Hof van Cassatie - Arrest van 4 september 2003 (België)

Publicatie datum :
04-09-2003
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20030904-13
Rolnummer :
C010031N

Samenvatting

De rechter die aanneemt dat de beide partijen hebben ingestemd met het neerleggen van conclusies nadat de rechtsdag met toepassing van art. 750, ,§ 2, laatste lid, Ger.W. is bepaald, op de vastgestelde rechtsdag de zaak voor verdere behandeling uitstelt om een partij toe te laten op een conclusie van de andere partij te antwoorden hoewel deze laatste zich daartegen verzet, en niet ingaat op haar verzoek tot het weren van die antwoordconclusie, schendt art. 748, ,§ 1, Ger.W. niet en miskent evenmin het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging (1). (1) De bepaling van een rechtsdag met toepassing van art. 50, ,§ 2, laatste lid, Ger.W. veronderstelt dat de zaak in staat van wijzen is (zie J. Englebert, "Sanctions et pouvoirs du juge dans la mise en état des causes", T.B.B.R. 1997, (261), 272, nr 38; P. Taelman, "Wijzigingen aan de rechtsdagbepaling (art. 747, 748 en 750, Ger.W) Introductie van de 'derde' weg", A.J.T. 1994-1995, (533), 534, nr 5). Art. 748, ,§ 1, Ger.W. laat echter toe dat, met instemming van de andere partij, nadien nog conclusies worden neergelegd.

Arrest

Nr. C.01.0031.N
1. K.M., en zijn echtgenote,
2. K.N.
vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
eisers,
tegen
FORTIS A.G., naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53,
verweerster,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 april 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.
Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd.
Middel
De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
artikel 748, ,§1, van het Gerechtelijk Wetboek ;
het algemeen beginsel van de eerbied voor de rechten van de verdediging.
Aangevochten beslissingen
Het aangevochten arrest van 6 april 2000 verklaart de vordering van de eisers tegen verweerster ongegrond en veroordeelt de eisers tot de kosten, op grond van onder andere volgende overwegingen :
"Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 26 september 1998 stelt (verweerster) tijdig en in regelmatige vorm hoger beroep in tegen het vonnis van 27 januari 1997 van de zestiende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, dat haar veroordeelt om aan elk van (de eisers) voor welkdanige schade een provisionele vergoeding te betalen van 40.000 BEF, dat dr. J. D. uit Gent met een onderzoeksmaatregel belast betreffende de door (de eisers) opgelopen letsels ingevolge het verkeersongeval dat hen op 12 juli 1987 overkwam in Bulgarije (Haskovo), dat de beslissing over de kosten aanhoudt en de zaak voor verdere behandeling verwijst naar de bijzonder rol.
Het bestreden vonnis oordeelt dat de N.V. Amev, rechtsvoorgangster van (verweerster), in gebreke is gebleven de nodige middelen aan te wenden om vergoeding te bekomen voor de schade die (de eisers) ingevolge dat ongeval leden, dat dit een tekortkoming inhield aan de contractuele verplichtingen die zij als rechtsbijstandverzekeraar had op grond van de polis Utrecht 08837012.00 en dat zij aanspraak kunnen maken op een schadevergoeding die in casu werd bepaald op de schade die zij hebben geleden ingevolge het kwestig ongeval.
Op het verzoek van (de eisers) tot het weren van de door (verweerster) op 20 januari 2000 neergelegde conclusie kan niet worden ingegaan vermits geen enkele wetsbepaling deze maatregel voorschrijft en (de eisers) ingevolge het uitstellen van de zaak van de terechtzitting van 3 februari 2000 naar deze van 9 maart 2000 ruim de gelegenheid hadden desgewenst op deze conclusie te antwoorden.
Uit de door (verweerster) ter terechtzitting van 9 maart 2000 overgelegde stukken blijkt dat de door de eerste (eiser) onderschreven verzekeringsovereenkomst bepaalt dat de rechtsbijstand plus voorziet in dekking in alle landen waar het modelcontract met betrekking tot verplichte 'burgerrechtelijke aansprakelijkheid' verzekering motorrijtuigen van het verzekerde motorrijtuig van toepassing is (art. 7 van de rubriek rechtsbijstand plus).
Deze laatste dekking geldt niet voor ongevallen die zich voordoen in Bulgarije (art. 2 van de algemene voorwaarden van de verplichte aansprakelijkheidsverzekering).
Waar (verweerster) of haar rechtsvoorgangster geen contractuele verplichting had met betrekking tot het ongeval dat hier aan de orde is er evenmin sprake van een contractuele tekortkoming en is de vordering van (de eisers) ongegrond".
Grieven
Artikel 748 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals dat bij artikel 21 van de wet van 3 augustus 1992 (B.S.
31 augustus 1992) hernummerd en vervangen werd, bepaalt in paragraaf 1 (zoals die gewijzigd werd bij artikel 2 van de wet van 23 maart 1995 B.S. 19 mei 1995) :
"In de zaken waarin artikel 735 niet van toepassing is, worden de conclusies die na het gezamenlijk verzoek om rechtsdagbepaling of na bepaling van de rechtsdag overeenkomstig artikel 750, ,§ 2, laatste lid, zijn neergelegd, ambtshalve uit de debatten geweerd ; dit geldt niet wanneer het gaat om conclusies die het verzoek bedoeld in artikel 808 beogen of om conclusies die zijn neergelegd met de instemming van de andere partij.
Dit artikel blijft van toepassing wanneer de rechter, op verzoek van een van de partijen, verdaging tot een bepaalde datum toestaat".
Overeenkomstig het algemeen beginsel van de eerbied voor de rechten van de verdediging kan een vordering niet afgewezen worden op een grond die enkel opgeworpen was in de conclusie die conform geciteerd artikel 748, ,§1, ambtshalve uit de debatten had moeten geweerd worden.
Nadat onderhavige zaak -zoals blijkt uit o.a. regel 1 van het bij deze voorziening in cassatie gevoegde stuk nr. 1, zijnde de brief van 30 maart 1999 van de griffier van de rol van het Hof van Beroep te Gentovereenkomstig artikel 750, ,§2, alinea 3, van het Gerechtelijk Wetboek "vastgesteld (was) voor een tegensprekelijk debat op de zitting van de 19e kamer op 06 januari 2000", en -zoals blijkt uit o.a. stuk nr. 2 bij deze voorziening, zijnde de brief van 12 januari 2000 van de griffier van de rol- alsdan op grond van artikel 754 van het Gerechtelijk Wetboek uitgesteld werd naar 3 februari 2000, legde verweerster haar "Derde beroepsconclusie" van 14 januari 2000 neer.
Op de zitting van 3 februari 2000 werd de zaak op grond van genoemd artikel 754 uitgesteld naar 9 maart 2000, zoals blijkt uit o.a. stuk nr.3 gevoegd bij deze voorziening, zijnde de brief van 10 februari 2000 van de griffier van de rol.
Het aangevochten arrest van 6 april 2000 kon derhalve niet wettig beslissen (p. 2, al. 2) dat niet kon ingegaan worden op het verzoek van de eisers om de conclusie die verweerster op 20 januari 2000 neergelegd had, uit de debatten te weren.
De "Derde beroepsconclusie" van 14 januari 2000 die verweerster in cassatie op 20 januari 2000 neergelegd had, na de bepaling van de rechtsdag conform artikel 750, ,§2, laatste alinea, had immers overeenkomstig hoger geciteerd artikel 748, ,§ 1, ambtshalve uit de debatten moeten geweerd worden, ongeacht het feit dat de zaak op de zittingen van 6 januari en 3 februari 2000 naar een latere datum uitgesteld was conform artikel 754 van het Gerechtelijk Wetboek.
Door de vordering van de eisers af te wijzen op grond dat de polis niet geldig was voor Bulgarije waar het ongeval gebeurde, waarbij deze grond door verweerster enkel opgeworpen was in genoemde "Derde beroepsconclusie" die ambtshalve uit de debatten had moeten geweerd worden, schendt het arrest het algemeen beginsel van de eerbied voor de rechten van de verdediging.
Hieruit volgt dat het aangevochten arrest, door genoemde "Derde beroepsconclusie" van verweerster niet uit de debatten geweerd te hebben, artikel 748, ,§1, van het Gerechtelijk Wetboek schendt, en, door de vordering af te wijzen op een grond die enkel voorkwam in deze conclusie die uit de debatten had moeten geweerd worden, het algemeen beginsel schendt van de eerbied voor de rechten van de verdediging.
Beslissing van het Hof
Overwegende dat, krachtens artikel 748, ,§1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek worden de conclusies die na bepaling van de rechtsdag overeenkomstig artikel 750, ,§2, laatste lid, zijn neergelegd, ambtshalve uit de debatten geweerd ; dat dit niet geldt wanneer het gaat om conclusies die zijn neergelegd met instemming van de andere partij ;
Dat die instemming niet uitdrukkelijk moet worden gegeven ;
Dat luidens artikel 748, ,§1, tweede lid, dit artikel van toepassing blijft wanneer de rechter, op verzoek van een van de partijen, verdaging tot een bepaalde datum toestaat ;
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat :
1. op 30 maart 1999, met toepassing van artikel 750, ,§2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de rechtsdag werd vastgesteld op 6 januari 2000 ;
2. verweerster op 18 juni 1999 en op 22 september 1999 conclusies ter griffie neerlegde ;
3. de eisers op 9 augustus 1999 en op 27 december 1999 conclusies ter griffie neerlegden ;
4. het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 januari 2000 vermeldt dat de raadsman van verweerster vraagt de zaak uit te stellen daar hij nog wenst te antwoorden op de laatste conclusies van de eisers ; dat de raadsman van de eisers zich tegen het uitstel verzet ; dat de zaak voor verdere behandeling op 3 februari 2000 wordt uitgesteld ;
5. verweerster op 20 januari 2000 conclusies ter griffie neerlegde ;
6. het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 februari 2000 vermeldt dat de zaak wordt gepleit en de raadslieden van de partijen het hof vragen de zaak kort te willen uitstellen ; dat de zaak voor verdere behandeling op 9 maart 2000 wordt uitgesteld ;
7. het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 maart 2000 vermeldt dat de raadsman van de eisers vraagt de conclusie van verweerster van 20 januari 2000 uit het debat te weren ;
Overwegende dat uit het procesverloop blijkt dat de appèlrechter heeft aangenomen dat de beide partijen hebben ingestemd met het neerleggen van conclusies na de bepaling van de rechtsdag en dat hij vervolgens op de vastgestelde rechtsdag de zaak voor verdere behandeling heeft uitgesteld om verweerster toe te laten op een conclusie van de eisers te antwoorden, hoewel deze laatsten zich daartegen verzetten ;
Overwegende dat het arrest dat in die omstandigheden beslist op het verzoek van de eisers tot het weren van de door verweerster op 20 januari 2000 neergelegde conclusies niet in te gaan, artikel 748, ,§1, van het Gerechtelijk Wetboek niet schendt noch het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van de verdediging miskent ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt de eisers in de kosten.
De kosten begroot op de som van vierhonderd negenenvijftig euro tweeëntwintig cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd en drie euro vierentachtig cent jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van vier september tweeduizend en drie uitgesproken door raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.