Hof van Cassatie: Arrest van 25 Mei 2001 (België). RG D000021N

Datum :
25-05-2001
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20010525-3
Rolnummer :
D000021N

Samenvatting :

Niet naar recht verantwoord is de beslissing van de raad van beroep van de Orde der Geneesheren die niet nader omschrijft op welke grond de spreiding van de medische activiteiten van een arts zou kunnen leiden tot enige overtreding van de plichtenleer (1).

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Nr. D.00.0021.N
M. I,
eiseres tot cassatie van een beslissing, op 27 maart 2000 op verwijzing gewezen door de raad van beroep van de Orde der Geneesheren, met het Nederlands als voertaal,
vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
ORDE DER GENEESHEREN, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1030 Brussel, de Jamblinne de Meuxplein 35,
verweerder in cassatie.
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer Bourgeois en op de conclusie van advocaat-generaal Bresseleers;
Gelet op de bestreden beslissing, op 27 maart 2000 op verwijzing gewezen door de raad van beroep van de Orde der Geneesheren, met het Nederlands als voertaal;
Gelet op het arrest van het Hof van 26 februari 1999;
Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 6, 2°, en 13 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde van Geneesheren, en 7 van het decreet van 2-17 maart 1791 tot afschaffing van het gildewezen,
doordat de beslissing eiseres machtigt binnen de regio Komen-Menen twee medische kabinetten te houden en niet drie, zoals thans het geval is en bepaalt dat eiseres haar keuze zal dienen te bepalen binnen de zes maanden vanaf de datum van de beslissing, en gehouden is deze keuze binnen vermelde termijn kenbaar te maken aan de bevoegde Provinciale Raad, ondermeer op grond van de volgende motieven :
"Zoals volgt uit de voorliggende stukken is Dr. M. werkzaam als oogarts in het Algemeen Ziekenhuis te Menen, en heeft zij een privé-praktijk te Menen.
Naast deze activiteiten te Menen heeft zij een medische activiteit (consultaties) in het 'Centre de Médecine Spécialisée' te Komen.
De Provinciale Raad van de Orde der Geneesheren te Henegouwen gaf bij brief van 26 juni 1996 een gunstig advies met betrekking tot de activiteiten van Dr. M. in deze Provincie.
Elke vraag betreffende de uitoefening van gespreide medische activiteiten dient in concreto te worden behandeld door de Provinciale Raad alwaar de betrokken arts ingeschreven is, en dit in functie van de bestaande deontologische normen omtrent de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van de geneeskunde.
Hierbij dient er in het bijzonder aandacht geschonken aan het verzekeren van de continuïteit van de verzorging, het verrichten van goede geneeskunde, en dit zonder afbreuk te doen aan de geneeskundige waardigheid of aan de collegialiteit.
In het licht hiervan dient nagegaan of de gevraagde medische activiteiten hieraan afbreuk doen.
Uit geen enkel element van het voorliggend dossier kan besloten worden dat de continuïteit van de zorgen en het belang van de patiënten, hierbij in enige mate in het gedrang zouden komen.
Principieel is evenwel de regel dat zo een arts toestemming bekomt tot het behouden van medische kabinetten-, kabinetten die dienen begrepen in de zin van de plaats waar de arts gewoonlijk patiënten ontvangt, en of aldaar onderzoekt, en of aldaar adviezen geeft en of zorgen toedient- deze kabinetten in eenzelfde agglomeratie moeten gelegen zijn. Evenwel dient dit in concreto bekeken : een blik op de landkaart duidt voldoende de uitzonderlijke geografische ligging van Komen aan, als het ware een enclave in de Provincie West-Vlaanderen en op natuurlijke wijze één geheel met deze provincie uitmaakt, zodat Komen als een hinterland van Menen moet worden beschouwd. De situatie van deze regio maakt dat rekening gehouden met zijn bijzondere geografische ligging, het gewest Komen als één agglomeratie met Menen moet worden aangezien. Het lijdt geen twijfel dat het wegennet rond Komen de binding met Wervik en Menen in de hand werkt.
Bij de omschrijving en de invulling van het begrip agglomeratie in fine van de beoordeling van de vestiging en uitoefening van verschillende medische activiteiten mag met deze bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden rekening worden gehouden.
De vereisten van collegialiteit en geneeskundige waardigheid inachtgenomen dient het aantal medische kabinetten evenwel beperkt tot twee, gelet op de huidige plethora, te meer de betrokken arts niet aantoont dat het houden van meer dan twee kabinetten voor haar van vitaal belang is, en geneeskunde niet mag herleid worden tot marktgeneeskunde.
Om van een medisch kabinet te mogen spreken zijn nu eenmaal nog de aard en de duur van de aldaar uitgevoerde medische handelingen bepalend,
terwijl, krachtens de artikelen 6, 2° en 13, lid 1, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967, de Provinciale Raden en de Raden van Beroep van de Orde van Geneesheren bevoegd zijn om te waken over het naleven van de regelen van de medische plichtenleer en over de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van de leden van de Orde;
voormelde raden aldus worden gemachtigd bepaalde individuele maatregelen te bevelen teneinde een inbreuk op voormelde regelen van de medische plichtenleer te voorkomen of daaraan een einde te stellen of de handhaving van voormelde eer, bescheidenheid, eerlijkheid en waardigheid te verzekeren;
de Raad van Beroep, zijn beslissing dat eiseres haar activiteiten moet beperken tot twee kabinetten, hoewel anderzijds wordt vastgesteld dat uit geen enkel element van het voorliggend dossier kan besloten worden dat de continuïteit van de zorgen en het belang van de patiënten in enige mate in het gedrang zouden komen, niet wettig verantwoordt door louter en op algemene wijze te verwijzen naar de vereisten van de collegialiteit en geneeskundige waardigheid;
uit de enkele omstandigheid dat eiseres haar medische activiteiten spreidt over meer dan twee kabinetten, niet wettig kan worden afgeleid dat de gedragingen van eiseres, de eer, bescheidenheid, eerlijkheid en waardigheid van het beroep dreigen aan te tasten, en dat zij geneeskunde zou herleiden tot marktgeneeskunde;
de bestreden beslissing bovendien niet wettig verantwoordt of nader omschrijft op welke grond de spreiding van de medische activiteiten van eiseres zou kunnen leiden tot enige overtreding van de plichtenleer;
aldus blijkt dat de bestreden beslissing geen geïndividualiseerde maatregel betreft die van aard is een handeling van eiseres te voorkomen die haar eer, bescheidenheid, eerlijkheid of waardigheid zou aantasten;
de bestreden beslissing aldus, door enerzijds vast te stellen, dat de continuïteit van de geneeskundige zorgen niet in het gedrang komen door eiseres gedraging, maar anderzijds toch niet nader te omschrijven hoe eiseres' gedragingen, de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van de geneesheer in het gedrang zouden kunnen brengen, de artikelen 6, 2°, en 13 van het KB nr. 79 schendt, en het Hof niet toelaat zijn wettigheidscontrole op de motieven uit te oefenen, en derhalve niet regelmatig is gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet) en niet wettig is verantwoord (schending van de artikelen 6, 2°, en 13 van het KB nr. 79 van 10 november 1967);
de beslissing, gelet op deze vaststellingen van de Raad van Beroep, aldus eveneens de vrijheid van het beroep van geneesheer zonder meer en willekeurig beperkt (schending van artikel 7 van het Decreet van 2-17 maart 1791 betreffende de afschaffing der gilden) :
Overwegende dat de provinciale raden en de raden van beroep van de Orde der Geneesheren, krachtens de artikelen 6, 2°, en 13 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967, bevoegd zijn om te waken over het naleven van de regels van de medische plichtenleer en over de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van de leden van de Orde; dat zij, benevens hun bevoegdheid om wegens door bedoelde leden begane fouten tuchtmaatregelen te treffen, ook, krachtens voormelde bepalingen, individuele maatregelen mogen bevelen ten einde een overtreding van de regels van de medische plichtenleer te voorkomen;
Dat dergelijke individuele maatregelen van aard moeten zijn de bedoelde overtredingen te voorkomen;
Overwegende dat de bestreden beslissing vaststelt dat :
1. de medische activiteiten van eiseres gespreid zijn, met name, een praktijk in het algemeen ziekenhuis te Menen, een privé-praktijk te Menen en een activiteit te Komen;
2. Komen als één agglomeratie met Menen moet worden aangezien;
3. uit geen enkel element van het dossier kan besloten worden dat de continuïteit van de zorgen en het belang van de patiënten hierbij in enige mate in het gedrang zouden komen;
Overwegende dat de bestreden beslissing oordeelt dat de vereisten van collegialiteit en geneeskundige waardigheid in acht genomen, het aantal medische kabinetten beperkt dient te worden tot twee;
Dat nu de bestreden beslissing niet nader omschrijft op welke grond de spreiding van de medische activiteiten van eiseres over meer dan twee kabinetten zou kunnen leiden tot enige overtreding van de plichtenleer, de bestreden beslissing geen geïndividualiseerde maatregel betreft die van aard is een handeling van eiseres te voorkomen die haar eer, bescheidenheid, eerlijkheid of waardigheid als arts zou aantasten;
Dat het middel in zoverre gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt de bestreden beslissing;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing;
Veroordeelt verweerder in de kosten;
Verwijst de zaak naar de raad van beroep van de Orde der Geneesheren, met het Nederlands als voertaal, anders samengesteld.
De kosten begroot op de som van veertienduizend tweehonderd zesenzestig frank jegens de eisende partij Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Verougstraete, afdelingsvoorzitter Boes, de raadsheren Bourgeois, Londers, Stassijns, en in openbare terechtzitting van vijfentwintig mei tweeduizend en een uitgesproken door voorzitter Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bresseleers, met bijstand van griffier Van Geem.