Hof van Cassatie - Arrest van 4 juni 2010 (België)

Publicatie datum :
04-06-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100604-2
Rolnummer :
F.09.0132.F

Samenvatting

De belastingplichtige die een belasting betwist en die in de loop van het geding andere middelen aanvoert tot staving van zijn betwisting, grondt de uitbreiding van zijn vordering op een tijdens de inleiding van het geding aangevoerde akte (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2010, nr. ... .

Arrest

Nr. F.09.0132.F

SIRIUS BELGIUM REASSURANCES, naamloze vennootschap,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 januari 2007 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende drie middelen aan, waarvan het tweede gesteld is als volgt.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het arrest stelt vast dat het geschil betrekking heeft op de ten laste van de eiseres ingekohierde supplementaire aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de boekjaren 1996 en 1997; dat de administratie, met betrekking tot het aanslagjaar 1996, wisselkoersverschillen op de technische reserves die geboekt waren in de overlopende rekening, wegens overwaardering van het passief opnieuw in de belastbare grondslag van de eiseres heeft opgenomen krachtens artikel 361 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen; dat de administratie, met betrekking tot datzelfde aanslagjaar 1996, in de belastbare grondslag van de eiseres opnieuw bepaalde inkomsten heeft opgenomen die laatstgenoemde als definitief belaste inkomsten had afgetrokken,

beslist vervolgens, met bevestiging van het beroepen vonnis, dat de wisselkoersverschillen provisies zijn waarop de in artikel 48 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen bepaalde vrijstellling van toepassing is; dat de eiseres niet aantoont dat de administratie artikel 361 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen ten onrechte zou hebben toegepast om die provisies opnieuw in de belastbare grondslag van het boekjaar 1996 op te nemen ; dat de eiseres evenwel voldeed aan de voorwaarden om in de loop van het aanslagjaar 1996 bepaalde inkomsten als definitief belaste inkomsten af te trekken,

en beslist dat het hoger beroep niet ontvankelijk is, in zoverre het betrekking heeft op de ontheffing van het supplement voor het aanslagjaar 1997, wegens dubbele heffing ten gevolge van de belasting van het aanslagjaar 1996 en wegens aftrek van bepaalde inkomsten als definitief belaste inkomsten.

Het arrest grondt die beslissing op de volgende redenen :

"Het gedinginleidende verzoekschrift betrof op dat punt (de wisselkoersverschillen) alleen het aanslagjaar 1996 ... De in het gedinginleidende verzoekschrift bedoelde grief (de aftrek van bepaalde inkomsten als definitief belaste inkomsten) had alleen betrekking op het aanslagjaar 1996 ... (de eiseres) kan haar vordering in hoger beroep niet uitbreiden tot het aanslagjaar 1997, zonder artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek te schenden ... (de eiseres) voert te dezen geen nieuwe middelen aan tot staving van de betwisting dat zij zou hebben opgeworpen ... en tracht aan het hof (van beroep) niet een wijziging van haar oorspronkelijke vordering voor te leggen maar een nieuw geschil dat niet voor de eerste rechter was gebracht en dat zij in haar gedinginleidende akte niet had aangevoerd".

Grieven

Volgens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, dat krachtens artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek in hoger beroep van toepassing is, kan de vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.

De woorden "feit of akte" verwijzen naar de oorzaak van de vordering, dat wil zeggen, inzake inkomstenbelastingen, de betwiste aanslag, en niet de middelen in feite of in rechte die tot staving van de betwisting worden aangevoerd.

Het arrest, dat niet ontkent dat het gedinginleidende verzoekschrift ertoe strekte de ontheffing van het supplement voor het aanslagjaar 1997 te verkrijgen, kan bijgevolg niet wettig beslissen dat het hoger beroep niet ontvankelijk is, in zoverre het betrekking heeft op de ontheffing van het supplement voor het aanslagjaar 1997, wegens dubbel heffing ten gevolge van de belasting van de wisselkoersverschillen voor het aanslagjaar 1996 en wegens aftrek van bepaalde inkomsten als definitief belaste inkomsten (schending van de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Tweede middel

Krachtens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, bij conclusie uitgebreid of gewijzigd worden, indien de feiten waarop die conclusie berust, dezelfde zijn als die welke in de dagvaarding worden aangevoerd, zelfs indien de eiser destijds daaruit geen enkele gevolgtrekking heeft gemaakt over de gegrondheid van zijn vordering of indien hun juridische omschrijving verschillend is.

De belastingplichtige die in zijn gedinginleidend verzoekschrift een aanslag betwist en in de loop van het geding andere middelen aanvoert tot staving van zijn betwisting, grondt de uitbreiding van zijn vordering op een bij de inleiding van het geding aangevoerde akte.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres, in haar gedinginleidend verzoekschrift, de aanslag in de vennootschapsbelasting van het aanslagjaar 1997 betwistte. Zij vorderde, voor dat aanslagjaar, de ontheffing van de aanslag van een meerwaarde, die was vastgesteld op de aandelen van een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal, en van de in artikel 219 WIB92 bepaalde bijzondere aanslag van een voordeel dat een van haar werknemers zou hebben genoten.

In haar conclusie in hoger beroep stelt de eiseres, voor dezelfde aanslag in de vennootschapsbelasting van het aanslagjaar 1997, een vordering tot gedeeltijke ontheffing in wegens dubbele heffing ten gevolge van de belasting van de wisselkoersverschillen voor het aanslagjaar 1996 en wegens aftrek van bepaalde inkomsten als definitief belaste inkomsten.

Het arrest, dat een dergelijke uitbreiding van de vordering niet-ontvankelijk verklaart, schendt bijgevolg artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het het hoger beroep van de eiseres, dat betrekking heeft op de ontheffing van het belastingsupplement voor het aanslagjaar 1997 wegens de dubbele heffing die de belasting van de wisselkoersverschillen voor het aanslagjaar 1996 aan het licht bracht en wegens aftrek van bepaalde inkomsten als definitief belaste inkomsten, niet-ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 4 juni 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,