Europees Hof voor de Rechten van de Mens - Arrest van 21 september 2006 (Europa)

Publicatie datum :
21-09-2006
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
13 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20060921-10
Rolnummer :
13583/02

Samenvatting

Samenvatting 1

------------------------------
[TUTU]5967[ETUTU]
------------------------------

---------------------------------------------------
(leeg)
---------------------------------------------------

PANIER c. BELGIQUE




http://jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20060921-10&idxc_id=213517&lang=NL
---------------------------------------------------


Arrest

EERSTE AFDELING

ZAAK PANDY vs. BELGIË

(Verzoek nr. 13583/02)

ARREST

STRAATSBURG

21 september 2006

DEFINITIEF

12/02/2007

Dit arrest wordt definitief onder de voorwaarden bepaald in artikel 44 § 2 van het Verdrag. Het kan formele aanpassingen ondergaan.

In de zaak Pandy vs. België,

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (eerste afdeling), zetelend in één kamer samengesteld uit :

Dhr VS.L. ROZAKIS, voorzitter,

Dhr L. LOUCAIDES,

Mevr. F. TULKENS,

Mevr. N. VAJIĆ,

Dhr A. KOVLER,

Mevr. E. STEINER,

Dhr K. HAJIYEV, rechters,

en dhr S. NIELSEN, afdelingsgriffier,

Na beraadslaging in de raadkamer van 31 augustus 2006,

Wijst het volgende arrest, goedgekeurd op voornoemde datum :

PROCEDURE

1. Aan de oorsprong van de zaak ligt een verzoek (nr. 13583/02) gericht tegen het Koninkrijk België door een Belgisch en Hongaars onderdaan, Andras Pandy ("de verzoeker"), die zich tot het Hof gewend heeft op 17 februari 2002 krachtens artikel 34 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden ("het Verdrag").

2. De verzoeker, dhr. Andras Pandy, is een Belgisch en Hongaars onderdaan. Hij wordt voor het Hof vertegenwoordigd door mr. T. Op de Beeck, advocaat te Leuven. De verwerende regering wordt vertegenwoordigd door haar personeelslid, dhr. C. Debrulle, directeur-generaal bij de Federale Overheidsdienst Justitie.

3. De verzoeker voerde in het bijzonder aan dat artikel 6 §§ 1 en 2 van het Verdrag geschonden zijn door uitspraken gedaan door de onderzoeksrechter.

4. Door een brief van 8 april 2004 werd de Hongaarse regering verzocht schriftelijke opmerkingen over de zaak in te dienen in toepassing van de artikels 36 § 1 van het Verdrag en 44 van het reglement van het Hof. Bij ontstentenis van een antwoord is aangenomen dat deze regering niet in de zaak tussenbeide wilde komen.

5. Het verzoek is ingediend bij de eerste afdeling van het Hof (artikel 52 § 1 van het reglement). Binnen het Hof is de kamer die belast is met het onderzoek van de zaak (artikel 27 § 1 van het Verdrag) samengesteld in overeenstemming met artikel 26 § 1 van het reglement.

6. Door een beslissing van 5 juli 2005 heeft de kamer het verzoek gedeeltelijk ontvankelijk verklaard.

7. Zowel de verzoeker als de Regering hebben schriftelijk aanvullende opmerkingen neergelegd (artikel 59 § 1 van het reglement).

IN FEITE

I. DE OMSTANDIGHEDEN VAN DE ZAAK

8. De verzoeker is geboren in 1927 en is momenteel opgesloten in de gevangenis van Leuven.

9. In januari 1992 meldde Agnes Pandy, dochter van de verzoeker, de verdwijning van zes leden van haar familie aan de gerechtelijke politie van Brussel. De verzoeker werd in dit verband op 14 mei 1992 ondervraagd door de gerechtelijke politie van Brussel, maar het dossier werd geseponeerd.

10. Het onderzoek werd vijf jaar later hervat, blijkbaar naar aanleiding van de overhandiging door de Hongaarse autoriteiten van een zeker aantal documenten die deden vermoeden dat de verzoeker betrokken was bij de verdwijning van zijn familieleden.

11. Op datum van 9 september 1997 werd een onderzoek geopend dat in de Nederlandse taal verliep.

12. Op 17 oktober 1997 werd de verzoeker in beschuldiging gesteld wegens moord en onder aanhoudingsbevel geplaatst door een verordening van rechter B., onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

13. De voorlopige hechtenis van de verzoeker werd nadien van maand tot maand verlengd door de raadkamer en iedere keer dat de verzoeker beroep indiende, door de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel.

14. Gedurende het hele onderzoek loochende de verzoeker elke betrokkenheid bij de feiten en spande hij zich in om verklaringen te geven voor de verschillende elementen die tegen hem werden ingebracht. In de loop van het onderzoek vergeleek de verzoeker zijn toestand met die van Dreyfus.

15. Op 12 mei 2000 beschouwde de onderzoeksrechter zijn onderzoek als beëindigd en stelde hij een verordening op "ter formele afsluiting", waardoor hij dossier doorstuurde naar het openbaar ministerie opdat dit zijn vordering zou instellen.

16. Op uitdrukkelijk verzoek van de verzoeker zetelde de raadkamer van Brussel op 24 augustus 2000 in openbare zitting in het kader van de voortzetting van zijn voorlopige hechtenis. Bij die gelegenheid deed de onderzoeksrechter bepaalde uitspraken die het voorwerp uitmaken van een betwisting.

17. De verzoeker beweert dat de onderzoeksrechter in zijn verslag verklaarde dat de verzoeker, in plaats van zich te vergelijken met Dreyfus, eerder zou moeten denken aan Landru of aan dokter Petiot.

18. Volgens de Regering deed de onderzoeksrechter (wiens werk trouwens geloofd werd door de verzoeker tijdens de zitting) niets anders dan antwoorden op een opmerking van de verzoeker waarin deze zich zou hebben vergeleken met Dreyfus.

19. De verzoeker houdt staande dat hij tijdens de zitting hiernaar geen enkele verwijzing gemaakt heeft en beweert dat hij de onderzoeksrechter enkel uit beleefdheid bedankt heeft voor het geleverde werk.

20. In een artikel in de krant Le Soir, verschenen in de editie van de dag nadien met als titel "Grand déballage devant la chambre du conseil. Le juge B. : Pandy est Landru" [Grote opschudding voor de raadkamer. Rechter B. : Pandy is Landru] bracht de krant verslag uit van het gebeuren en legde deze woorden in de mond van B. : "Pandy veut se faire passer pour Dreyfus mais j'ai d'autres références pour lui : Landru et le docteur Petiot" [Pandy wil zich laten doorgaan voor Dreyfus, maar ik heb andere referenties voor hem : Landru en dokter Petiot].

21. Op 5 september 2000 diende de verzoeker een verzoek tot wraking in van de onderzoeksmagistraat, omdat hij van oordeel was dat deze bewoordingen die hem vergeleken met moordenaars lasterlijk waren. Hij voegde bij dit verzoek artikels uit Belgische dagbladen van 25 augustus 2000. Behalve het genoemde artikel in de krant Le Soir, ging het om artikels uit vier Nederlandstalige dagbladen : Gazet van Antwerpen, Het Volk, Het Belang van Limburg en Het Nieuwsblad.

22. Door een verordening van 7 september 2000 weigerde de onderzoeksrechter zich onbevoegd te verklaren. Rechter B. voerde ten eerste aan dat, toen de raadsman van de verzoeker het woord had genomen na het onderzoeksverslag te hebben gehoord, hij hem bedankte voor de "buitengewone diepgang van het onderzoek en de objectiviteit van het verslag over het verloop ervan". Hij voerde vervolgens aan dat noch de verzoeker noch zijn raadsman had gevraagd dat de betwiste bewoordingen werden geakteerd op het zittingsblad en dat bijgevolg het verzoek tot wraking duidelijk werd ingediend in reactie op wat de verzoeker had kunnen lezen in de pers met betrekking tot de interpretatie van zijn woorden op de openbare zitting. Volgens de onderzoeksrechter bleek dit uit het feit dat de verzoeker zich als ondersteuning voor zijn verzoek enkel beriep op persartikels terwijl hij (de onderzoeksrechter) niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor de wijze waarop zijn woorden werden weergegeven door de pers die de feiten niet altijd correct weergeeft. Rechter B. was van oordeel dat de wrakingsprocedure een reactie vormde op de door de verzoeker gevraagde openbare zitting die uiteindelijk niet was verlopen zoals deze zich had voorgesteld.

23. De vraag tot wraking werd vervolgens voorgelegd aan het hof van beroep van Brussel dat ze, in een arrest van 29 september 2000, ongegrond verklaarde, op basis van de volgende overwegingen :

24. Op 21 november 2000 stelde het parket een vordering in opdat de raadkamer de procedure voorzien door artikel 133 van het Wetboek van Strafvordering zou toepassen met het oog op de verwijzing naar het hof van assisen.

25. De raadkamer willigde deze vordering in op 23 januari 2001 : zij verordende het doorsturen van de stukken naar de procureur-generaal en vaardigde tegen de verzoeker een bevel tot onmiddellijke inhechtenisneming uit. Onderzoeksrechter B. bracht bij deze gelegenheid verslag uit voor de raadkamer. De verzoeker werd gehoord.

26. Op 20 april 2001, na de partijen te hebben gehoord, verwees de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel, gevolg gevend aan de vordering van het openbaar ministerie, de verzoeker naar het hof van assisen en bevestigde zij het tegen hem uitgevaardigde bevel tot inhechtenisneming.

27. Bij de opening van het proces voor het hof van assisen, op 18 februari 2002, legden de advocaten van de verzoeker besluiten neer die ertoe strekten de openbare vordering onontvankelijk te doen verklaren, met als motivering dat de rechten van de verzoeker op een eerlijk proces (artikel 6 § 1 van het Verdrag), op het vermoeden van onschuld (artikel 6 § 2 van het Verdrag) en om de getuigen ten laste te ondervragen of te laten ondervragen (artikel 6 § 3 d) van het Verdrag) geschonden waren. Ze klaagden in het bijzonder de uitspraken aan die door de onderzoeksrechter waren gedaan. Het hof van assisen verwierp dit verzoek nog dezelfde dag, op basis van de volgende overwegingen :

28. De volgende dag, op 19 februari 2002, vroeg de verdediging van de verzoeker de vervanging van een van de plaatsvervangende juryleden die, nog vóór de opening van het proces, aan de pers verklaard zou hebben dat de verzoeker in haar ogen schuldig was. Haar vervanging werd nog dezelfde dag bevolen door het hof van assisen.

29. Een artikel in het dagblad La Libre Belgique van 20 februari 2002 berichtte dat de verzoeker verwezen had naar "de tegenexpertises die er tijdens het tweede bedrijf zullen komen, zoals dit het geval is geweest in de zaak Dreyfus".

30. Het hof van assisen te Brussel veroordeelde in een arrest van 6 maart 2002 de verzoeker tot levenslange opsluiting wegens met name de moord op zijn twee echtgenotes en vier van zijn kinderen, evenals voor feiten van verkrachting en aanranding van de eerbaarheid van meerdere van zijn dochters.

31. De verzoeker ging in cassatie tegen dit arrest evenals tegen het arrest van het hof van beroep van Brussel van 29 september 2000 dat zijn aanvraag tot wraking van de onderzoeksmagistraat ongegrond verklaarde en tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 20 april 2001 dat hem verwees naar het hof van assisen.

32. Deze cassatieberoepen werden door het Hof van Cassatie op 17 september 2002 verworpen.

II. HET RECHT EN DE BETREFFENDE INTERNE PRAKTIJKEN

1. Rol van de onderzoeksrechter

33. Het Wetboek van Strafvordering (hierna WvS) bepaalt dat :

Artikel 55

« Het gerechtelijk onderzoek is het geheel van de handelingen die ertoe strekken de daders van misdrijven op te sporen, de bewijzen te verzamelen en de maatregelen te nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken uitspraak te doen.

Het wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de onderzoeksrechter. »

Artikel 56

« De onderzoeksrechter draagt de verantwoordelijkheid voor het gerechtelijk onderzoek dat zowel à charge als à décharge wordt gevoerd.

Hij waakt voor de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyauteit waarmee ze worden verzameld.

Hij mag zelf de handelingen verrichten die behoren tot de gerechtelijke politie, het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

De onderzoeksrechter heeft in de uitoefening van zijn ambtsverrichtingen het recht om het optreden van de openbare macht rechtstreeks te vorderen. Hij beslist of het noodzakelijk is dwang te gebruiken of inbreuk te maken op de individuele rechten en vrijheden. (...) »

Artikel 61quinquies

« De inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen de onderzoeksrechter verzoeken een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten. (...) »

34. In geval van een proces voor het hof van assisen is het in België gebruikelijk dat de onderzoeksrechters en de speurders gehoord worden als eerste getuigen in een zaak. In dat kader is de onderzoeksrechter onderworpen aan de regels die van toepassing zijn bij het horen van elke getuige (artikels 315 en volgende van het WvS, meer bepaald artikel 317ter, zie infra) en legt hij de eed van getuige af.

2. Wraking

35. De motieven voor het wraken van een rechter worden opgesomd in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek dat, op de datum van de indiening van het verzoek tot wraking, luidde als volgt :

« Iedere rechter kan worden gewraakt om de volgende redenen :

(...)

12o indien er tussen hem en een van de partijen een hoge graad van vijandschap bestaat; indien er zijnerzijds aanrandingen, mondelinge of schriftelijke beledigingen of bedreigingen hebben plaatsgehad sinds de aanleg van het geding of binnen zes maanden vóór de voordracht van de wraking. »

36. Artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek is sindsdien gewijzigd door een wet van 10 juni 2001. Er is een bijkomende reden voor wraking toegevoegd, namelijk het bestaan van een « gegrond vermoeden ». Tijdens de voorbereidingen van het wetsvoorstel die tot de wijziging in kwestie geleid hebben, werd onderstreept dat deze wijziging noodzakelijk was vanwege de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6 § 1 van het Verdrag (Parl. Hand., Kamer, 50 886/1, pp. 6-7).

3. Afsluiting van het onderzoek

37. Het Wetboek van Strafvordering bevat de volgende bepalingen :

Artikel 127

« Wanneer de onderzoeksrechter oordeelt dat zijn onderzoek voltooid is, zendt hij het dossier over aan de procureur des Konings.

Indien de procureur des Konings geen andere onderzoekshandelingen vordert, vordert hij de regeling van de rechtspleging door de raadkamer.

De griffier van de raadkamer stelt de inverdenkinggestelde de burgerlijke partij en hun advocaten per faxpost of bij een ter post aangetekende brief in kennis dat het dossier in origineel of in kopie neergelegd is ter griffie gedurende ten minste vijftien dagen, dat ze er inzage van kunnen hebben en er kopie van kunnen opvragen.

Binnen deze termijn kunnen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies verzoeken bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten.

Deze termijn wordt teruggebracht tot drie dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt.

Wanneer het onderzoek volledig is, laat de raadkamer, ten minste vijftien dagen vooraf in een daartoe bestemd register ter griffie melding maken van plaats, dag en uur van verschijning. De termijn wordt teruggebracht tot drie dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De griffier stelt de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun advocaten in kennis per faxpost of bij een ter post aangetekende brief dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking ligt.

De raadkamer doet uitspraak op verslag van de onderzoeksrechter na de procureur des Konings, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde gehoord te hebben. De partijen kunnen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat. (...) »

Artikel 133

« Indien de raadkamer, op verslag van de onderzoeksrechter, van oordeel is dat het feit strafbaar is met criminele straffen en dat de tenlastelegging tegen de inverdenkinggestelde voldoende gegrond is), worden de stukken van het onderzoek, het proces-verbaal waarbij het bestaan van het misdrijf wordt vastgesteld, (...) een staat van overtuigingsstukken en de beschikking tot gevangenneming door de procureur des Konings onverwijld toegestuurd aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, opdat zal worden gehandeld zoals bepaald is in het hoofdstuk Inbeschuldigingstelling. »

Artikel 217

« De procureur-generaal bij het hof van beroep is gehouden de zaak in gereedheid te brengen binnen vijf dagen na ontvangst van de stukken die hem zijn toegezonden ter voldoening aan artikel 133 of aan artikel 135, en uiterlijk binnen de volgende vijf dagen verslag te doen.

Ondertussen kunnen de burgerlijke partij en de verdachte zodanige memories indienen als zij dienstig achten, zonder dat het uitbrengen van het verslag mag worden vertraagd. »

Artikel 221

« (...) onderzoeken de rechters of er tegen de verdachte bewijzen of aanwijzingen bestaan omtrent een feit, door de wet misdaad genoemd, en of die bewijzen of aanwijzingen sterk genoeg zijn om de inbeschuldigingstelling uit te spreken. »

Artikel 223

« De verdachte, de burgerlijke partij en hun raadslieden worden gehoord.

Te dien einde wordt het dossier, ten minste tien dagen vóór de verschijning, te hunner beschikking gesteld op de griffie. Zij mogen een afschrift ervan doen nemen. (...) »

Artikel 231

« Indien het feit door de wet misdaad wordt genoemd, en het hof voldoende bezwaren aanwezig acht om de inbeschuldigingstelling te wettigen, verwijst het de verdachte naar de assisen. (...) »

4. Procedure voor het hof van assisen

38. Het WvS kent verschillende bepalingen.

Artikel 312

« De voorzitter richt tot de gezworenen, die hem rechtstaand aanhoren, de volgende toespraak :

"Gij zweert en belooft dat gij de aan N. ten laste gelegde feiten met de grootste aandacht zult onderzoeken; dat gij geen afbreuk zult doen aan de belangen van de beschuldigde of aan de belangen van de maatschappij, die hem beschuldigt; dat gij met niemand in verbinding zult komen voordat uw verklaring is afgelegd; dat gij geen gehoor zult geven aan haat of kwaadwilligheid, aan vrees of genegenheid; dat gij zult beslissen op grond van de aangevoerde bezwaren en de middelen van verdediging, naar uw geweten en uw innige overtuiging, met onpartijdigheid en vastberadenheid zoals het een vrij en rechtschapen mens betaamt ". (...) »

Artikel 315

« De procureur-generaal zet het onderwerp van de beschuldiging uiteen; daarna legt hij de lijst over van de getuigen die hetzij op zijn verzoek, hetzij op verzoek van de burgerlijke partij of op verzoek van de beschuldigde moeten worden gehoord. (...) »

Artikel 317

« De getuigen worden ieder afzonderlijk gehoord, in de door de voorzitter bepaalde volgorde. Alvorens te getuigen leggen zij, op straffe van nietigheid, de eed af dat zij zullen spreken zonder haat en zonder vrees, dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen. (...) »

Artikel 317ter

« In afwijking van artikel 317 dient geen melding te worden gemaakt van de woonplaats of verblijfplaats van de personen die in de uitoefening van hun beroepsactiviteit belast zijn met de vaststelling van en het onderzoek naar een misdrijf of naar aanleiding van de toepassing van de wet kennis nemen van omstandigheden waarin het misdrijf werd gepleegd, en die in die hoedanigheid als getuigen worden gehoord. In de plaats daarvan is het hun toegestaan hun dienstadres of het adres waarop zij gewoonlijk hun beroep uitoefenen op te geven. De dagvaarding om te getuigen kan regelmatig op dit adres worden betekend. »

Artikel 319

« De voorzitter kan aan de getuigen en de beschuldigde alle ophelderingen vragen die hij nodig acht om de waarheid aan de dag te brengen. De rechters en de gezworenen hebben hetzelfde recht, maar moeten aan de voorzitter het woord vragen. De beschuldigde en zijn raadsman kunnen, bij monde van de voorzitter, aan de getuige vragen stellen. De procureur- generaal, de burgerlijke partij en haar raadsman kunnen, bij monde van de voorzitter, vragen stellen aan de getuige of aan de beschuldigde. (...) »

Artikel 329

« In de loop van het getuigenverhoor of daarna doet de voorzitter aan de beschuldigde alle stukken vertonen die op het misdrijf betrekking hebben en tot overtuiging kunnen dienen; hij vraagt hem om persoonlijk te antwoorden of hij die stukken herkent; de voorzitter doet ze ook aan de getuigen vertonen, indien daartoe redenen zijn. »

Artikel 335

« Na de verklaringen van de getuigen en de beweringen waartoe die over en weer aanleiding hebben gegeven, worden de burgerlijke partij of haar raadsman en de procureur-generaal gehoord en zij zetten de middelen tot staving van de beschuldiging uiteen.

De beschuldigde en zijn raadsman kunnen hun antwoorden.

De burgerlijke partij en de procureur-generaal hebben recht van repliek; maar de beschuldigde of zijn raadsman heeft altijd het laatste woord.

De voorzitter verklaart vervolgens de debatten gesloten. »

IN RECHTE

I. OVER DE BEWEERDE SCHENDING VAN ARTIKEL § 2 VAN HET VERDRAG

1. Stelling van de verzoeker

39. De verzoeker, die betwist ooit over Dreyfus gesproken te hebben op de openbare zitting van 24 augustus 2000 maar toegeeft dit gedaan te hebben in de loop van het onderzoek, beklaagt zich over bepaalde uitspraken gedaan door de onderzoeksrechter. Volgens de verzoeker heeft deze laatste, door hem te vergelijken met Landru en Petiot, laten verstaan dat hij hem schuldig achtte wat een schending is van artikel 6 § 2 van het Verdrag, dat luidt als volgt :

« 2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. »

2. Stelling van de Regering

40. De Regering voert aan dat de opmerking van de onderzoeksrechter geen vooroordeel inhield ten aanzien van de schuld van de betrokkene maar enkel wou zeggen, in antwoord op een opmerking van de verzoeker zelf, dat het niet opging de klacht die aan de oorsprong lag van het dossier gelijk te schakelen met de klacht die aan de oorsprong lag van de zaak Dreyfus (namelijk antisemitische motieven). De onderzoeksmagistraat kan niet aansprakelijk worden gesteld voor de eventuele verkeerde weergave van zijn uitspraken door de pers die de zitting bijwoonde als gevolg van de door de verzoeker zelf gevraagde openbaarheid. De Regering onderstreept in dit opzicht dat tijdens dezelfde zitting de verzoeker de onderzoeksrechter geloofd heeft voor de objectiviteit van het onderzoek. De Regering vraagt zich af om welke reden de verzoeker, indien hij zich werkelijk belasterd voelde, niet heeft gevraagd dat de betwiste uitspraken onmiddellijk werden geakteerd. Volgens haar is er geen mogelijkheid om vast te stellen dat het verzoek tot wraking geformuleerd is in reactie op een indruk van gebrek aan objectiviteit vanwege de onderzoeksrechter en niet als gevolg van het lezen van sommige persartikels. Bovendien, als de verzoeker in zijn verzoek tot wraking beweerd heeft dat de onderzoeksrechter hem vergeleken had met historische figuren, is dit duidelijk vanwege persartikels die hierover twijfel konden laten bestaan. De Regering onderstreept in dit opzicht dat de verschillende persartikels niet dezelfde interpretatie geven van de debatten ter zitting en verwijst naar het artikel gepubliceerd in La Libre Belgique van 20 februari 2002. De Regering legt uit dat de door de media aan de kaak gestelde uitspraken uit hun context zijn gerukt en opnieuw in het kader moeten worden geplaatst van een objectief verslag van de onderzoeksrechter over een onderzoek dat moeilijk was, zoals de verzoeker zelf heeft erkend. Zij besluit hieruit dat het vermoeden van onschuld in dit dossier niet geschonden is.

3. Beoordeling door het Hof

a) Toepasselijke principes

41. Het vermoeden van onschuld bekrachtigd door paragraaf 2 van artikel 6 is een van de elementen van een eerlijk strafproces vereist door paragraaf 1 (zie met name de arresten Deweer vs. België van 27 februari 1980, reeks A nr. 35, p. 30, § 56, Minelli vs. Zwitserland van 25 maart 1983, reeks A nr. 62, p. 15, § 27, Allenet de Ribemont vs. Frankrijk van 10 februari 1995, reeks A nr. 308, p. 16, § 35, en Bernard vs. Frankrijk van 23 april 1998, § 37).

Artikel 6 § 2 regelt het geheel van de strafrechtelijke procedure, ongeacht de afloop van de ingestelde vervolgingen, en niet alleen het onderzoek van de gegrondheid van de beschuldiging (Minelli, voornoemd, § 30).

42. Deze bepaling garandeert elke persoon dat hij niet zal worden bestempeld of behandeld als schuldig aan een misdrijf alvorens zijn schuld is vastgesteld door een rechtbank (zie, mutatis mutandis, Allenet de Ribemont, voornoemd, pp. 16-17, §§ 35-36, en Y.B. en anderen vs. Turkije, arrest van 28 oktober 2004, § 43). Zij vereist bijgevolg, onder andere, dat de leden van de rechtbank in de uitvoering van hun functies niet vertrekken van het vooropgezette idee dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd (Barberà, Messegué en Jabardo vs. Spanje, arrest van 6 december 1988, reeks A nr. 146, § 77). Het vermoeden van onschuld wordt aangetast door verklaringen of beslissingen die het gevoelen weerspiegelen dat de persoon schuldig is, die het publiek ertoe aanzetten om aan zijn schuld te geloven of die vooruitlopen op de beoordeling van de feiten door de bevoegde rechter (Y.B. en anderen, voornoemd, § 50).

43. De vraag of de uitspraken van een onderzoeksrechter, lid van de gerechtelijke macht, een schending vormen van het principe van vermoeden van onschuld moet worden beantwoord in de context van de bijzondere omstandigheden waarin deze werden geformuleerd (zie met name, mutatis mutandis, Adolf vs. Oostenrijk, arrest van 26 maart 1982, reeks A nr. 49, pp. 17-19, §§ 36-41). Hierbij dient rekening gehouden met het feit dat de verklaringen van rechters het voorwerp uitmaken van een diepgaander onderzoek (A.L. vs. Duitsland, arrest van 28 april 2005, § 37) dan verklaringen die onderzoeksoverheden zoals de politie en het parket betreffen (arresten Daktaras vs. Litouwen van 10 oktober 2000, nr. 42095/98, § 44, CEDH 2000 X, en Lavents vs. Letland van 28 november 2002, nr. 58442/00, § 51).

In dit opzicht dient het belang te worden onderstreept van de keuze van de gebruikte termen evenals van de strekking van de betwiste verklaringen (Daktaras, voornoemd, § 41).

b) Toepassing op dit bijzondere geval

44. Gelet op het feit dat de zitting openbaar was en meer bepaald zich baserend op de overwegingen van het hof van beroep (dat heeft vastgesteld dat de onderzoeksrechter de feiten niet geloochend heeft), is het Hof van mening dat men redelijkerwijs mag aannemen dat de betwiste uitspraken werkelijk zijn gedaan.

45. Het Hof kan de Regering niet volgen wanneer zij lijkt vol te houden dat de uitspraken van de onderzoeksrechter verkeerd geïnterpreteerd zouden zijn. Het Hof meent immers dat hun strekking geen ruimte laat voor enige twijfel. Bovendien, zelfs indien deze uitspraken ongetwijfeld in algemene termen zijn gedaan, konden ze alleen maar de verzoeker viseren. De uitspraken van de onderzoeksrechter kunnen worden beschouwd als toevallig en bijkomstig in het kader van een complex onderzoek dat zonder verwikkelingen is uitgevoerd en dat door de verzoeker zelf is geprezen. Het Hof vindt echter dat deze uitspraken daarom niet minder vatbaar zijn voor kritiek vanuit het oogpunt van het principe van vermoeden van onschuld omdat zij erin bestonden de verzoeker gelijk te schakelen met gekende en erkende seriemoordenaars. Ongeacht het feit of de uitspraken in kwestie beantwoordden aan een provocatie vanwege de verzoeker, zijn ze niet aanvaardbaar in hoofde van een onderzoeksmagistraat, die volgens het Belgische recht het gerechtelijk onderzoek zowel à charge als à décharge moet voeren, hetgeen een diepgaander onderzoek wettigt.

46. Het Hof is bijgevolg van mening dat de betwiste uitspraken, in de omstandigheden van dit bijzondere geval, kunnen worden gelijkgeschakeld met een schuldigverklaring die enerzijds het publiek ertoe aanzette te geloven in de schuld, en anderzijds vooruitliep op de beoordeling van de feiten door de bevoegde rechters (Allenet de Ribemont, voornoemd, § 39).

47. Bijgevolg is er sprake van een schending van artikel 6 § 2 van het Verdrag.

II. OVER DE BEWEERDE SCHENDING VAN ARTIKEL 6 § 1 VAN HET VERDRAG

48. De verzoeker beklaagt zich over de eerlijkheid van de procedure omdat de vaststelling van de onderzoeksprocedure gebeurd is op verslag van de onderzoeksrechter in kwestie. Hij ziet hierin een schending van artikel 6 § 1 van het Verdrag, waarvan de relevante onderdelen luiden als volgt :

« (...) bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak (...) door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht (...) »

49. De Regering betwist deze stelling.

50. Het Hof herinnert eraan dat het herhaaldelijk heeft gesteld dat de garanties van artikel 6 van toepassing waren op het geheel van de procedure, met inbegrip van de fases van de voorlopige informatie en het gerechtelijk onderzoek (zie meer bepaald de arresten Imbrioscia vs. Zwitserland van 24 november 1993, reeks A nr. 275, § 36, en Stratégies et Communications en Demoulin vs. België, nr. 37370/97, § 39, 15 juli 2002), omdat de aanvankelijke niet-inachtneming ervan het eerlijke karakter van het proces ernstig in het gedrang dreigt te brengen. In dit bijzondere geval stelt het Hof echter vast dat behalve de kritiek op de uitspraken gedaan door de onderzoeksrechter, de verzoeker er zich toe beperkt de oneerlijkheid van de procedure af te leiden uit de omstandigheid dat de vaststelling van de procedure gebeurd is op verslag van deze rechter.

51. Het Hof wijst er in de eerste plaats op dat de garanties van artikel 6 § 1 van het Verdrag niet van toepassing zijn op de onderzoeksrechter als dusdanig, die niet geroepen is om zich uit te spreken over de gegrondheid van een strafrechtelijke beschuldiging, en dit los van de omstandigheid dat het Belgische recht eist dat de onderzoeksrechter, die het onderzoek zowel à charge als à décharge moet voeren, criteria van onpartijdigheid in acht moet nemen.

52. Het Hof merkt ten tweede op dat de verzoeker, in de loop van de betwiste zitting, het door de onderzoeksrechter verrichte onderzoekswerk geloofd heeft. Het Hof is niet overtuigd door de uitleg van de verzoeker dat het slechts om een beleefdheidsformule ging. Uit de lezing van het dossier blijkt immers dat de verzoeker de intrinsieke kwaliteit van het gevoerde onderzoek nooit in twijfel getrokken heeft. Volgens het Hof doet de houding van de verzoeker, zowel voor als na de zitting waarop de betwiste uitspraken werden gedaan, integendeel denken dat hij waardeerde dat het gevoerde onderzoek volledig was. Ook blijkt uit het dossier niet dat de verzoeker na de betwiste zitting en in de loop van het onderzoek de uitvoering van aanvullende onderzoeksdaden door de onderzoeksrechter heeft gevraagd (in toepassing van artikel 61quinquies van het WvS), noch a fortiori dat dergelijke vragen door hem zijn verworpen. Bovendien heeft de onderzoeker de onpartijdigheid van de onderzoeksrechter niet in twijfel getrokken op het ogenblik van de vaststelling van de procedure in de loop waarvan hij nochtans is gehoord.

53. Het Hof wijst er ten derde op dat de verzoeker gehoord is door zowel de raadkamer als door de kamer van inbeschuldigingstelling tijdens de vaststelling van de procedure en zich meer bepaald heeft kunnen uitspreken over het door de onderzoeksrechter opgestelde verslag.

54. Het Hof merkt ten slotte op dat de verzoeker geenszins beweert dat zijn rechten van verdediging zijn aangetast tijdens de procedure die voor het hof van assisen verlopen is. Zo heeft de opening van de debatten voor het hof van assisen - de enige bevoegde jurisdictie om zich uit te spreken over de schuld van de verzoeker en die dit moet doen volgens haar innige overtuiging (artikel 312 van het WvS) - aanleiding gegeven tot een voornamelijk mondeling debat, tijdens hetwelk verschillende getuigen zijn gehoord, onder wie de onderzoeksrechter, zoals gebruikelijk is. Bij die gelegenheid heeft de verzoeker de getuigen kunnen ondervragen. Hij beweert overigens geenszins dat hem zou geweigerd zijn getuigen te horen of een vraag te stellen. De bewijsstukken zijn eveneens getoond en besproken (artikel 335 van het WvS). De verzoeker heeft trouwens eveneens de gelegenheid gehad de wraking van de juryleden te vragen, wat hij voor twee van hen heeft gedaan en verkregen.

55. In het licht van de voornoemde elementen is het Hof van oordeel dat de veroordeling van de verzoeker berust op de beoordeling, door de feitenrechtbank, van het geheel van de in aanmerking genomen aanklachten en bewijzen die tijdens het onderzoek werden verzameld en besproken tijdens de zittingen voor het hof van assisen. Hieruit dient te worden geconcludeerd dat de schuld van de verzoeker wettelijk is vastgesteld en dat de bedoelde procedure in zijn totaliteit eerlijk is verlopen. In deze omstandigheden is het Hof van mening dat, bij onderzoek van de procedure in haar geheel, moet worden vastgesteld dat de regels van een eerlijk proces in dit bijzondere geval zijn gerespecteerd.

56. Er is bijgevolg geen sprake van een schending van artikel 6 § 1 van het Verdrag.

III. OVER DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 41 VAN HET VERDRAG

57. Volgens de bewoordingen van artikel 41 van het Verdrag,

« Indien het Hof vaststelt dat er een schending van het Verdrag of van de Protocollen daarbij heeft plaatsgevonden en indien het nationale recht van de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij slechts gedeeltelijk rechtsherstel toelaat, kent het Hof, indien nodig, een billijke genoegdoening toe aan de benadeelde. »

58. De verzoeker eist het herstel van de materiële schade die hij zou hebben geleden en die bestaat in het verlies van zijn goederen, waaronder drie gebouwen gelegen in Brussel. Hij beweert dat hij ook morele schade geleden heeft en raamt dat alle schade samen kan worden getaxeerd ex aequo et bono op 500 000 euro (EUR). Hij eist niets voor zijn onkosten en uitgaven.

59. De Regering heeft geen opmerkingen over dit punt ingediend.

60. Aangezien er geen overtreding is geweest van artikel 6 § 1 en van het recht op een eerlijk proces volgens het Verdrag, ziet het Hof geen oorzakelijk verband tussen de vastgestelde schending en de beweerde materiële schade en verwerpt het deze vraag. Wat de morele schade van de verzoeker betreft verbonden met de klacht wegens schending van het principe van het vermoeden van onschuld, is het Hof, gelet op de voorafgaande overwegingen, van mening dat de verzoeker voldoende vergoed is door de vaststelling van schending van artikel 6 § 2 van het Verdrag waartoe het Hof besloten heeft.

OM DIE REDENEN, HET HOF, EENPARIG,

1. Zegt dat er sprake is van schending van artikel 6 § 2 van het Verdrag;

2. Zegt dat er geen sprake is van schending van artikel 6 § 1 van het Verdrag;

3. Zegt dat de vaststelling van schending op zich een voldoende billijke genoegdoening vormt voor de morele schade die de verzoeker geleden heeft;

4. Verwerpt de vraag om billijke genoegdoening voor het overige.

Opgemaakt in het Frans en schriftelijk meegedeeld op 21 september 2006 in toepassing van artikel 77 §§ 2 en 3 van het reglement.

Søren NIELSEN Christos ROZAKIS

Griffier Voorzitter