Europees Hof voor de Rechten van de Mens - Arrest van 13 january 2005 (Europa)

Publicatie datum :
13-01-2005
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
9 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20050113-11
Rolnummer :
42.914/98

Samenvatting

Veroordelend arrest Schending van artikel 6, tweede lid - Vermoeden van onschuld - O.g.v. wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis moet verzoeker, in geval van buitenvervolgingstelling, bewijs van onschuld leveren Geen toetsing van de grief aan artikel 14 vereist want zelfde grief als ontleend aan artikel 6, tweede lid Geen billijke genoegdoening gevraagd

Arrest

EERSTE AFDELING

ZAAK CAPEAU v. BELGIE

(Verzoekschrift nr. 42914/98)

ARREST

STRAATSBURG

13 januari 2005

DEFINITIEF

06/06/2005

Dit arrest wordt definitief volgens de voorwaarden van artikel 44 § 2 van het Verdrag. Het kan vormverbeteringen ondergaan.

In de zaak Capeau v. België,

Het Europees Hof van de Rechten van de Mens (eerste afdeling), zetelend in een kamer bestaande uit:

Heren C.L. ROZAKIS, voorzitter,

L. LOUCAIDES,

Mevrouw F. TULKENS,

Heren A. KOVLER,

K. HAJIYEV,

D. SPIELMANN,

S.E. JEBENS, rechters,

en van de Heer S. NIELSEN, griffier van de afdeling,

Na deliberatie in de raadkamer op 9 december 2004,

Spreekt volgend arrest uit, aangenomen op de laatst vermelde datum:

RECHTSPLEGING

1. Aan de oorsprong van de zaak ligt een verzoekschrift (nr. 42914/98) gericht tegen het Koninkrijk België, waarbij een onderdaan van deze staat, Dhr.Wim Capeau (« de verzoeker »), de zaak aanhangig heeft gemaakt bij de Europese Commissie van de Rechten van de Mens (« de Commissie ») op 29 mei 1998 krachtens het oude artikel 25 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (« het Verdrag »).

2. De verzoeker wordt vertegenwoordigd door Me N. Van Overloop, advocaat te Gent. De Belgische regering (« de regering ») is vertegenwoordigd door haar agent, Dhr. V. Debrulle, directeur-generaal bij de Federale Overheidsdienst Justitie.

3. De verzoeker klaagde over de schending van de artikelen 5 § 1 c), 6 § 2 en 14 van het Verdrag en oordeelde dat de wettelijke eis dat hij gegevens in feite of in rechte moet voorleggen waaruit zijn onschuld blijkt, indruist tegen het vermoeden van onschuld.

4. Het verzoekschrift werd overgemaakt aan het Hof op 1 november 1998, datum van invoegetreding van het Protocol nr. 11 bij het Verdrag (artikel 5 § 2 van het Protocol nr. 11).

5. Het verzoekschrift werd toegewezen aan de eerste afdeling van het Hof (artikel 52 § 1 van het reglement). Binnen deze afdeling werd de kamer die belast is met het onderzoek van de zaak (artikel 27 § 1 van het Verdrag) samengesteld in overeenstemming met artikel 26 § 1 van het reglement.

6. Bij beslissing van 6 april 2004 verklaarde het Hof het verzoekschrift gedeeltelijk ontvankelijk.

7. De Regering heeft schriftelijke opmerkingen ten gronde neergelegd (artikel 59 § 1 van het reglement). De verzoeker heeft geen opmerkingen neergelegd binnen de opgelegde termijn.

IN FEITE

I. DE OMSTANDIGHEDEN VAN DE ZAAK

8. De verzoeker is geboren in 1967 en verblijft in Gent.

9. Op 29 maart 1994 werd verzoeker aangehouden in het kader van een onderzoek naar een brandstichting in een gebouw, de feiten dateren van 25 mei 1993.

10. Op 1 april 1994 weigerde de raadkamer van de correctionele rechtbank van Gent om het aanhoudingsmandaat te verlengen. De procureur des Konings tekende beroep aan, waarna de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep van Gent de beslissing herzag en de voorlopige hechtenis van de verzoeker verlengde.

11. Op 21 april 1994 sprak de onderzoeksrechter de opheffing van het aanhoudingsmandaat in kwestie uit.

12. Op respectief 29 juni 1994 en 2 juni 1995 oordeelden de raadkamer en vervolgens de kamer van inbeschuldigingstelling die zich moesten uitspreken over het vervolg van het onderzoek, dat er onvoldoende bewijzen waren om de verzoeker naar een vonnisrechter te verwijzen en hebben de buitenvervolgingstelling bevolen.

13. Op 25 oktober 1996 diende de verzoeker een vordering tot vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis in, gebaseerd op de wet van 13 maart 1973 (zie het relevante interne recht verder).

14. Op 12 mei 1997 verwierp de minister van Justitie de vordering van de verzoeker en oordeelde dat deze ‘niet bewezen heeft dat er gegevens in feite of in rechte aanwezig zijn waaruit zijn onschuld blijkt', zoals artikel 28 § 1b van de wet van 1973 wil. Volgens de minister zou dergelijke eis verantwoord zijn in het geval van een beschikking of een arrest van buitenvervolgingstelling, omdat een buitenvervolgingstelling niet verhindert dat het dossier opnieuw wordt geopend indien er nieuwe gegevens of ontwikkelingen zijn.

15. Op 4 juli 1997 vocht de verzoeker de beslissing van de minister voor de beroepscommissie voor onwerkzame voorlopige hechtenis aan.

16. Op 1 december 1997 verscheen de verzoeker voor deze commissie. Bij beslissing van diezelfde dag, betekend op 29 maart 1998 bevestigde deze de afwijzing van het verzoek. Ze merkte op dat de vermoedens van schuld die op de verzoeker wogen, die de feiten die ten zijne lasten werden gelegd, steeds erkend heeft bij zijn verschijning voor het onderzoeksgerecht onvoldoende werden bevonden om hem door te verwijzen naar een feitenrechter. De commissie merkt op dat de verzoeker, ondanks het feit dat hij een nota had aangekondigd met de gegevens van het dossier die zijn onschuld ‘in overvloed' aantoonden, in gebreke bleef en geen repliek op de memorie van de Regering had voorgesteld. Ze stelde bijgevolg vast dat verzoeker derhalve het bij de wet van hem vereiste bewijs van onschuld niet levert.

II. HET RELEVANTE INTERNE RECHT

17. Ten tijde van de feiten luidden de relevante bepalingen van de wet van 13 maart 1973 op de schadevergoeding bij onwerkzame voorlopige hechtenis als volgt:

Artikel 27

« § 1. Een recht op vergoeding wordt toegekend aan elke persoon die beroofd werd van zijn vrijheid in omstandigheden die strijdig zijn met de bepalingen van artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 18 mei 1955.

§ 2. De vordering wordt ingesteld bij de gewone gerechten, in de vormen bepaald door het Gerechtelijk Wetboek, en gericht tegen de Belgische Staat in de persoon van de Minister van Justitie. »

Artikel 28

« § 1. Mag aanspraak maken op een vergoeding, elke persoon die in voorlopige hechtenis werd genomen gedurende meer dan acht dagen, zonder dat deze hechtenis of de handhaving ervan te wijten is aan zijn persoonlijke gedraging :

a) indien hij bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing rechtstreeks of onrechtstreeks buiten de zaak is gesteld;

b) indien hij, na een beschikking of een arrest van buitenvervolgingstelling te hebben bekomen, het bewijs levert dat er gegevens in feite of in rechte aanwezig zijn waaruit zijn onschuld blijkt;

c) indien hij aangehouden werd of in hechtenis gebleven is nadat de strafvordering was verjaard;

d) indien hij een beschikking of een arrest van buitenvervolgingstelling heeft bekomen waarbij uitdrukkelijk is vastgesteld dat het feit dat tot de voorlopige hechtenis aanleiding heeft gegeven, geen misdrijf is.

§ 2. Het bedrag van deze vergoeding wordt vastgesteld naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en privaat belang.

§ 3. Indien betrokkene geen vordering tot schadevergoeding voor de gewone gerechten kan instellen, moet de vergoeding worden gevraagd bij een verzoekschrift gericht aan de Minister van Justitie, die binnen zes maanden beslist.

De vergoeding wordt door de Minister van Justitie te laste van de Schatkist toegekend indien de voorwaarden, bepaald in § 1 vervuld zijn.

Indien de vergoeding geweigerd wordt, indien het bedrag ervan onvoldoende geacht wordt of indien de Minister van Justitie niet binnen zes maanden na het verzoek beslist, kan de betrokkene zich wenden tot de commissie, ingesteld overeenkomstig § 4.

In geval van gerechtelijke vervolgingen wegens een van de misdrijven omschreven in de artikelen 147, 155 en 156 van het Strafwetboek en die bedreven zijn ten nadele van de betrokkene, begint de termijn van zes maanden, waarvan sprake in het vorige lid, slechts te lopen vanaf de dag waarop uitspraak is gedaan over de strafvordering door een in kracht van gewijsde gegane beslissing.

§ 4. Er wordt een commissie ingesteld die uitspraak doet over de beroepen tegen de beslissingen door de Minister van Justitie genomen of over de ingediende aanvragen wanneer de Minister geen uitspraak gedaan heeft in de voorwaarden, bepaald in § 3.

Deze commissie bestaat uit de eerste voorzitter van het Hof van cassatie, de eerste voorzitter van de Raad van State, de deken van de Nationale Orde van advocaten, of, bij verhindering, de voorzitter van het Hof van cassatie, de voorzitter van de Raad van State, de vice-deken van de Nationale Orde van advocaten.

Het ambt van secretaris wordt uitgeoefend door een of meer leden van de griffie van het Hof van cassatie, aangewezen door de eerste voorzitter.

De Koning regelt de werking van de commissie.

§ 5. De beroepen en de verzoeken bestaan uit een verzoekschrift in twee exemplaren, getekend door de partij of zijn advocaat en neergelegd ter griffie van het Hof van cassatie, binnen de zestig dagen na de beslissing van de Minister of na het verloop van de termijn waarin hij uitspraak had moeten doen.

De Koning regelt de procedure voor de commissie, die zitting houdt met gesloten deuren.

Zij doet uitspraak op het ter zitting door de procureur-generaal bij het Hof van cassatie gegeven advies, na de partijen in hun middelen te hebben gehoord.

Haar beslissingen worden in openbare zitting gewezen. Deze zijn niet vatbaar voor enig verhaal.

Op verzoek van de belanghebbenden wordt de beslissing van de commissie bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, zonder dat dit uittreksel het bedrag van de toegekende vergoeding mag vermelden. De kosten van de bekendmaking komen ten laste van de Schatkist. »

IN RECHTE

I. TEN AANZIEN VAN DE BEWEERDE SCHENDING VAN ARTIKEL 6 § 2 VAN HET VERDRAG

18. De verzoeker klaagt het feit aan dat zijn vordering tot schadevergoeding werd verworpen omdat hij niet het bewijs levert dat er gegevens in feite of in rechte aanwezig zijn waaruit zijn onschuld blijkt. Hij interpreteert dit als een schending van artikel 6 § 2 van het Verdrag, dat als volgt luidt:

« Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt. »

19. De Regering verwijst naar de rechtspraak van het Hof. De beslissing van buitenvervolgingstelling die in de zaak van de verzoeker werd genomen, had tot gevolg dat het onderzoek opnieuw kon worden geopend indien er nieuwe gegevens waren. De commissie waarbij de verzoeker de vordering voor schadevergoeding had ingediend, zou hebben gewezen op het feit dat de betrokkene het bedrag van de gevraagde schadevergoeding niet had verduidelijkt en nagelaten had om de gegevens van het dossier die zijn onschuld aantoonden, mee te delen, in tegenstelling tot dat wat hij had aangekondigd. Verder had de verzoeker de memorie van de minister van Justitie niet beantwoord. De verzoeker zou dus noch geprobeerd hebben om het gevraagde bewijs te leveren, noch verduidelijkingen hebben aangevoerd die de commissie desgevallend zouden hebben toegelaten om zijn zogeheten schade billijk te beoordelen. De commissie heeft moeten vaststellen dat de verzoeker het bewijs van zijn onschuld niet bracht. Hiermee zou ze een aanhoudende staat van verdenking hebben beschreven, die geen enkele vaststelling van schuld inhoudt.

20. Voor de verzoeker is er schending van artikel 6 § 2 van het Verdrag wanneer de betrokkene geen vergoeding voor de voorlopige hechtenis krijgt die hij heeft ondergaan op basis van een motivatie die de schuld van de verzoeker impliceert, terwijl deze niet formeel werd aangetoond en de betrokkene de kans niet heeft gehad om de waarborgen van artikel 6 van het Verdrag uit te oefenen. De motivatie van de beslissingen van de minister van Justitie en vervolgens van de beroepscommissie zouden geen enkele twijfel laten over het feit dat de vordering van de verzoeker werd verworpen omwille van zijn veronderstelde schuld. De gebruikte formules zouden veel verder gaan dan gewone verdenkingen of vermoedens. Het feit, zoals artikel 28 § 1 b) van de wet van 1973, vereist dat men het bewijs van zijn onschuld moet aanvoeren, zou een vermoeden van schuld vormen die niet compatibel is met artikel 6 § 2 van het Verdrag. Kortom, deze bepaling zou in deze zaak geschonden zijn.

21. Het Hof herinnert eraan dat het Verdrag moet worden geïnterpreteerd ter waarborg van concrete en daadwerkelijke rechten en niet van theoretische en illusoire rechten (zie onder andere de arresten Artico v. Italië van 13 mei 1980, reeks A nr.37, p. 16, § 33, Soering v. Verenigd Koninkrijk van 7 juli 1989, reeks A nr. 161, pp. 34, 87, en Cruz Varas en andere v. Zweden van 20 maart 1991, reeks A nr. 201, p. 36, § 99), ook voor het recht dat wordt verzekerd door artikel 6 § 2 (Allenet de Ribemont v. Frankrijk, arrest van 10 februari 1995, reeks A nr.308, § 35).

22. Volgens de rechtspraak van het Hof wordt het vermoeden van onschuld miskend indien een gerechtelijke beslissing betreffende een verdachte het gevoel weerspiegelt dat hij schuldig is, terwijl zijn schuld voordien niet wettelijk werd aangetoond. Bij gebrek aan formele vaststelling volstaat een motivatie die laat denken dat de rechter de betrokkene schuldig acht. Het toepassingsdomein van artikel 6 § 2 beperkt zich dus niet tot de hangende strafrechtsplegingen, maar reikt tot de gerechtelijke beslissingen die genomen werden na de stopzetting van de vervolgingen (zie meer bepaald de arresten Minelli v. Zwitserland van 25 maart 1983, reeks A nr. 62, Englert v. Duitsland van 25 augustus 1987, reeks A nr. 123-B, en Nölkenbockhoff v. Duitsland van 25 augustus 1987, reeks A nr. 123) of na een vrijspraak Sekanina v. Oostenrijk van 25 augustus 1993, reeks A nr.266-A; Rushiti v. Oostenrijk, nr.28389/95, 21 maart 2000 en Lamanna v. Oostenrijk, nr.28923/95, 10 juli 2001).

23. Verder herinnert het Hof eraan dat noch artikel 6 § 2, noch enig ander beding van het Verdrag de ‘beschuldigde' volgens zijn constante rechtspraak een recht op de terugbetaling van zijn kosten geeft of op een recht op vergoeding voor een regelmatige voorlopige hechtenis indien de vervolgingen die tegen hem waren ingesteld, werden opgeheven (Narciso Dinares Peñalver v. Spanje (dév.), nr. 44301/98, 23 maart 2000; zie ook de arresten Englert en Sekanina, hoger vermeld, respectief § 36 en § 25). De weigering van de vergoeding op zich druist dus niet in tegen het vermoeden van onschuld (zie mutatis mutandis, de arresten Nölkenbockhoff en Minelli, hoger vermeld, respectief § 36 en §§ 34/35).

24. Het Hof moet dus onderzoeken of de beroepscommissie inzake onwerkzame voorlopige hechtenis door haar manier van handelen, door de motieven van haar beslissing of door de taal die ze in haar redenering gebruikt heeft, twijfels heeft doen wegen op het vermoeden van onschuld van de verzoeker, wiens schuld vooraf niet wettelijk werd bewezen.

25. Het Hof stelt vast de weigering van de commissie uitsluitend steunde op het feit dat de verzoeker het bewijs van zijn onschuld niet had aangebracht om zijn vordering tot vergoeding te staven. Hoewel ze steunt op het voorschrift van artikel 28 § 1 b van de wet van 13 maart 1973 dat uitdrukkelijk voorziet dat de persoon die een buitenvervolgingstelling geniet, het bewijs moet leveren dat er gegevens in feite of in rechte aanwezig zijn waaruit zijn onschuld blijkt, laat dergelijke eis, zonder nuance of reserve, twijfels over de onschuld van de eiser bestaan. Ze laat ook twijfels bestaan over de gegrondheid van de beslissingen van de onderzoeksgerechten, ondanks de vermelding in de beslissing van de commissie, dat de verdenkingen die op de verzoeker wogen bij zijn verschijning voor deze gerechten onvoldoende werden geacht om hem naar een feitenrechter door te verwijzen. Het is waar dat de uitdrukking van twijfels over de onschuld van een verdachte mogelijk is zolang de afsluiting van de strafrechtelijke vervolging geen beslissing over de gegrondheid van de beschuldiging inhoudt (Sekanina, hoger vermeld, § 30) en dat een buitenvervolgingstelling in het Belgisch recht niet verhindert dat het dossier heropend wordt indien er nieuwe gegevens of ontwikkelingen zijn. Men kan de bewijslast onmogelijk terecht omkeren in het kader van de vordering tot vergoeding die wordt ingediend na een definitieve beslissing van buitenvervolgingstelling. Het feit dat men van een persoon vraagt om het bewijs van zijn onschuld aan te tonen, wat laat denken dat het gerecht de betrokkene schuldig beschouwt, lijkt onredelijk en is een inbreuk op het vermoeden van onschuld. Het Hof herinnert terzake dat het probleem van de bewijsvoering op strafrechtelijk vlak meer bepaald moet worden gezien in het kader van artikel 6 § 2 en onder andere eist dat de bewijslast bij de beschuldiging ligt (Barberà, Messegué en Jabardo v. Spanje, arrest van 6 december 1988, reeks A nr. 146, §§ 76-77). De redenering van de beroepscommissie inzake onwerkzame voorlopige hechtenis blijkt dus niet compatibel te zijn met het respect van het vermoeden van onschuld.

26. Er is dus schending van artikel 6 § 2 van het Verdrag.

II. TEN AANZIEN VAN DE BEWEERDE SCHENDING VAN ARTIKEL 14 VAN HET VERDRAG

27. De verzoeker vindt de bepalingen van de Belgische wet van 13 maart 1973 die de vergoeding van de onwerkzame voorlopige hechtenis aan uiteenlopende voorwaarden onderwerpt, afhankelijk van het feit of de opgesloten persoon een beslissing van buitenvervolgingstelling door de onderzoeksrechter dan wel een vrijspraak door de vonnisrechter genoot, discriminerend. Hij beschouwt dit als een discriminatie van het recht dat wordt gewaarborgd door artikel 6 § 2 van het Verdrag. Artikel 14 luidt als volgt:

« Het genot van de rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, is verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. »

28. De Regering betwist dat er in deze zaak schending van artikel 14 van het Verdrag was. Ze benadrukt dat het betwiste verschil in behandeling wordt verantwoord door het voorlopige karakter van de beslissing van buitenvervolgingstelling, omdat een beslissing van buitenvervolgingstelling op basis van de vaststelling dat er onvoldoende bewijzen zijn, in tegenstelling tot een vrijspraak, niet verhindert dat het dossier heropend wordt indien er nieuwe bewijzen zouden zijn.

29. De verzoeker beschouwt de betwiste situatie dan weer als een onverantwoord verschil in behandeling: de persoon die de onderzoeksrechter niet naar de vonnisrechter heeft doorverwezen bij gebrek aan bewijzen, moet ‘het bewijs leveren van gegevens in feite of in rechte die waaruit zijn onschuld blijkt', terwijl de persoon die naar de vonnisrechter wordt doorverwezen - wat veronderstelt dat het dossier, prima facie, bewijzen bevatte - voor hij tenslotte wordt vrijgesproken, zelfs in geval van twijfel, dergelijk bewijs niet moet leveren.

30. Het Hof vindt dat deze grief betrekking heeft op dezelfde juridische situatie als deze waarvoor het heeft vastgesteld dat artikel 6 § 2 van het Verdrag werd geschonden en acht het bijgevolg niet nodig om ze afzonderlijk te onderzoeken.

III. OVER DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 41 VAN HET VERDRAG

31. Volgens de termen van artikel 41 van het Verdrag,

« Indien het Hof vaststelt dat er een schending van het Verdrag of van de Protocollen daarbij heeft plaatsgevonden en indien het nationale recht van de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij slechts gedeeltelijk rechtsherstel toelaat, kent het Hof, indien nodig, een billijke genoegdoening toe aan de benadeelde. »

32. De raadsheer van de verzoeker heeft na de beslissing over de ontvankelijkheid, geen enkele aanvraag voor billijke genoegdoening ingediend binnen de toegekende termijn hoewel een brief die hem op 8 april 2004 werd verstuurd, zijn aandacht vestigde op artikel 60 van het reglement van het Hof dat bepaald dat elke aanvraag voor billijke genoegdoening uit hoofde van artikel 41 van het Verdrag in de schriftelijke opmerkingen ten gronde moet worden uitgedrukt. Gelet op het gebrek aan antwoord binnen de termijn die werd vermeld in de brief die aan de beslissing over de ontvankelijkheid werd toegevoegd, oordeelt het Hof dat er geen reden is om een som toe te kennen uit hoofde van artikel 41 van het Verdrag (Willekens v. België, nr.50859/99, 24 april 2003, § 27).

OM DIE REDENEN, HET HOF,

1. Zegt, met eenparigheid, dat er schending is van artikel 6 § 2 van het Verdrag;

2. Zegt, met eenparigheid, dat er geen reden is om te onderzoeken of er schending is van artikel 14 van het Verdrag.

Gedaan in het Frans, vervolgens schriftelijk medegedeeld op 13 januari 2005 met toepassing van artikel 77, leden 2 en 3, van het reglement.

Søren NIELSEN Christos ROZAKIS

Griffier Voorzitter