Hof van Cassatie - Arrest van 8 september 2003 (België)

Publicatie datum :
08-09-2003
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20030908-5
Rolnummer :
S030019N

Samenvatting

Bij het beoordelen van geschillen over de rechten ten aanzien van mindervaliden kunnen de arbeidsrechtbanken kennis nemen van aanspraken gegrond zowel op feiten die zich na de ministeriële beslissing hebben voorgedaan als op de feiten die de minister bij het nemen van een herzieningsbeslissing buiten beschouwing laat, zoals een wijziging van de gezondheidstoestand van de mindervalide (1). (1) Cass., 30 okt. 2000, AR S.00.0026.N, nr 588.

Arrest

Nr. S.03.0019.N.-
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Maatschap-pelijke Integratie, Bestuursdirectie van de Uitkeringen aan Gehandicapten, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Zwarte Lievevrouwstraat 3c,
eiser,
vertegenwoordigd door Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
J.M.L.
verweerster.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 december 2002 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd.
III. Middelen
Eiser voert in zijn verzoekschrift één middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 582, 1°, zoals gewijzigd door de wet van 19 april 1999, en 807 van het Gerechtelijk Wetboek ;
- de artikelen 2, ,§ 2, 8, ,§ 1 in het bijzonder eerste lid, en laatste lid, en 10 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten (B.S., 1 april 1987, en B.S., 6 augustus 1987, hierna afgekort : de wet van 27 februari 1987) ;
- de artikelen 16, 20 en 22, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming (B.S., 8 juli 1987, err., B.S. 6 augustus 1987, hierna afgekort : het koninklijk besluit van 6 juli 1987).
Aangevochten beslissing
Het bestreden arrest oordeelt, met bevestiging van het eerste vonnis, dat de arbeidsgerechten kennis kunnen nemen van een wijziging van de gezondheidstoestand en bijgevolg een expert kunnen gelasten met een medisch onderzoek naar de zelfredzaamheid van verweerster, ook al betrof de door verweerster bestreden beslissing een louter administratieve herzienings-beslissing ingevolge een wijziging van de inkomsten van verweerster, zonder dat bij die bestreden beslissing een medische beslissing door eiser ten aanzien van verweerster werd getroffen.
Het bestreden arrest steunt dit oordeel op volgende gronden :
"2.
Strijdig met hetgeen (eiser) voorhoudt kon (verweerster) met toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek wel degelijk haar vordering voor de rechter uitbreiden tot aanspraken die buiten het voorwerp van de ministeriële beslissing vallen of haar vordering wijzigen in aanspraken die aan het bestuur niet zijn voorgelegd in casu de verslechtering van haar gezondheidstoestand.
Immers artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd door de wet van 19 april 1999 bepaalt dat de arbeidsgerechten kennis nemen van de geschillen over de rechten ten aanzien van tegemoetkomingen voor mindervaliden.
Artikel 19, eerste lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten bepaalt dat die bevoegdheid de geschillen betreft over de rechten die uit deze wet zijn ontstaan" (arrest, p. 7).
"De geschillen die krachtens die bepalingen aan de arbeidsgerechten kunnen worden voorgelegd zijn niet beperkt tot de aanspraken op tegemoetkomingen bedoeld in artikel 8 van de voormelde wet van 27 februari 1987 waarover de minister met toepassing van artikel 10 van die wet heeft beslist of had moeten beslissen".
"De arbeidsgerechten kunnen bij het beoordelen van die geschillen kennis nemen van aanspraken gegrond op feiten die zich na de beslissing van de minister hebben voorgedaan zoals een wijziging van de gezondheidstoestand van de mindervalide.
Nu de band tussen bestuurlijke en gerechtelijk behandeling van de aanvragen om tegemoetkomingen verbroken is door de wijziging van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, doen de bepalingen van de artikelen 33, 34, 35, 37 en 38 van het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden die de bestuurlijke behandeling van de aanvragen betreffen, aan het vorenstaande niet af.
3.
Ten onrechte werpt (eiser) op dat het cassatiearrest van 30 oktober 2000 inzake De Belgische Staat / D.C.
(S.00.0026.N.) gepubliceerd in de Soc. Kron. ; 2001, 02/Editions Kluwer, p. 69 niet relevant is voor huidige betwisting nu het door het Hof van Cassatie beoordeelde geval een medisch beroep betrof tegen een medisch administratieve beslissing daar waar het in casu gaat over een medisch beroep tegen een ambtshalve administratieve herzieningsbeslissing.
Het (arbeidshof) is van oordeel dat de overwegingen van het Hof van Cassatie in voormeld arrest in algemene termen zijn opgesteld die perfect kunnen gelden voor huidige zaak".
"Bovendien merkt het (arbeidshof) op dat het Hof van Cassatie hetzelfde standpunt heeft ingenomen in een arrest van 11 december 2000 inzake B.S. t/ L.M.J. (S.00.0005.N) gepubliceerd in de Soc. Kron., 2001, 06/Editions Kluwer, p. 319 waar de te beoordelen zaak een medische beslissing betrof die door de mindervalide werd aangevochten wegens een wijziging in de gezinstoestand na de medische beslissing. In deze zaak betrof het dus zeker geen evolutie in de medische toestand.
Tenslotte verwijst het (arbeidshof) naar de uiteenzetting van J. Maes in het R.W. 2000-2001 nr. 19, dd. 6 januari 2001, blz. 713 genaamd "Recente rechtspraak betreffende gehandicapten" waar deze op blz.
715 het arrest van het Hof van Cassatie van 30 oktober 2000 voormeld becommentarieert als volgt : "Dit (= het arrest) laat aan duidelijkheid niet te wensen over : ook de rechtspraak die meende dat een 'medisch' beroep tegen een 'administratieve' herziening niet mogelijk was, moet m.i. tot het verleden behoren op basis van de overwegingen die het Hof van Cassatie gebruikt m.b.t. het verbreken van de band tussen bestuurlijke en gerechtelijke behandeling".
Grieven
Eerste onderdeel
Overeenkomstig artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.
Deze bepaling van "hoofdstuk I Tussenvorderingen" van "Titel III Tussengeschillen en bewijs" van het Gerechtelijk Wetboek regelt de voorwaarden waaronder een partij haar vordering kan uitbreiden of wijzigen.
In casu strekte de oorspronkelijke vordering van verweerster ertoe een hogere integratietegemoetkoming om medische redenen te bekomen, zonder dat hierbij evenwel sprake was van een "uitbreiding of wijziging van een eis" in de loop van het geding.
Het bestreden arrest, inzoverre het oordeelt dat verweerster "met toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek wel degelijk haar vordering voor de rechter kan uitbreiden tot aanspraken die buiten het voorwerp van de ministeriële beslissing vallen of haar vordering wijzigen in aanspraken die aan het bestuur niet zijn voorgelegd, in casu de verslechtering van haar gezondheidstoestand", en op die grond aanvaardt dat verweerster een zuiver administratieve beslissing mag aanvechten op medische gronden, maakt bijgevolg van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek een onjuiste toepassing (schending van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek).
Tweede onderdeel
Sinds de wijziging van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek wordt aanvaard dat een gehandicapte zijn vordering voor de rechter kan uitbreiden tot aanspraken die buiten het voorwerp van de ministeriële beslissing vallen of zijn vordering kan wijzigen in aanspraken die aan het bestuur niet zijn voorgelegd.
Hoewel Uw Hof aldus sinds het arrest Belgische Staat / Deloof van 30 oktober 2000 (A.C., 2000, 1686) heeft geoordeeld dat de band tussen bestuurlijke en gerechtelijke behandeling van de aanvragen om tegemoetkomingen is verbroken door de wijziging van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, is eiser van oordeel dat deze rechtspraak geen toepassing kan vinden wanneer een zuiver administratieve herzieningsbeslissing voorligt waarbij geen medische beslissing getroffen werd en die door de gehandicapte enkel op een medisch aspect bestreden wordt.
De wetswijziging van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek vermag immers geen afbreuk te doen aan de artikelen 8 en 10 van de wet van 27 februari 1987, die ongewijzigd blijven gelden. Krachtens deze bepalingen worden de tegemoetkomingen toegekend op aanvraag (artikel 8) en is het de minister of de door hem gemachtigde ambtenaren die beslissen over de aanvragen om tegemoetkomingen (artikel 10, eerste lid).
Zij kunnen de toegekende tegemoetkomingen ambtshalve of op aanvraag van de gehandicapten herzien (artikel 10, tweede lid). Wanneer zich volgens de aanvrager wijzigingen voordoen welke de toepassing of verhoging van de tegemoetkomingen rechtvaardigen, mag de aanvrager een nieuwe aanvraag indienen (artikel 8, ,§ 1, in fine). De herziening wordt onderzocht overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 8 tot 10, 14, laatste zin, 14bis, 14ter, 16, 17 en 18 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 (artikel 22, eerste lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987).
Wanneer de gehandicapte zich niet langer kan verzoenen met de hem toegekende medische categorie, dient hij bijgevolg een medische herzieningsaanvraag in te dienen op de wijze zoals voorzien bij de artikelen 12 en 13 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 (artikel 8, ,§ 1, in fine Wet 27 juli 1987, artikel 20 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987). Vervolgens zal hij door een geneesheer van de Medische Dienst van eiser onderzocht worden met het oog op het vaststellen van het gebrek aan of vermindering van zijn zelfredzaamheid (artikel 16 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987).
Krachtens artikel 22, tweede lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 wordt niet tot een nieuw medisch onderzoek overgegaan wanneer de herziening geen betrekking heeft op de beoordeling van het verdienvermogen of van de graad van zelfredzaamheid.
In casu blijkt uit de vaststellingen van het arrest dat de door verweerster bestreden beslissing een zuiver ambtshalve herziening betrof die louter betrekking had op een wijziging van de inkomsten van verweerster.
Conform voormeld artikel 22, tweede lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 werd er bijgevolg niet tot een nieuw medisch onderzoek overgegaan, doch enkel verwezen, bij wijze van motivering, naar het oude medisch onderzoek op grond waarvan gebleken was dat verweerster recht had op een integratietegemoetkoming categorie I.
Het arrest dat oordeelt dat verweerster het medisch aspect van de beslissing in rechte op grond van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek kan aanvechten, hoewel de beslissing van zuiver administratieve aard was, miskent al de in het middel aangehaalde wetsbepalingen inzake de toekenning van hogere tegemoetkomingen door de minister op medische gronden, na aanvraag daartoe vanwege de gehandicapte.
IV. Beslissing van het Hof
1. Tweede onderdeel
Overwegende dat de arbeidsgerechten, krachtens artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd door de wet van 19 april 1999, kennis nemen van de geschillen over de rechten ten aanzien van tegemoetkomingen voor mindervaliden ;
Dat artikel 19, eerste lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, bepaalt dat die bevoegdheid de geschillen betreft over de rechten die uit deze wet zijn ontstaan ;
Overwegende dat de geschillen die krachtens die bepalingen aan de arbeidsgerechten kunnen worden voorgelegd niet beperkt zijn tot de aanspraken op tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 8 van de voormelde wet van 27 februari 1987, waarover de minister met toepassing van artikel 10 van die wet heeft beslist of had moeten beslissen, of tot de redenen op grond waarvan een herziening van het recht op tegemoetkoming werd aangevraagd of ambtshalve tot zulke herziening is overgegaan ;
Dat de arbeidsgerechten bij het beoordelen van die geschillen kennis kunnen nemen van aanspraken, gegrond zowel op feiten die zich na de beslissing van de minister hebben voorgedaan als op feiten die de minister bij het nemen van een herzieningsbeslissing buiten beschouwing laat, zoals een wijziging van de gezondheidstoestand van de mindervalide ;
Overwegende dat, nu de band tussen de bestuurlijke en de gerechtelijke behandeling van de aanvragen om tegemoetkoming en de herzieningen verbroken is door de wijziging van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, de bepalingen van de voormelde artikelen 8 en 10 van de wet van 27 februari 1987, die de bestuurlijke behandeling van die aanvragen betreffen, en van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 die de bestuurlijke behandeling van de herziening betreffen, aan het vorenstaande niet afdoen ;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
2. Eerste onderdeel
Overwegende dat het onderdeel opkomt tegen een reden die de beslissing niet draagt en bijgevolg ten overvloede is gegeven ;
Dat het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
De kosten begroot op de som van eenenzestig euro achttien cent jegens de eisende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van acht september tweeduizend en drie uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Lisette De Prins.