Hof van Cassatie - Arrest van 4 maart 2010 (België)

Publicatie datum :
04-03-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100304-3
Rolnummer :
C.08.0324.N

Samenvatting

Het rechtsmisbruik dat het recht van verdediging en het recht om te concluderen aantast, kan ontstaan uit de uitoefening van die rechten zonder redelijk en afdoend belang en op een wijze die de perken van de normale uitoefening ervan door een voorzichtig en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat (1). (1) Zie Cass., 6 jan. 2006, AR C.04.0358.F, A.C., 2006, nr 18.

Arrest

Nr. C.08.0324.N

ALGEMENE ONDERNEMINGEN AERTS, naamloze vennootschap, met zetel te 2500 Lier, Paaiestraat 9,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

REGIE DER GEBOUWEN, openbare instelling, met kantoor te 1060 Brussel, Gulden Vlieslaan 87, bus 2,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 februari 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.

Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De appelrechters oordelen dat de appelconclusies van de eiseres van 31 mei 2007 in haar geheel onsamenhangend is.

2. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters bedoelde conclusie uit het debat weren, omdat deze deels irrelevant, oncontroleerbaar en onsamenhangend is, berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. Het rechtsmisbruik dat het recht van verdediging en het recht om te concluderen aantast, kan ontstaan uit de uitoefening van die rechten zonder redelijk en afdoend belang en op een wijze die de perken van de normale uitoefening ervan door een voorzichtig en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat.

4. De appelrechters oordelen dat:

- het op 31 mei 2007 door de eiseres neergelegd geschrift niet voldoet aan het begrip ‘conclusie' in de zin van artikel 741 van het Gerechtelijk Wetboek;

- het enkel een opsomming bevat van teksten die niet allen betrekking hebben op de zaak;

- delen van conclusies uit andere zaken klakkeloos werden overgenomen zonder enige relevantie in onderhavige zaak;

- de aangehaalde rechtsleer en rechtspraak er integraal deel van uitmaakt wat een nader onderzoek van deze rechtsbronnen veronderstelt, terwijl deze gegevens in werkelijkheid oncontroleerbaar zijn;

- het neerleggen van dergelijk geschrift een schending van de rechten van verdediging uitmaakt, niet ernstig te noemen is en indruist tegen alle principes van de goede trouw in de procesvoering;

- de bijlage bij die conclusie al even onsamenhangend is als de conclusie zelf;

- hetgeen naar aanleiding van de pleidooien mondeling werd uiteengezet totaal afwijkt van het schriftelijk verweer.

5. Door op die gronden de appelconclusie van de eiseres van 31 mei 2007 uit het debat te weren, geven de appelrechters te kennen dat de eiseres haar recht van verdediging en haar recht om te concluderen uitoefent zonder redelijk en afdoend belang en op een wijze die de perken van de normale uitoefening ervan door een voorzichtig en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat.

6. Zij verantwoorden aldus hun beslissing naar recht en schenden hierbij de in het onderdeel aangevoerde bepalingen en rechtsbeginselen niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

7. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat de appelconclusie van de eiseres van 31 mei 2007 geen middelen behelst, mist het feitelijke grondslag, daar het arrest dergelijk oordeel niet bevat.

8. Wanneer de rechter vaststelt dat een partij haar recht om conclusie te nemen uitoefent zonder redelijk en afdoend belang en op een wijze die de perken van de normale uitoefening ervan door een voorzichtig en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat, staat de omstandigheid dat die conclusie middelen bevat het weren van die conclusie uit het debat niet in de weg.

9. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters de appelconclusie van de eiseres van 31 mei 2007 niet uit het debat hadden kunnen weren, wegens rechtsmisbruik, zonder vast te stellen dat die conclusie geen middelen bevatte, kan het niet worden aangenomen.

10. De rechter die een conclusie wegens rechtsmisbruik uit het debat weert, is er niet toe gehouden de erin opgenomen middelen te beantwoorden.

11. In zoverre het onderdeel van de tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

Vierde onderdeel

12. De appelrechters oordelen dat:

- wat door de eiseres mondeling werd uiteengezet totaal afwijkt van het ‘schriftelijk verweer';

- het verzoekschrift tot hoger beroep wel voldoet aan alle vormvereisten wat andermaal aantoont dat een professionele aanpak van de zaak wel degelijk mogelijk was.

Zij geven aldus te kennen dat de middelen ontwikkeld in de appelconclusies van de eiseres van 6 november 1995 en 14 april 2006 inhoudelijk tegenstrijdig zijn met deze ontwikkeld in het verzoekschrift tot hoger beroep.

13. Op grond van deze reden vermochten de appelrechters te oordelen dat zij niet gehouden waren te antwoorden op de middelen ontwikkeld in de appelconclusies van de eiseres van 6 november 1995 en 14 april 2006.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

14. De appelrechters oordelen niet dat de verklaring van de raadsman van de eiseres ter zitting van 12 november 2007 dat enkel rekening diende te worden gehouden met de appelconclusie van 31 mei 2007, hen ontsloeg van de verplichting kennis te nemen van de middelen van de eiseres.

15. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters zulks wel oordelen, berust op een verkeerde lezing van het arrest.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Vijfde onderdeel

16. De appelrechters oordelen niet dat de eiseres afstand deed van haar appelconclusies van 6 november 1995 en 14 april 2006 of van de daarin aangevoerde middelen.

17. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters zulks wel oordelen, berust op een verkeerde lezing van het arrest.

Het mist mitsdien feitelijke grondslag.

Tweede middel

Tweede onderdeel

18. In het overwegend gedeelte van het arrest beslissen de appelrechters met betrekking tot de door de eiseres op grond van het artikel 15, §4, van de algemene aannemingsvoorwaarden voor overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten gevorderde interest wegens laattijdige betaling, dat het bestreden vonnis enkel kan worden bevestigd in zoverre hierin gesteld wordt "dat voor zover de vordering sub I (= vordering m.b.t. saldo voor werken en meerwerken) gegrond wordt verklaard, door verweerster (...) verwijlinteresten verschuldigd zijn".

19. Deze beslissing is tegenstrijdig met deze waarbij in het dictum van het arrest het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen wordt bevestigd, waaronder de beslissing de aangewezen deskundige niet alleen te belasten met "zo nodig" de berekening van de verschuldigde interest op het eventueel nog verschuldigd saldo, maar ook met de berekening van de interest verschuldigd wegens de laattijdige betalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

20. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de door de eiseres gevorderde verwijlinterest wegens laattijdige betaling, de opdracht van de deskundige met betrekking tot de aldus gevorderde interest omschrijft en oordeelt over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres tot twee derden van de kosten.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

De kosten zijn begroot op de som van 503,29 euro jegens de eisende partij en op de som van 301,82 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 4 maart 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.