Hof van Cassatie - Arrest van 9 maart 2010 (België)

Publicatie datum :
09-03-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100309-2
Rolnummer :
P.09.1871.N

Samenvatting

Wanneer een zaak, waarin vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 de bijzondere opsporingsmethode van observatie werd toegepast, met toepassing van artikel 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering voor de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig wordt gemaakt, moet deze haar controle uitoefenen teneinde na te gaan of die bijzondere opsporingsmethode is uitgevoerd met voorafgaande machtiging van de rechterlijke overheid en onder haar toezicht en of de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht zijn genomen; zij kan dit enkel doen met de gegevens die toen wettelijk voorhanden waren (1). (1) Cass., 10 maart 2009, AR P.09.0061.N, A.C., 2009, nr ...; Zie: Cass., 28 okt. 2008, AR P.08.0706.N, A.C., 2008, nr 587; Cass., 31 maart 2009, AR P.09.0159.N (onuitgegeven); Cass., 20 okt. 2009, AR P.09.1379.N (onuitgegeven).

Arrest

Nr. P.09.1871.N

P. C. A. S., .

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadslieden mr. Hans Rieder en Joris Van Cauter, advocaten bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 19 november 2009 op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 31 maart 2009.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering: het arrest doet de controle van de bijzondere opsporingsmethode observatie aan de hand van het strafdossier; de controle met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering kan enkel op grond van het vertrouwelijke dossier geschieden.

2. In zijn arrest 98/2008 van 3 juli 2008 oordeelt het Grondwettelijk Hof dat het feit dat de wet niet voorziet in een mogelijkheid van controle door de kamer van inbeschuldigingstelling van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie aangewend vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 waarbij de artikelen 47ter en volgende Wetboek van Strafvordering zijn ingevoerd, voor de uitoefening van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijk proces discriminerend is. Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat aan deze ongrondwettigheid kan worden geremedieerd door de toepassing van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering vermits de wet van 27 december 2005 een rechter heeft aangewezen die in vergelijkbare omstandigheden bevoegd is.

3. Hieruit volgt dat wanneer een zaak waarin vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 een bijzondere opsporingsmethode observatie werd toegepast, met toepassing van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering voor de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig wordt gemaakt, deze haar controle moet uitoefenen teneinde na te gaan of die bijzondere opsporingsmethode is uitgevoerd met voorafgaande machtiging van de rechterlijke overheid en onder haar toezicht en of de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht zijn genomen. Zij kan dit enkel doen met de gegevens die toen wettelijk voorhanden waren.

Vermits de wet toen niet voorzag in het samenstellen van een vertrouwelijk dossier als bedoeld in artikel 47septies, § 1, Wetboek van Strafvordering, kan de kamer van inbeschuldigingstelling haar controle enkel uitoefenen aan de hand van de beschikbare stukken.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de artikelen 10 en 11 Grondwet alsmede miskenning van het recht van verdediging: de kamer van inbeschuldigingstelling heeft in een niet tegensprekelijke procedure aan de hand van het niet vertrouwelijke dossier uitspraak gedaan over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode; hierdoor is eisers recht van verdediging miskend.

Het onderdeel verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 235ter Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet gelezen in samenhang met artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR voor zover het ten aanzien van personen die het voorwerp zijn van de bijzondere opsporingsmethode observatie waaromtrent geen vertrouwelijk dossier werd opgesteld, de kamer van inbeschuldigingstelling verplicht voorafgaand aan het debat ten gronde op definitieve wijze uitspraak te doen over de aangewende bijzondere opsporingsmethoden zodat zij wordt verplicht om hieromtrent standpunt in te nemen in een uitzonderingsprocedure, in een niet tegensprekelijk debat, in afwezigheid van de burgerlijke partijen, zonder het tegensprekelijk horen van getuigen, terwijl een andere categorie van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden omdat zij het voorwerp uitmaken van een ingrijpende schending van hun privé-leven, zoals die zich voordoet bij een beschikking tot huiszoeking, een beschikking tot telefoontap of een niet-stelselmatige observatie waarin evenmin een vertrouwelijk dossier wordt opgesteld, wel worden toegelaten om in een tegensprekelijk debat in aanwezigheid van alle procespartijen aan de hand van alle stukken van het strafdossier met de nodige tijd en faciliteiten en met tegensprekelijk horen van getuigen, hiervan de regelmatigheid te betwisten?"

5. Wanneer de bijzondere opsporingsmethode observatie is uitgevoerd vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003, en de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering haar controle uitvoert, gaat zij enkel na of die bijzondere opsporingsmethode is uitgevoerd met voorafgaande machtiging van de rechterlijke overheid en onder haar toezicht en of de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht zijn genomen.

Die controle is daartoe beperkt en heeft niet dezelfde draagwijdte als het onderzoek uitgevoerd met toepassing van de artikelen 135bis, § 2, en 235bis van hetzelfde wetboek of uitgevoerd door de feitenrechter en die de regelmatigheid van een onderzoekshandeling in haar geheel beoogt. In dat geval kan dit onderzoek zowel de bijzondere opsporingsmethode observatie als alle andere onderzoekshandelingen betreffen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

6. Die beperkte controle uitgevoerd met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering belet de eiser niet om in een later stadium van de rechtspleging in een tegensprekelijk debat de regelmatigheid van de onderzoekshandeling observatie in haar geheel te laten onderzoeken. Bijgevolg is eisers recht van verdediging niet miskend.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

7. De prejudiciële vraag gaat volledig uit van de hierboven onjuist bevonden rechtsopvatting dat de beperkte controle ex artikel 235ter Wetboek van Strafvordering dezelfde draagwijdte heeft als het onderzoek van de regelmatigheid van een onderzoekshandeling in haar geheel.

Ambtshalve onderzoek

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Begroot de kosten op 85,34 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 9 maart 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.