Hof van Cassatie - Arrest van 7 oktober 2003 (België)

Publicatie datum :
07-10-2003
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20031007-8
Rolnummer :
P030260N

Samenvatting

Geen substantiële pleegvorm is opgelegd voor het kenbaar maken van de herstelvordering; de strafrechter kan die vordering toekennen mits het bestuur duidelijk zijn wil en de redenen ervan heeft te kennen gegeven en de betrokkene daarover tegenspraak heeft kunnen voeren; het middel dat alleen de regelmatigheid van de tussenkomst van het bestuur in de rechtspleging aanvecht, is aldus, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk (1). (1) Cass., 29 okt. 1996, AR nr P.96.0336.N, nr 406.

Arrest

Nr. P.03.0260.N
1. S. A.,
2. C. B.,
eisers, beklaagden,
met als raadsman Mr. Antoon Lust, advocaat bij de balie te Brugge,
tegen
GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie West-Vlaanderen, in naam van het Vlaamse Gewest, met kantoren gevestigd te Brugge, Werkhuisstraat 9,
verweerder, vrijwillig tussenkomende partij,
met als raadsman Mr. Veerle Tollenaere, advocaat bij de balie te Gent,
ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Filip Van Acker, advocaat bij de balie te Gent, voor Veerle Tollenaere, advocaat bij de balie te Gent.
I. Bestreden beslissing
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 17 januari 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
De eisers stellen in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
IV. Beslissing van het Hof
A. Onderzoek van de middelen
1. Eerste middel
1.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat voor het kenbaar maken van de herstelvordering geen substantiële pleegvorm is opgelegd;
dat de strafrechter die vordering kan toekennen mits het bestuur duidelijk zijn wil en de redenen ervan heeft te kennen gegeven en de betrokkene daarover tegenspraak heeft kunnen voeren;
Dat het onderdeel dat alleen de regelmatigheid van de tussenkomst van het bestuur in de rechtspleging aanvecht, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is;
Overwegende dat de opgeworpen prejudiciële vraag geen verband houdt met de grond van niet-ontvankelijkheid zodat zij niet hoeft te worden gesteld;
1.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat de herstelvordering, ongeacht de wijze van herstel, éénzelfde vordering is, die ertoe strekt de gevolgen van het stedenbouwkundige misdrijf te doen ophouden, en die samen met de strafvordering voor de rechter aanhangig wordt gemaakt;
Dat deze herstelvordering bestaat zodra het bevoegde bestuur ze heeft ingesteld en dat ze blijft bestaan zolang de strafrechter daarover geen uitspraak heeft gedaan;
Dat niets eraan in de weg staat dat deze vordering in de loop van het geding wordt gewijzigd, zelfs voor het eerst in hoger beroep;
Overwegende dat de omstandigheid dat de herstelvordering in voorkomend geval voor het eerst in hoger beroep bij wijze van een onregelmatige tussenkomst in het geding zou zijn gewijzigd, aan haar rechtsgeldigheid niet afdoet en de rechter niet kan beletten erover uitspraak te doen;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
2. Tweede middel
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de eisers hebben aangevoerd dat de door de appèlrechters onwettig verklaarde regularisatiebeslissing het gevolg was van een gewijzigde decretale context;
Dat het middel nieuw is, mitsdien niet ontvankelijk;
B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt de cassatieberoepen;
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van zevenennegentig euro achten-tachtig cent verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt en uitgesproken in openbare terechtzitting van zeven oktober tweeduizend en drie, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.