen vermeld bij de aanvang van de "grieven", die omwille van hun repressieve en ontradende draagwijdte behoren tot de strafvordering, die ze vervolledigen, logischerwijze verjaart zoals de straf, verjaren die vorderingen door verloop van vijf jaren te rekenen van 21 december 1995.

3.2. Uit het bestreden arrest blijkt dat de verweerder het arrest van 21 december 1995 van de 3de correctionele kamer van het hof van beroep te Gent pas aan de eiser betekende met een exploot van 10 april 2006 en in hetzelfde exploot het bevel gaf tot de betaling (p.3, nr. 2, van het bestreden arrest).

Met toepassing van de artikelen 92 en 94 van het Strafwetboek had het hof van beroep te Gent bijgevolg dienen te beslissen dat de vordering van de verweerder die strekt tot de uitvoering van het arrest van 21 december 1995 door de verweerder wat de ambtshalve veroordelingen betreft, op het ogenblik van de betekening van het exploot van 10 april 2006, d.i. meer dan vijf jaren na het arrest, was verjaard. Door dat niet te doen, schendt het arrest die bepalingen, alsook de voornoemde artikelen 38 van de RSZ-Wet, 176 van de programmawet van 22 december 1989, 14 van de Sociale Documentenwet en 100 van het Strafwetboek die ze toepasselijk maakt.

3.3. De overweging van het hof van beroep dat de ambtshalve en met toepassing van het vierde lid van artikel 35 van de RSZ-Wet uitgesproken veroordeling tot het betalen van de vergoeding tot betaling van driemaal het bedrag van 1.264,26 euro, geen straf is, maar een maatregel van burgerlijke aard, verantwoordt die beslissing niet naar recht (schending van artikel 35 van de RSZ-Wet, in de versie aangeduid bij de aanhef van het middel).

Zelfs al kunnen die veroordeling, evenals de ambtshalve veroordeling op grond van artikel 172, tweede lid, van de programmawet van 22 december 1989 en die op grond van artikel 11bis van de Sociale Documentenwet, niet worden beschouwd als straffen in de zin van de artikelen 7 tot en met artikel 43quater van het Strafwetboek, dan nog hebben die ambtshalve veroordelingen een overwegend repressief karakter en verjaren zij zoals de straf. Door dat niet te aanvaarden, schendt het hof van beroep de voornoemde artikelen 35, vierde lid, 172, tweede lid en 11bis, telkens in de versie aangeduid bij de aanhef van het middel.

3.4. Ook de overwegingen van het hof van beroep dat de bepalingen van het voormalig artikel 35, tweede en vierde lid, van de RSZ-Wet en de actuele bepalingen van dat artikel een van het gemeen recht afwijkende bijzondere herstelwijze opleggen in het algemeen belang van de financiering van de sociale zekerheid, dat de aangetoonde inbreuken zeer vaak slechts een fractie zijn van de reële ontduikingen van de bijdragen en dat de wetgever met de voornoemde vergoedingen in het algemeen belang en op een bijzondere en forfaitaire wijze de door het socialezekerheidssysteem geleden verliezen beoogt te vergoeden, verantwoorden de toepassing van artikel 2262(bis), §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek niet naar recht. In de mate dat het hof van beroep zijn voornoemde overwegingen ook toepasselijk acht op de ambtshalve veroordelingen bedoeld in de artikelen 172, tweede lid, van de programmawet van 22 december 1989, en 11bis van de Sociale Documentenwet, wettigen zij evenmin zijn beslissing omtrent de verjaring van de uitvoering van die veroordelingen.

Een bedrag gelijk aan het drievoud van de werkelijk verschuldigde bijdragen waarvoor, ongeacht de hoogte van die bijdragen, een minimum geldt (artikel 35 van de RSZ-Wet) of van de bijdragen berekend op het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen ongeacht of een voltijds of deeltijds loon verschuldigd was (artikel 172, tweede lid, van de programmawet van 22 december 1989 en artikel 11bis van de Sociale Documenten-wet), waartoe de in de genoemde bepalingen aangewezen persoon op grond van die bepalingen wordt veroordeeld, staat immers niet, minstens niet noodzakelijk in een redelijke verhouding tot het nadeel dat de inningsinstelling van de sociale- zekerheidsbijdragen heeft ondervonden.

Het bestreden arrest beslist bijgevolg niet wettig dat de eiser niet kan worden bijgetreden in zijn middelen die ertoe strekken te horen zeggen voor recht dat de tenuitvoergelegde titel niet meer actueel is als gevolg van verjaring, op de overweging dat geen sprake is van enige strafrechtelijke veroordeling en dat de "actio judicati" met betrekking tot het ten uitvoer gelegde arrest, met toepassing van artikel 2262(bis), §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek op het ogenblik van de betekening van het exploot niet was verjaard (schending van artikel 2262(bis), §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 99 van het Strafwetboek, op grond waarvan burgerlijke veroordelingen uitgesproken door de strafrechter verjaren volgens de regels van het burgerlijk recht te rekenen vanaf de dag waarop zij onherroepelijk zijn geworden).

Het hof van beroep beslist niet wettig dat het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en gegrond is in de mate die in het bestreden arrest is bepaald en wijst de oorspronkelijke vordering van de eiser niet wettig af als ongegrond in de mate die in het bestreden arrest is bepaald (schending van alle in de aanhef van het middel aangewezen wettelijke bepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 35, tweede lid, van de RSZ-wet, zoals te dezen van toepassing, veroordeelt de rechter die de straf uitspreekt ten aanzien van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, ambtshalve de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers tot betaling aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlinteresten die niet aan de Rijksdienst werden gestort.

2. De in deze bepaling bedoelde ambtshalve veroordeling is een burgerrechtelijke maatregel die enkel het herstel beoogt van de schade die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid door het misdrijf heeft geleden. Deze veroordeling heeft niet het karakter van een strafrechtelijke sanctie en verjaart niet zoals de straf.

In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

3. Krachtens artikel 35, vierde lid, van de RSZ-wet, zoals te dezen van toepassing, veroordeelt de rechter, bij niet-onderwerping van één of meer personen aan de toepassing van deze wet, de werkgever ambtshalve tot betaling aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen, zonder dat dit bedrag minder dan 51.000 fr. per tewerkgestelde persoon en dit per maand of fractie ervan, mag bedragen.

Krachtens artikel 172, tweede lid, van de programmawet van 22 december 1989, zoals te dezen van toepassing, veroordeelt de rechter, bij veroordeling wegens een overtreding als bedoeld in het eerste lid, 4°, de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, ambtshalve tot betaling aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van een vergoeding gelijk aan het driedubbele van de bijdragen bedoeld in artikel 38, §§ 2 en 3, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, berekend op basis van het gemiddeld minimum maandinkomen vastgesteld bij een in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst.

Krachtens artikel 11bis van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, zoals te dezen van toepassing, veroordeelt de rechter die voor de feiten bedoeld bij artikel 11, 1°, a, b, c, e, f, en h, de straf uitspreekt ten laste van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, hen, wanneer deze feiten het ontwijken van de juiste aangifte van de prestaties toegelaten hebben, tot betaling aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de bijdragen bedoeld bij artikel 38, §§ 2 en 3, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Deze bijdragen worden berekend op basis van het maandelijks bedrag van het gemiddeld minimum maandinkomen vastgesteld bij een in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, ongeacht de duur van de tewerkstelling waarop de feiten betrekking hebben.

4. Uit het feit dat de voormelde veroordelingen als "vergoeding" worden gekwalificeerd en ze bestemd zijn voor de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen, blijkt dat de wetgever hiermee een bijzondere vorm van herstel of teruggave heeft willen instellen, teneinde, ten behoeve van de financiering van de sociale zekerheid, de door het misdrijf verstoorde wettelijke orde te herstellen.

De ambtshalve veroordelingen tot betaling van deze vergoeding zijn bijgevolg geen straf in de zin van de artikelen 7 tot 43quater van het Strafwetboek, ook al vallen zij onder de uitoefening van de strafvordering.

5. Niettemin ontlenen deze ambtshalve veroordelingen aan de strafrechtelijke sanctie die zij vervolledigen, een repressief en afschrikwekkend karakter dat vooral tot uiting komt in het bedrag ervan, vastgesteld op het drievoud van de bedoelde bijdragen. Deze maatregelen beogen aldus niet enkel het herstel van de schade die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid door het misdrijf werkelijk heeft geleden.

De bij artikel 35, vierde lid, RSZ-wet, artikel 172, tweede lid, van de programmawet van 22 december 1989 en artikel 11bis van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978, zoals te dezen van toepassing zijn, bepaalde ambtshalve veroordelingen vertonen hierdoor ook het karakter van een strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 7.1 EVRM.

6. De vaststelling dat de voormelde ambtshalve veroordelingen een "straf" zijn in de zin van artikel 7.1 van het EVRM, brengt enkel mee dat de waarborgen van de bepalingen van het EVRM moeten worden in acht genomen. Die vaststelling heeft niet tot gevolg dat die maatregelen van strafrechtelijke aard zijn in de zin van het Belgisch Strafwetboek zodat de algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht erop toepassing moeten vinden.

7. Krachtens artikel 99, eerste lid, van het Strafwetboek, verjaren burgerlijke veroordelingen, uitgesproken bij arresten of vonnissen gewezen in criminele, correctionele of politiezaken, naar de regels van het burgerlijk recht, te rekenen van de dag waarop zij onherroepelijk zijn geworden.

Aldus verjaart de tenuitvoerlegging van de ten laste van de eiser uitgesproken ambtshalve veroordelingen, die geen straffen zijn in de zin van de artikelen 7 tot 43quater van het Strafwetboek maar maatregelen van burgerlijke aard, overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Het middel dat berust op de onjuiste rechtsopvatting dat de bedoelde ambtshalve veroordelingen volgens het interne recht straffen zijn die verjaren overeenkomstig de artikelen 92 en 94 van het Strafwetboek, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 143,65 euro jegens de eisende partij en op de som van 91,11 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 29 maart 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.