Hof van Cassatie - Arrest van 31 mei 2010 (België)

Publicatie datum :
31-05-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100531-5
Rolnummer :
C.09.0282.F

Samenvatting

De vergoeding die de eigenaar ten laste van het Gewest kan aanvragen wanneer een bouw- of verkavelingsverbod, dat uitsluitend uit de klassering van een onroerend goed voortvloeit, een einde maakt aan het gebruik of aan de bestemming van dat goed de dag vóór de inwerkingtreding van het klasseringsbesluit, is niet verschuldigd wanneer de eigenaar het onroerend goed verkregen heeft toen het reeds geklasseerd was, zonder dat hierbij een onderscheid wordt gemaakt naargelang van de wijze waarop de eigendom van het betrokken goed is overgedragen.

Arrest

Nr. C.09.0282.F

1. G. N.,

2. J. C.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

WAALS GEWEST,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 7 oktober 2008 gewezen door het hof van beroep te Luik.

De zaak is bij beschikking van 1 februari 2010 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 230, inzonderheid § 3, 1°, van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (WWROSP), na de wijziging ervan bij het Waals decreet van 1 april 1999 en, voor zover nodig, het vroegere artikel 371, inzonderheid §3, 1° (oude nummering), van dat Wetboek, vóór de wijziging ervan bij het decreet van 1 april 1999 en zoals het was ingevoegd door het decreet van 18 juli 1991;

- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;

- artikel 26 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat de eisers geen aanspraak kunnen maken op de vergoeding bedoeld in artikel 230, §1, van het WWROSP (het vroegere artikel 371, §1), om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, en inzonderheid om de volgende redenen:

"Artikel 230, §3, 1°, van de WWROSP bepaalt, met betrekking tot de vergoedingen waarop de eigenaars aanspraak kunnen maken indien een bouw- of verkavelingsverbod dat het gevolg is van de bescherming van een onroerend goed, een einde maakt aan het gebruik of de bestemming van dat goed, dat 'er geen vergoeding verschuldigd is indien de eigenaar het goed verworven heeft wanneer het al beschermd was';

De litigieuze percelen, waarvan de verkaveling gevraagd wordt, zijn beschermd bij besluit van 16 oktober 1975;

De (eisers) hebben de eigendom van die percelen verkregen ten gevolge van het overlijden, op 31 maart 1999, van J. J., echtgenoot van (de eiseres) en vader (van de verweerder);

Artikel 711 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat eigendom van goederen wordt verkregen (...) door erfopvolging;

Toen de (eisers) de litigieuze percelen verkregen hebben, waren deze reeds meer dan twintig jaar bij besluit beschermd;

De eerste rechter, die de (eisers) op dat punt gelijk geeft, heeft geweigerd om artikel 230, §3, 1°, van het WWROSP toe te passen en heeft aldus een voorwaarde toegevoegd aan de door de wetgever ontworpen tekst, met name dat de eigendom van een onroerend goed vrijwillig moet zijn verkregen, op grond dat 'de litigieuze bewoordingen onmogelijk de overdracht door erfopvolging kunnen betreffen, aangezien zij niet verenigbaar zijn met die vorm van overdracht en het door de wetgever beoogde doel bestond in het voorkomen van schadelijke speculatie, met name in geval van vrijwillige koop';

De tekst van artikel 230, §3, 1°, is eenvoudig en duidelijk;

Hetzelfde geldt voor artikel 711 van het Burgerlijk Wetboek. Erfopvolging door overlijden is een afgeleide vorm van eigendomsverkrijging (...);

Het gaat daarenboven om een vrijwillige wijze van verkrijging van goederen (...);

De (eisers) hebben dus, in de zin van dat artikel, de eigendom van de litigieuze percelen verkregen op een ogenblik dat zij reeds beschermd waren;

Zij kunnen bijgevolg op geen enkele vergoeding aanspraak maken".

Het arrest weigert bovendien om de eerste, door de eisers voorgestelde prejudiciële vraag te stellen over de grondwettigheid van artikel 230, §3, 1°, van het WWROSP, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, en inzonderheid om de volgende redenen:

"Opdat een prejudiciële vraag gesteld kan worden, moet zij allereerst een schijn van gegrondheid vertonen en moet, bijgevolg, de mogelijkheid bestaan dat het Grondwettelijk Hof hierop positief antwoordt;

In het geval van de eerste voorgestelde prejudiciële vraag is die mogelijkheid uitgesloten. Het hof (van beroep) ziet niet in welke discriminatie zou ontstaan uit de toepassing van artikel 230, §3, 1°, van het WWROSP, aangezien eenieder die een onroerend goed verkrijgt op dezelfde wijze behandeld wordt, of hij dat goed nu verkrijgt op de oorspronkelijke wijze van verkrijging - door bewoning, vinding, natrekking, acquisitieve verjaring of usucapio - of op een afgeleide wijze van verkrijging - door overeenkomst, testament, erfopvolging door overlijden, overgave, beslissing van de overheid, echtscheiding door onderlinge toestemming. Integendeel, het invoeren van een verschil in behandeling tussen eigenaars zou pas discriminatoir zijn. Elke verkrijger van een onroerend goed kan te weten komen of het al dan niet beschermd is".

Grieven

Eerste onderdeel

De wettelijke erfgenaam is degene die, in zijn hoedanigheid van algemene rechtverkrijgende, het vermogen van de overledene verkrijgt, zodat het zich met zijn eigen vermogen vermengt. Hij volgt laatstgenoemde op.

Aangezien de erfopvolger van de overledene in de rechten van de de cuius treedt, kan hij bijgevolg rechtsgeldig optreden op grond van artikel 230 van het WWROSP, ook al is de nalatenschap opengevallen na de bescherming van het onroerend goed dat hij erft, in zoverre de vergoedingsvordering die in het vermogen van zijn rechtsvoorganger aanwezig was, noodzakelijkerwijs op hem is overgedragen.

Bijgevolg moeten aan de eigenaar van een beschermd onroerend goed dezelfde rechten worden toegekend als aan zijn erfgenamen, daar de vergoedingsvordering uit zijn naar hun vermogen is overgedragen.

Die gevolgtrekking geldt niet in geval van overdracht onder de levenden, in zoverre de bijzondere rechtverkrijgende slechts een welbepaald goed of recht verkrijgt, met uitsluiting - in beginsel - van de schuldvorderingen en de persoonlijke verbintenissen van zijn rechtsvoorganger die op dat welbepaald actief betrekking hebben.

Artikel 230, §3, van het WWROSP (net als het vroegere artikel 371, §3, 1°), luidens hetwelk geen enkele vergoeding verschuldigd is indien de eigenaar het onroerend goed verkregen heeft wanneer het al beschermd was, heeft bijgevolg alleen betrekking op overdrachten onder de levenden.

Het arrest, dat de vergoedingsvordering van de eisers verwerpt op grond van artikel 230, §3, 1°, van het WWROSP, geeft aan de exceptie die het invoert een draagwijdte die het niet heeft en schendt, bijgevolg, die bepaling (en, voor zover nodig, het in het middel bedoelde, vroegere artikel 371, §3, 1°, van het WWROSP, dat dezelfde regel betrof) alsook artikel 230, §1, van het WWROSP (en, voor zover nodig, het vroegere artikel 371, §1) dat recht geeft op vergoeding.

Tweede onderdeel

Indien artikel 230, §3, 1°, van het WWROSP (net als het in het middel bedoelde, vroegere artikel 371, §3, 1°) aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op zowel de overdrachten onder de levenden als op de overdrachten door overlijden, dan schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, daar het personen die in een verschillende situatie verkeren, te weten, enerzijds, degenen die, zoals te dezen, wettelijk erfgenaam van de eigenaar van een beschermd goed zijn en in het recht van de overledene op de vergoeding, dat zij in zijn vermogen aantreffen, treden - ook al werd er op dat recht nog geen aanspraak gemaakt, en anderzijds de verkrijgers, door overdracht onder de levenden, die hun rechtsvoorganger niet opvolgen, zonder objectieve en redelijke verantwoording op dezelfde wijze behandelt.

Krachtens artikel 26 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 bestaat er in dat geval grond om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: schendt artikel 230, §3, 1°, van het WWROSP (net als het vroegere artikel 371, §3, 1°) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer het aldus uitgelegd wordt dat het zonder enig onderscheid van toepassing is op de overdrachten door overlijden en op de overdrachten tussen de levenden, in zoverre het de verkrijger door erfopvolging, die een algemene rechtverkrijgende is, op dezelfde wijze behandelt als de rechtverkrijgende onder de levenden, die een bijzondere rechtverkrijgende is, terwijl eerstgenoemde, in tegenstelling tot laatstgenoemde, zijn rechtsvoorganger opvolgt en degene is die de vergoedingsvordering uit het vermogen van laatstgenoemde verkrijgt ?

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste onderdeel

Luidens artikel 230, §1, van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, dat overeenkomt met het vroegere artikel 371, §1, van dat Wetboek, kunnen de eigenaars een vergoeding ten laste van het Gewest vragen indien een bouw- of verkavelingsverbod dat enkel het gevolg is van de bescherming van een onroerend goed een einde maakt aan het gebruik of de bestemming van dat goed op de dag vóór de inwerkingtreding van het beschermingsbesluit.

Paragraaf 3, 1°, van die artikelen bepaalt dat er geen vergoeding verschuldigd is indien de eigenaar het goed verkregen heeft wanneer het al beschermd was.

Die bepaling maakt geen enkel onderscheid naargelang van de wijze waarop de eigendom van het betrokken goed is overgedragen.

Artikel 711 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat eigendom van goederen wordt verkregen en overgaat door erfopvolging, door schenking onder de levenden of bij testament, en uit kracht van verbintenissen.

De omstandigheid dat een vermogen op een algemene rechtverkrijgende overgaat, heeft niet tot gevolg dat de erfopvolging geen wijze is waarop hij de eigendom van de goederen uit dat vermogen verkrijgt.

De in de voormelde artikelen 230, §3, 1°, en 371, § 3, 1° (oud), bepaalde exceptie is derhalve van toepassing in geval van algemene overdracht, door overlijden, van een onroerend goed.

Het onderdeel, dat het tegendeel betoogt, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

Het onderdeel, dat geen kritiek uitoefent op het arrest, is niet ontvankelijk.

Aangezien het onderdeel daarenboven niet ontvankelijk is om een reden eigen aan de cassatieprocedure, hoeft de door de eisers voorgestelde prejudiciële vraag niet aan het Grondwettelijk Hof te worden gesteld.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 31 mei 2010 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,