Hof van Cassatie - Arrest van 31 maart 2010 (België)

Publicatie datum :
31-03-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100331-1
Rolnummer :
P.10.0529.F

Samenvatting

De volstrekte noodzakelijkheid om de hechtenis louter voor de openbare veiligheid te handhaven, alsook de in artikel 16, § 1, Wet Voorlopige Hechtenis bedoelde criteria, zijn geen gronden die gelijk welke wachttijd tussen de voltooiing van het onderzoek en de verschijning voor het vonnisgerecht, ongeacht de duur ervan, rechtvaardigen, door hem als redelijk te omschrijven (1). (1) Zie Cass., 18 dec. 1991, AR 9571, A.C., 1991-1992, nr. 213.

Arrest

Nr. P.10.0529.F

M. N.,

Mr. Michaël Donatangelo, advocaat bij de balie te Charleroi, en mr. Mariana Boutuil, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 maart 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Op 9 februari 2006 heeft de onderzoeksrechter te Tongeren tegen de eiser een bevel tot aanhouding uitgevaardigd wegens het feit dat hij als dader of mededader doodslag heeft gepleegd om de diefstal te vergemakkelijken.

Op 23 maart 2009 werd de eiser, bij arrest van het hof van assisen van de provincie Luik, wegens die telastlegging tot dertig jaar opsluiting veroordeeld.

Op 23 september 2009 heeft het Hof het voormelde arrest vernietigd en de zaak naar het hof van assisen van de provincie Namen verwezen.

De zitting van het voormelde hof van assisen, die op 15 maart 2010 was vastgesteld, werd sine die verdaagd omdat de magistraat die als voorzitter van het hof was aangewezen onmogelijk zitting kon nemen.

Op 16 maart 2010 heeft de eiser bij de griffie van het hof van beroep te Luik een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling ingediend.

Het bestreden arrest verklaart dat verzoek ontvankelijk maar niet gegrond en beveelt de handhaving van de hechtenis van de eiser.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Artikel 5.3 EVRM, waarvan het middel de schending aanvoert, bepaalt dat de inverdenkinggestelde in vrijheid moet worden gesteld zodra de handhaving van diens hechtenis niet langer redelijk is.

Om te oordelen of de duur van de hechtenis de door die bepaling gewaarborgde termijn al dan niet overschrijdt, gaat de rechter, op grond van de concrete gegevens van de zaak, zowel de effectieve als de relatieve duur van de hechtenis na, de moeilijkheidsgraad van het gerechtelijk onderzoek, de wijze waarop het werd gevoerd, het gedrag van de eiser en van de bevoegde overheid.

De volstrekte noodzakelijkheid om de hechtenis louter voor de openbare veiligheid te handhaven, alsook de in artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet bedoelde criteria, zijn geen gronden die gelijk welke termijn, ongeacht de duur ervan, tussen de voltooiing van het onderzoek en de verschijning voor het vonnisgerecht, rechtvaardigen door hem als redelijk te omschrijven.

Zo ook heeft het feit dat een eerlijke behandeling van de zaak mogelijk blijft bij de rechter die over de gegrondheid van de beschuldiging moet oordelen, niet tot gevolg dat de duur van de hechtenis, die is ondergaan in afwachting dat de zaak voor die rechter kon worden gebracht, noodzakelijkerwijs redelijk wordt.

Ten slotte moet de rechter die uitspraak doet inzake voorlopige hechtenis, om te oordelen of de in artikel 5.3 bepaalde termijn al dan niet overschreden is, het tijdstip van zijn beslissing in aanmerking nemen en niet het ogenblik waarop volgens hem de zaak ten gronde zou kunnen worden berecht.

Het arrest stelt vast dat de eiser sedert 9 februari 2006 voorlopig is aangehouden wegens doodslag om de diefstal te vergemakkelijken, dat hij bij arrest van 23 maart 2009 van het hof van assisen van de provincie Luik tot dertig jaar opsluiting werd veroordeeld, dat het Hof dat arrest vernietigd heeft en de zaak naar het hof van assisen van de provincie Namen heeft verwezen, dat de opening van de zitting op 15 maart 2010 was vastgesteld en dat de zitting sine die werd verdaagd, omdat de magistraat die haar zou voorzitten verhinderd was.

Het arrest beslist dat de redelijke termijn niet overschreden is. Noch de vermeldingen in het arrest betreffende het gevaar voor ontvluchting, het laten verdwijnen van bewijzen of verstandhouding met derden, noch de vermelding die aangeeft waarom de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, volstaan evenwel om naar recht de exceptie af te wijzen die door de eiser uit een schending van artikel 5.3 wordt afgeleid. De overweging volgens welke het niet vaststaat dat de nieuwe zitting niet kan worden geopend zonder dat het recht op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang komt, schendt de voormelde verdragsbepaling, aangezien de tijdsduur van de hechtenis niet noodzakelijk redelijk blijft zolang een eerlijke behandeling van de zaak mogelijk is.

Het middel is gegrond.

Er is geen grond om acht te slaan op het tweede onderdeel van het eerste middel en op het tweede middel die door de eiser zijn aangevoerd, daar ze niet tot vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Alain Simon en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 31 maart 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,