Hof van Cassatie - Arrest van 31 mei 2010 (België)

Publicatie datum :
31-05-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100531-3
Rolnummer :
S.09.0067.F

Samenvatting

Het middel dat uitgaat van het bestaan van een feit dat in het bestreden arrest niet vastgesteld wordt en dat het Hof niet kan onderzoeken, is niet ontvankelijk (1). (1) Cass., 13 feb. 2004, AR C.02.0616.F, A.C., 2004, nr. 82.

Arrest

Nr. S.09.0067.F

RIJKSDIENST VOOR KINDERBIJSLAG VOOR WERKNEMERS, openbare instelling,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. M. P., advocaat, handelend in de hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van de goederen van O. K.,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. K. M..

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 23 april 2009 gewezen door het arbeidshof te Luik.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 69, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 december 2008, en 70 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders ;

- voor zoveel nodig, artikel 488bis-F, § 3, van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat het hoger beroep van de eiser ontvankelijk maar niet gegrond is en bevestigt het (beroepen) vonnis, dat de eiser veroordeelt om aan de verweerder een derde van de kinderbijslag ten behoeve van O.K. te betalen met ingang van 1 juli 2006. Het arrest verantwoordt die beslissing om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, en in het bijzonder om de volgende redenen: "artikel 70 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders bepaalt dat ‘de kinderbijslag verschuldigd ten behoeve van een kind dat door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid geplaatst is in een instelling, betaald wordt ten belope van: 1° twee derden aan die instelling of de particulier, zonder dat dit gedeelte hoger mag zijn dan het bedrag dat de Koning kan vaststellen voor bepaalde categorieën van kinderen; 2° het saldo aan de natuurlijke persoon bedoeld bij artikel 69'.

Voornoemd artikel 69 bepaalt het volgende: Ԥ1. De kinderbijslag (...) wordt uitgekeerd aan de moeder .

(...) Als de moeder het kind niet daadwerkelijk opvoedt, wordt de kinderbijslag betaald aan de natuurlijke (...) persoon die deze rol vervult.

(...) §2. De kinderbijslag wordt aan het rechtgevend kind zelf uitbetaald:

a) (...)

b) als het ontvoogd is of de leeftijd van 16 jaar bereikt heeft en niet bij de in §1 bedoelde persoon woont'.

Het (arbeids)hof stelt te dezen het volgende vast : noch (de verweerster) noch (de verweerder) voeden O.K. op; O.K. is meerderjarig en heeft een voorlopig bewind-voerder; (de verweerster) heeft voor de eerste rechters ermee ingestemd dat het derde van de aan haar gestorte kinderbijslag (aan de verweerder) zou worden uitbetaald; (de verweerder) heeft de oorspronkelijke vordering qualitate qua ingesteld.

Het (arbeids)hof oordeelt dat, in dit geval, het derde van de kinderbijslag gestort moet worden aan O.K. en, bijgevolg, (aan de verweerder).

Die oplossing is niet strijdig met de wet, daar artikel 70 van de samengeordende wetten verwijst naar artikel 69 in zijn geheel en niet alleen maar naar de eerste paragraaf van die bepaling.

Zij is daarenboven terecht, in zoverre die kinderbijslag dient om het verblijf van O.K. in het opvangcentrum te betalen en haar dus rechtstreeks ten goede komt.

Het hoger beroep is niet gegrond".

Grieven

1. Volgens artikel 70, eerste lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, wordt de kinderbijslag verschuldigd ten behoeve van een kind dat door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid geplaatst is in een instelling betaald tot beloop van: 1° twee derden aan die instelling of de particulier, zonder dat dit gedeelte hoger mag zijn dan het bedrag dat de Koning kan vaststellen voor bepaalde categorieën van kinderen; 2° het saldo aan de natuurlijke persoon bedoeld bij artikel 69.

Artikel 69, §1, van dezelfde wetten bepaalt dat de kinderbijslag betaald wordt aan de moeder. Als de moeder het kind niet daadwerkelijk opvoedt, wordt de kinderbijslag betaald aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die deze rol vervult.

Volgens artikel 69, §2, van de samengeordende wetten van 19 december 1939, wordt de kinderbijslag aan het rechtgevend kind zelf uitbetaald a) als het gehuwd is ; b) als het ontvoogd is of de leeftijd van 16 jaar bereikt heeft en niet bij de in §1 bedoelde persoon woont. Aan deze laatste voorwaarde is voldaan door afzonderlijke hoofdverblijfplaatsen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, of als met daartoe voorgelegde officiële documenten aangetoond wordt dat de gegevens in het Rijksregister niet of niet meer overeenstemmen met de realiteit; c) als het zelf bijslagtrekkende is voor één of meer van zijn kinderen.

Het kind bedoeld in de tweede paragraaf van artikel 69 kan evenwel in zijn eigen belang een andere persoon als bijslagtrekkende aanwijzen, op voorwaarde dat die persoon met het kind verbonden is door verwantschap of aanverwantschap in de eerste graad. De verwantschap verworven door adoptie wordt in aanmerking genomen. Het kind bedoeld in die paragraaf is rechtsbekwaam om zelf als eiser of verweerder in rechte op te treden in de geschillen betreffende de rechten op kinderbijslag.

De drie, in paragraaf 2 van artikel 69 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 bepaalde afwijkingen van het beginsel van de betaling van de kinderbijslag aan de moeder, hebben dezelfde grondslag, namelijk het begrip onafhankelijkheid, zelfbeschikking van het kind. De kinderbijslag kan alleen aan het kind zelf worden betaald als dat kind daadwerkelijk zelfstandig kan handelen.

Daarenboven moet het begrip "afzonderlijke hoofdverblijfplaats", vermeld in artikel 69, § 2, b), van de samengeordende wetten van 19 december 1939, begrepen worden als een verblijfplaats die vrij en weloverwogen gekozen werd door het kind, zonder enige externe inmenging en zonder dat zijn instemming ongeldig is.

De artikelen 69 en 70 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 raken de openbare orde, zodat elke overeenkomst die ertoe strekt daarvan af te wijken, geen enkele waarde heeft.

2. Geen enkele partij heeft ooit betwist en uit de uiteenzetting van de feiten in het arrest blijkt dat O.K. beschouwd wordt als een kind dat door bemiddeling of ten laste van een overheid geplaatst is in een instelling, met name de vereniging zonder winstoogmerk Le Château Vert, zodat de kinderbijslag die haar krachtens artikel 70, eerste lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939, verschuldigd is, tot beloop van twee derden aan die instelling betaald wordt.

Uit de processtukken blijkt dat de aan het arbeidshof gestelde vraag beperkt was tot de vraag wie de in artikel 69 bedoelde natuurlijke persoon was en, bijgevolg, wie recht had op het saldo van het derde van de aan O.K. verschuldigde kinderbijslag.

Het arbeidshof stelt vast dat noch de verweerster noch de verweerder O.K. opvoeden, dat O.K. zestien jaar oud is en een afzonderlijke verblijfplaats heeft en dus niet bij haar ouders woont, dat zij meerderjarig is en een voorlopig bewindvoerder heeft, dat de verweerster voor de eerste rechters ermee heeft ingestemd dat het derde van de kinderbijslag die aan haar gestort wordt, aan de verweerder betaald zou worden en dat de verweerder de oorspronkelijke vordering qualitate qua heeft ingesteld, en beslist vervolgens dat het derde van de kinderbijslag aan O.K. en dus aan de verweerder gestort moet worden. Het arrest beslist dat die oplossing niet strijdig is met de letter van de wet daar artikel 70 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 naar artikel 69 in zijn geheel verwijst en niet alleen maar naar de eerste paragraaf van die bepaling.

Het arrest beslist aldus dat het saldo van een derde van de kinderbijslag die ten gunste van O.K. verschuldigd is, krachtens artikel 69, §2, b), van de samengeordende wetten van 19 december 1939, aan haarzelf moet worden uitbetaald.

3.1. Het arrest stelt vast dat O.K. wegens haar gezondheidstoestand een voorlopig bewindvoerder heeft.

Uit die overwegingen volgt dat O.K. niet bekwaam is om zelf als eiser of als verweerder op te treden in geschillen over het recht op kinderbijslag : volgens artikel 488bis-F, §3, van het Burgerlijk Wetboek, vertegenwoordigt de voorlopige bewindvoerder, bij gebrek aan aanwijzingen in de beschikking die hem aanwijst, de beschermde persoon in alle rechtshandelingen en procedures als eiser en als verweerder. Het feit dat de verweerder de oorspronkelijke vordering te dezen heeft ingesteld als voorlopige bewindvoerder, belet uiteraard niet dat O.K. dat niet zelf mocht doen.

Het arrest, dat vaststelt dat O.K. een voorlopige bewindvoerder heeft, stelt in feite vast dat zij niet werkelijk zelfstandig kan handelen.

Het arrest, dat evenwel beslist dat het derde van de kinderbijslag aan O.K. en, bijgevolg, aan de verweerder gestort moet worden, miskent aldus de voorwaarde van zelfstandigheid van het kind, zoals vereist bij de in de tweede paragraaf van artikel 69 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 bepaalde afwijkingen van het beginsel van de betaling van de kinderbijslag aan de moeder. Het arrest schendt bijgevolg de artikelen 69 en 70 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 en 488bis-F, §3, van het Burgerlijk Wetboek.

3.2. Het arrest stelt vast dat O.K. in de vereniging zonder winstoogmerk Le Château Vert is geplaatst door haar ouders.

Zoals de eiser voor het arbeidshof betoogde, is artikel 69, §2, b), van de samengeordende wetten van 19 december 1939 alleen van toepassing op het ontvoogde kind of op het kind dat de leeftijd van zestien jaar bereikt heeft en niet verblijft bij de in de eerste paragraaf van die bepaling bedoelde persoon ; laatstgenoemde voorwaarde moet verstaan worden als een verblijfplaats die vrij en weloverwogen gekozen werd door het kind. Het arrest, dat beslist dat het derde van de kinderbijslag gestort moet worden aan O.K., terwijl het vaststelt dat laatstgenoemde was geplaatst door haar ouders, schendt de voormelde bepaling.

Het arrest, dat beslist dat het derde van de kinderbijslag gestort moet worden aan O.K. en, bijgevolg, aan de verweerder, schendt de artikelen 69 en 70 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en artikel 488bis-F, §3, van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel, dat betoogt dat O.K. niet beantwoordt aan de voorwaarde van afzonderlijke verblijfplaats van het kind, bepaald in artikel 69, §2, b), van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, veronderstelt dat die verblijfplaats niet vrijwillig gekozen werd.

Het arrest stelt niet vast dat en uit geen van de door het arrest vastgestelde feiten blijkt dat die hoofdverblijfplaats niet vrijwillig gekozen zou zijn.

Het Hof is niet bevoegd om dat feit te onderzoeken.

Het middel is in die mate niet ontvankelijk.

Voor het overige wordt de kinderbijslag, luidens dat artikel 69, §2, b), uitbetaald aan het rechtgevende kind zelf als hij de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en een andere hoofdverblijfplaats heeft dan de in artikel 69, §1, bedoelde persoon.

De omstandigheid dat het kind, dat recht geeft op kinderbijslag, een voorlopig bewindvoerder heeft, belet de toepassing van dat artikel 69, §2, b), niet.

Het middel, dat het tegendeel betoogt, faalt in die mate naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 31 mei 2010 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De raadsheer,