Europees Hof voor de Rechten van de Mens - Arrest van 28 oktober 2014 (Europa)

Publicatie datum :
28-10-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20141028-10
Rolnummer :
18393/09

Samenvatting

Panju tegen België Arrest van schending (zes stemmen tegen een) van de artikelen 6, § 1, en 13 gecombineerd en artikel 6, § 1, alleen Buitensporige duur van een strafrechtelijk onderzoek De zaak betreft de duur van een strafrechtelijk onderzoek (witwaspraktijken en goudsmokkel) - 12 jaar op het tijdstip van de uitspraak van het Hof. Het Hof oordeelt dat noch het vordering tot schadevergoeding, noch de preventieve rechtsmiddelen die de Belgische staat heeft aangevoerd, kunnen worden beschouwd als doeltreffend in de zin van artikel 13 van het Verdrag om in casu klacht in te dienen en een schadevergoeding te krijgen voor de duur van het strafrechtelijk onderzoek. Met betrekking tot het vordering tot schadevergoeding merkt het Hof op dat de Belgische staat tot op heden nog altijd geen voorbeelden heeft aangevoerd van de toepassing in strafzaken van de rechtspraak van het Hof van Cassatie (vorderingen wegens overheidsaansprakelijkheid op grond van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek om schadeloosgesteld te worden voor de duur van gerechtelijke procedures). Wat de preventieve rechtsmiddelen betreft, oordeelt het Hof dat geen van de aangevoerde maatregelen bestemd is om concreet de vertraging van de procedure aan te pakken en dat, als de kamer van inbeschuldigingstelling in casu ambtshalve geen van die maatregelen heeft genomen, het misschien net is omdat zij geen oplossing bieden voor de moeilijkheden die het parket te Brussel ervaart. Tot slot merkt het Hof op dat, buiten de gevallen waarin de overschrijding van de redelijke termijn leidt tot een buitenvervolgingstelling of onontvankelijke vervolgingen wegens een onherstelbare aantasting van de rechten van de verdediging, het onderzoeksgerecht de buitensporige duur van het onderzoek niet kan bestraffen. De omstandigheid dat de feitenrechter rekening moet houden met de overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld door het onderzoeksgerecht, vormt geen gepast herstel in de zin van de rechtspraak van het Hof. Bovendien heeft de feitenrechter in de gevallen waarin het onderzoek wordt beëindigd met een buitenvervolgingstelling of waarin de inverdenkinggestelde wordt vrijgesproken helemaal geen bevoegdheid om de overschrijding van de redelijke termijn te bestraffen. Met betrekking tot artikel 6 van het Verdrag meent het Hof dat de hoofdoorzaak van de lengte van de procedure in casu ligt in de wijze waarop de overheden die hebben gevoerd en niet in het gedrag van de verzoeker. In dat verband herhaalt het Hof dat de staten hun gerechtelijk systeem zodanig moeten organiseren dat het voldoet aan de vereisten van het Verdrag. Bij gebrek aan een vordering van de verzoeker spreekt het Hof geen billijke genoegdoening noch vergoeding van de kosten uit.

Arrest

Geen inhoud