- Arrest van 4 januari 2011

04/01/2011 - P.10.0664.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Dat de strafrechter bij toepassing van artikel 283 A.W.D.A. ook over de burgerlijke rechtsvordering van de douaneadministratie uitspraak doet, houdt niet in dat deze administratie optreedt als burgerlijke partij en als een burgerlijke partij in de zin van artikel 162bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kan worden beschouwd; ingeval van afwijzing van die burgerlijke rechtsvordering kan de administratie niet worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de beklaagde.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.0664.N

P. M. K. D. J.

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Wim Fransen en mr. Michel Cornette, advocaten bij de balie te Antwerpen,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok - Oostkaai 22,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 maart 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 1022 Gerechtelijk Wetboek en 162bis Wetboek van Strafvordering: het bestreden arrest beslist ten onrechte dat de eiser geen recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding lastens de verweerder, wiens burgerlijke vordering nochtans ongegrond is verklaard.

2. Artikel 162bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal worden veroordeeld tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Artikel 283 AWDA bepaalt ten slotte dat, wanneer de overtredingen, fraudes, misdrijven of misdaden, in de artikelen 281 en 282 bedoeld, onverminderd de strafvordering, tevens tot betaling van rechten of accijnzen, en alzo tot een civiele actie aanleiding geven, de kennisneming en berechting daarvan in beide opzichten tot de bevoegde criminele of correctionele rechter zal behoren.

3. De in artikel 283 AWDA bedoelde rechtsvordering van de douaneadministratie tot invordering van de ontdoken rechten naar aanleiding van misdrijven bedoeld in de artikelen 281 en 282 AWDA is een met de strafvordering samengaande burgerrechtelijke rechtsvordering die niet voortvloeit uit het misdrijf, maar die haar rechtstreekse grondslag vindt in de wet die de betaling van rechten oplegt.

Dat de strafrechter bij toepassing van artikel 283 AWDA ook over de burgerlijke rechtsvordering van de douaneadministratie uitspraak doet, houdt niet in dat deze optreedt als burgerlijke partij.

De douaneadministratie kan dan ook niet worden beschouwd als een burgerlijke partij in de zin van artikel 162bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en zij kan ingeval van afwijzing van haar burgerlijke rechtsvordering niet worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de beklaagde.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. De strafgerechten, ook als ze uitspraak doen over een burgerlijke rechtsvordering, kunnen slechts veroordelen tot de door artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsplegingsvergoeding in de gevallen bepaald in de artikelen 162bis, 194, 211 en 351 Wetboek van Strafvordering.

Artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek biedt als dusdanig geen rechtsgrond voor de strafgerechten om de douaneadministratie te veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de eiser.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht.

5. De eiser verzoekt het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schenden artikel 162bis Wetboek van Strafvordering en/of artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, in zoverre ze geen toepassing zouden vinden omwille van het bepaalde in de artikelen 281 tot 283 AWDA?"

De voorgestelde prejudiciële vraag preciseert niet in welke gevallen de bekritiseerde wetsbepalingen wel van toepassing zijn op partijen die zich in gelijke of vergelijkbare rechtstoestand bevinden als deze waarin de eiser zich hier bevindt. De voorgestelde prejudiciële vraag heeft bijgevolg geen betrekking op de ongelijke behandeling van partijen in gelijke of vergelijkbare rechtstoestanden.

De prejudiciële vraag is niet ontvankelijk en wordt bijgevolg niet gesteld.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 63,39 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 4 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Douanemisdrijven

  • Burgerlijke vordering tot betaling van rechten en accijnzen

  • Douaneadministratie

  • Hoedanigheid

  • Afwijzing van de burgerlijke rechtsvordering

  • Veroordeling tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding