Hof van Cassatie - Arrest van 31 maart 2010 (België)

Publicatie datum :
31-03-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100331-2
Rolnummer :
P.10.0504.F

Samenvatting

Het intern recht staat de aanwezigheid van een advocaat niet toe bij het politieverhoor en evenmin voor de onderzoeksrechter; het geheim van het opsporingsonderzoek en van het gerechtelijk onderzoek staat in de regel daaraan in de weg (1). (1) Zie Cass., 24 feb. 2010, AR P.10.0298.F, A.C., 2010, nr ...

Arrest

Nr. P.10.0504.F

D. D.,

Mr. Philippe Culot, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 maart 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel voert aan dat het recht op een eerlijke behandeling van de zaak is miskend omdat de eiser door de politie en de onderzoeksrechter werd gehoord, waarna tegen hem een bevel tot aanhouding is uitgevaardigd, zonder dat hij vanaf het eerste verhoor werd bijgestaan door een advocaat.

De kamer van inbeschuldigingstelling heeft geen uitspraak gedaan over de schuld of onschuld van de eiser. Zij heeft zich ertoe beperkt uitspraak te doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, na het hoger beroep ongegrond te hebben verklaard dat de eiser had ingesteld tegen de beschikking die binnen vijf dagen na het tegen hem verleende bevel tot aanhouding was gewezen.

Derhalve blijkt niet dat het bestreden arrest, tot staving van een veroordeling, gebruik maakt van zelfbeschuldigende verklaringen die zijn afgelegd zonder bijstand van een advocaat. Integendeel, met overneming van de redenen van de vordering wijst het immers op het ontbreken van dergelijke verklaringen, zowel tijdens het politieverhoor als tijdens het verhoor voor de onderzoeksrechter.

Hieruit kan niet meteen worden afgeleid dat het recht op een eerlijke behandeling van de zaak is miskend daar nog geen vervolging bij het vonnisgerecht is ingesteld en, mocht dat alsnog gebeuren, het onmogelijk is om nu al te beweren dat het de eiser zal veroordelen en dat het zich daartoe zal baseren op de door hem aan de politie of aan de onderzoeksrechter gegeven antwoorden.

In strijd met wat de eiser aanvoert is de aanwezigheid van een advocaat niet toegestaan bij het politieverhoor en evenmin voor de onderzoeksrechter. Het geheim van het opsporingsonderzoek en van het gerechtelijk onderzoek, dat door de artikelen 28quinquies en 57, § 1, Wetboek van Strafvordering is opgelegd, staat daar immers in de regel aan in de weg.

Artikel 5.1, 6.1 en 6.3.c van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, zoals zij momenteel worden uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verplichten de onderzoeksgerechten niet ertoe om onmiddellijk het bevel tot aanhouding op te heffen alleen op grond dat de verdachte werd gehoord zonder bijstand van een advocaat in de vormen als bepaald in het Wetboek van Strafvordering.

Het verdrag garandeert iedere beschuldigde het recht om door een advocaat te worden verdedigd doch preciseert de voorwaarden niet voor de uitoefening van dat recht. Het laat de verdragsluitende Staten de keuze van de middelen die in hun eigen rechtsstelsel geschikt zijn om dat recht te waarborgen teneinde aan de vereisten van een eerlijke behandeling van de zaak te voldoen.

Het organiseren van de bijstand van een advocaat in het aanvangsstadium van de vierentwintig uren durende vrijheidsberoving, houdt een fundamentele hervorming in van de regels van de rechtspleging.

Het voormelde artikel 5.1 heeft niet tot gevolg dat het Hof, zelfs niet in het licht van artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, zich in de plaats kan stellen van de wetgever door zelf die maatregel te treffen en de voorwaarden te bepalen voor de tussenkomst van een advocaat binnen de oorspronkelijke termijn van vierentwintig uur die de vrijheidsberoving duurt.

Het feit dat verhoren zonder bijstand van een advocaat zijn afgenomen, vormt op zichzelf geen wettelijk beletsel tegen de voortgang van het gerechtelijk onderzoek en de eventuele verlenging van de dwangmaatregelen die ermee gepaard gaan.

Het middel faalt naar recht.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Alain Simon en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 31 maart 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,