Hof van Cassatie - Arrest van 4 september 2003 (België)

Publicatie datum :
04-09-2003
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20030904-14
Rolnummer :
C010194N

Samenvatting

Wanneer bij een collectieve schuldenregeling hoger beroep wordt ingesteld door de schuldenaar die opkomt tegen de beslissing waarbij de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid wordt uitgesproken, moet de schuldbemiddelaar worden betrokken in de rechtspleging in hoger beroep (1). (1) E. Dirix, "Overzicht van rechtspraak Beslag en collectieve schuldenregeling 1997-2001" T.P.R. 2002, (1187) nr 197; zie F. De Patoul, "La rétractation et la révocation du jugement d'admissibilité" D.C.C.R. 1999, (285) 294-295.

Arrest

Nr. C.01.0194.N
L.A.
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
1. DEXIA BANK BELGIE, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Pachecolaan 44,
2. EUROPABANK, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Burgstraat 170,
verweersters,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
3. EULER COBAC BELGIUM, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Montoyerstraat 15,
verweerster,
4. FORTIS BANK, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3,
verweerster,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
5. CREDIMO, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1730 Asse, Weversstraat 6-10,
6. BANK BRUSSEL LAMBERT, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1050 Brussel, Marnixlaan 24,
7. BELGACOM, naamloze vennootschap naar publiek recht, met maatschappelijke zetel te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 27,
verweersters,
8. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op benaarstiging van de administratie der directe belastingen te Aalst I, met kantoor te 9300 Aalst, Vlaanderenstraat 1,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 januari 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.
Rechtspleging voor het Hof
Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd.
Middel
Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ;
de artikelen 15, 16, 17, 28, 31, 812, 1051, 1053, 1054, 1056, 1057 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek ;
de artikelen 1675/6, ,§2, 1657/7, 1675/9, ,§1, 1675/10, 1675/11, ,§1 en ,§2, 1675/12, 1675/14, 1675/15, ,§1, en 1675/17 van het Gerechtelijk Wetboek (ingevoegd bij artikel 2, ,§2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van in beslag benomen onroerende goederen).
Aangevochten beslissing
Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiser tegen de beschikking tot herroeping van de toelaatbaarheid van zijn vordering tot collectieve schuldenregeling ontoelaatbaar om de volgende redenen :
"De beschikking tot herroeping van de toelaatbaarheid, impliceert dat de aanstelling van de schuldbemiddelaar vervalt.
Ter zake werd echter hoger beroep ingesteld, zonder dat de schuldbemiddelaar in zake werd geroepen.
Op de ambtshalve opgeworpen exceptie van ontoelaatbaarheid van het hoger beroep, overeenkomstig art. 1053 Ger. W., heeft de appellant ter zitting van 23.01.2001 -op onze uitnodiging- verweer gevoerd.
Zijn stelling als dat de schuldbemiddelaar geen partij is in zake, kan niet bijgetreden worden.
Omwille van zijn taak de schuldenregeling te benaarstigen en ze op te volgen, moet de schuldbemiddelaar noodzakelijk in de procedure tot herroeping betrokken worden (wat daadwerkelijk het geval was voor de eerste rechter) en in hoger beroep betrokken blijven.
Het voren gestelde klemt des te meer nu het de schuldbemiddelaar is die instaat voor de publiciteit (de vermelding van de herroeping op het bericht van collectieve schuldenregeling) en hij derhalve noodzakelijk kennis moet hebben van de procedure en de beslissing.
Ter zake werd de schuldenaar (lees : schuldbemiddelaar) niet betrokken in de procedure in hoger beroep.
Onverminderd het gegeven dat het geschil onsplitsbaar is, dat de rechter -hoe dan ook- de tussenkomst niet kan bevelen, is inmiddels de bestreden beschikking in kracht van gewijsde. Derwijze was ook elke 'regularisering' van de procedure uitgesloten".
Grieven
1. Eerste onderdeel
Krachtens samenlezing van de bepalingen inzake het belang (artikel 17 Gerechtelijk Wetboek) en inzake het hoger beroep (de artikelen 1051, 1053, 1054, 1056 en 1057 Gerechtelijk Wetboek), is hoger beroep slechts toegelaten tegen een procespartij met wie de appellant in eerste aanleg een rechtsband had ; als dergelijke partij is te beschouwen degene die voor de eerste rechter tegenovergestelde belangen verdedigde.
Overeenkomstig artikel 1053 Gerechtelijk Wetboek, moet de appellant slechts in geval van onsplitsbaarheid van het geschil, op straffe van ontoelaatbaarheid van het hoger beroep, alle partijen met een strijdig belang maar ook de andere partijen in hoger beroep betrekken. Uit de samenlezing van de bepalingen inzake de onsplitsbaarheid (artikel 31 Gerechtelijk Wetboek) en inzake het hoger beroep (de artikelen 1051, 1053, 1054, 1056 en 1057 Gerechtelijk Wetboek), blijkt dat als dergelijke partijen in het onsplitsbaar geschil te beschouwen zijn degenen die een belang hebben bij de oplossing van het geschil, ongeacht of het gaat om een belang dat strijdig is of gelijklopend met dat van de appellant.
Uit de bepalingen inzake de tussenkomst (de artikelen 15, 16 en 812 Gerechtelijk Wetboek) blijkt eveneens dat de tussenkomende partij een belanghebbende partij moet zijn.
De schuldbemiddelaar, bedoeld in de bepalingen inzake collectieve schuldenregeling, is geen partij die als gedaagde, als tussenkomende partij of wegens onsplitsbaarheid in hoger beroep moet worden betrokken, op straffe van ontoelaatbaarheid van het hoger beroep. De schuldbemiddelaar heeft hiertoe niet het vereiste belang bij de oplossing van het geschil. Het geschil is weliswaar onsplitsbaar, maar alleen ten aanzien van de schuldeisers en niet ten aanzien van de schuldbemiddelaar.
De schuldbemiddelaar wordt integendeel, overeenkomstig de artikelen 1675/6, ,§2 en 1675/17, ,§1, ,§3 en ,§4, Gerechtelijk Wetboek, door de rechter aangesteld en moet overeenkomstig artikel 1675/17, ,§2, Gerechtelijk Wetboek, onafhankelijk en onpartijdig zijn. Overeenkomstig de artikelen 1675/10 en 1675/11, ,§1 en ,§2, Gerechtelijk Wetboek, moet hij een overeenkomst tussen schuldenaar en schuldeisers trachten te bewerkstelligen en hieromtrent verslag uitbrengen aan de rechter. Krachtens artikel 1675/14 Gerechtelijk Wetboek, staat hij ook in, voor de opvolging en de controle van de in de aanzuiveringsregeling bepaalde maatregelen.
De schuldbemiddelaar is in die hoedanigheid geen vertegenwoordiger, noch van de schuldeisers, noch van de schuldenaar, die trouwens, blijkens de artikelen 1675/7 en 1675/12 Gerechtelijk Wetboek niet buiten bezit wordt gesteld.
Uit artikel 1675/11, ,§2, Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat de griffier, nadat de schuldbemiddelaar het dossier van minnelijke aanzuiveringsregeling heeft neergelegd, de partijen en de schuldbemiddelaar bij gerechtsbrief oproept, blijkt daarenboven ook dat de schuldbemiddelaar moet onderscheiden worden van de partijen bij de collectieve schuldenregeling. De artikelen 1675/14, ,§2, en 1675/15, ,§1, Gerechtelijk Wetboek, die voorzien in de oproeping van de schuldenaar en de schuldeisers en niet in de oproeping van de schuldbemiddelaar, tonen eveneens het onderscheid tussen de schuldbemiddelaar en de partijen aan.
De omstandigheden dat de schuldbemiddelaar krachtens artikel 1675/9, ,§1, Gerechtelijk Wetboek kennis krijgt van de beschikking tot toelaatbaarheid, dat hij krachtens artikel 1675/11, ,§2, door de griffier wordt opgeroepen om verslag uit te brengen en dat hij overeenkomstig artikel 1675/14, ,§3, instaat voor de publiciteit door vermelding, op het bericht van collectieve schuldenregeling, van een aanzuiveringsregeling, van haar verwerping, van haar beëindiging of van haar herroeping, maakt van de schuldbemiddelaar geen partij die door de appellant, op straffe van ontoelaatbaarheid van zijn hoger beroep, in het geding in hoger beroep moet worden betrokken, noch als gedaagde, noch als tussenkomende partij, noch als partij in een onsplitsbaar geschil.
De omstandigheid dat de in eerste aanleg uitgesproken herroeping van de toelaatbaarheid tot gevolg heeft dat de aanstelling van de schuldbemiddelaar is vervallen, brengt evenmin de noodzaak met zich mee voor de appellant om de schuldbemiddelaar in de procedure in hoger beroep te betrekken. In geval van hervorming door de appèlrechter van de beschikking tot herroeping, herleeft immers de eerdere beschikking houdende toelaatbaarheid tot de collectieve schuldenregeling en houdende aanstelling van de schuldbemiddelaar of kan de appèlrechter minstens, krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep (artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek), opnieuw een schuldbemiddelaar aanstellen. Geen enkele wettelijke bepaling verzet er zich bovendien tegen dat de appèlrechter, krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep, zelf de schuldbemiddelaar laat oproepen om zijn standpunt te horen omtrent de reden van herroeping.
Hieruit volgt dat het bestreden arrest, door het hoger beroep van eiser tegen de beschikking tot herroeping van toelaatbaarheid van diens verzoek tot collectieve schuldenregeling ontoelaatbaar te verklaren omdat eiser de schuldbemiddelaar niet in de procedure van hoger beroep heeft betrokken, schending inhoudt van alle in het middel aangeduide wetsbepalingen.
2. Tweede onderdeel
Het bestreden arrest verwijst in zijn motieven niet alleen naar de -in het eerste onderdeel aangevochtenvaststellingen gesteund op de onsplitsbaarheid van het geschil ten aanzien van de schuldbemiddelaar en op de onmogelijkheid voor het hof van beroep om zelf de tussenkomst van de schuldbemiddelaar te bevelen, maar het arrest stelt ook dat de bestreden beschikking in kracht van gewijsde is gegaan en leidt hieruit af dat elke regularisering van de procedure was uitgesloten.
In zoverre het de vaststelling van het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking van de eerste rechter niet zou laten steunen op de - in het eerste onderdeel bestreden - overweging over de onsplitsbaarheid van het geschil en over de hieruit voortvloeiende verplichting voor eiser om de schuldbemiddelaar, binnen de termijn van hoger beroep, in het hoger beroep te betrekken of te laten tussenkomen, is het bestreden arrest onduidelijk gemotiveerd en laat het niet toe uit te maken om welke andere reden de bestreden beschikking in kracht van gewijsde zou zijn gegaan. Wegens deze onduidelijke motivering die niet toelaat de wettigheid ervan te toetsen, is het bestreden arrest onregelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet) en niet wettig verantwoord (schending van de artikelen 28, 1051 en 1053 van het Gerechtelijk Wetboek).
Beslissing van het Hof
Eerste onderdeel
Overwegende dat, krachtens artikel 1675/15 van het Gerechtelijk Wetboek, de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan worden uitgesproken door de rechter op verzoek van een belanghebbende schuldeiser ;
Dat tegen de herroeping hoger beroep mogelijk is door de partijen die voor de eerste rechter zijn verschenen ;
Overwegende dat, krachtens artikel 1675/7, ,§1, de beschikking van toelaatbaarheid een toestand van samenloop doet ontstaan tussen de schuldeisers en de opschorting van de loop van de interesten en de onbeschikbaarheid van het vermogen van de schuldenaar tot gevolg heeft ;
Dat alle goederen van de verzoeker op het ogenblik van de beschikking alsmede de goederen die hij later verkrijgt, tot voldoening van de schuldeisers in samenloop kunnen worden aangewend ;
Dat bij een collectieve schuldenregeling, de schuldbemiddelaar niet alleen toezicht uitoefent op de naleving van de bepalingen inzake de collectieve schuldenregeling, kennis neemt van de aangiften van schuldvordering en inlichtingen inwint, maar ook in belangrijke mate de boedel van de debiteur bestuurt en verbindt, inkomsten bestemd voor de schuldenaar ontvangt en goederen die voor beslag vatbaar zijn te gelde kan maken ;
Dat de boedel aldus in vergaande mate door de schuldbemiddelaar wordt bestuurd ;
Overwegende dat uit de aard zelf van de procedure blijkt dat wanneer hoger beroep wordt ingesteld door de schuldenaar die opkomt tegen een beslissing waarbij de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid wordt uitgesproken, de schuldbemiddelaar moet betrokken worden in de rechtspleging in hoger beroep ;
Dat zolang de schuldenaar zijn hoger beroep alleen richt tegen de schuldeisers zonder dat de schuldbemiddelaar in de zaak te betrekken, hij geen uitspraak over zijn hoger beroep kan verkrijgen ;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat de beslagrechter, geconfronteerd met het feit dat de schuldenaar een vermomde schenking had gedaan, bij beschikking van 30 mei 2000 "de schuldbemiddelaar en de schuldeisers heeft uitgenodigd stelling te nemen omtrent de herroeping van toelaatbaarheid", waarop verschillende schuldeisers de herroeping hebben gevorderd ;
Dat de appèlrechter vaststelt dat de schuldbemiddelaar niet betrokken is geweest in de procedure in hoger beroep en oordeelt dat hij hoe dan ook de tussenkomst van de schuldbemiddelaar niet kan bevelen ; dat hij het hoger beroep als ontoelaatbaar afwijst ;
Dat hij zodoende ongeacht de door hem gebruikte bewoordingen, de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen niet schendt ;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
Tweede onderdeel
Overwegende dat het onderdeel ondergeschikt wordt aangevoerd "in zoverre het arrest de vaststelling van het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking van de eerste rechter niet zou laten steunen op de overwegingen over de onsplitsbaarheid van het geschil" ;
Dat de bedoelde overwegingen op die onsplitsbaarheid gestoeld zijn ;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
De kosten begroot op de som van achthonderd zesennegentig euro drieënzeventig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en drie euro vierentachtig cent jegens de verwerende partij sub 1, 2 en 4 en op de som van honderd en drie euro vierentachtig cent jegens de verwerende partij sub 8.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van vier september tweeduizend en drie uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.