- Arrest van 4 januari 2011

04/01/2011 - P.10.1997.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het aan de inverdenkinggestelde afgegeven afschrift van het aanhoudingsbevel dient de handtekening van de onderzoeksrechter niet te bevatten (1). (1) Cass., 20 jan. 1993, AR P.93.0095.F, A.C., 1993, nr. 41.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1997.N

Y. E. A.

verdachte, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 december 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.3.c en 8 EVRM, artikel 14 IVBPR en de artikelen 10 en 11 Grondwet, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: de afwezigheid van een wettelijke mogelijkheid van bijstand van een raadsman bij het eerste verhoor van de eiser resulteert automatisch in een rechtstreekse verdragschending; de eiser heeft niet de mogelijkheid gehad om door zijn raadsman te worden geïnformeerd over de wijze waarop hij zijn verdediging diende te organiseren; er waren geen uitzonderlijke redenen om de bijstand te weigeren; de afweging van het recht van verdediging in het licht van de volledige procedure, de afwezigheid van dwang of misbruik tijdens het eerste verhoor en het gegeven dat de eiser na het eerste verhoor inzage kreeg en met zijn raadsman kon overleggen, zijn zonder belang.

2. In zoverre het middel opkomt tegen de houding van de Belgische wetgever en van het openbaar ministerie, is het niet gericht tegen het arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.

3. Voor het overige geeft het middel niet aan hoe en waardoor het arrest de in het middel aangehaalde bepalingen en algemene rechtsbeginselen schendt respectievelijk miskent.

Het middel is in zoverre bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, 21, 22 en 30 Voorlopige Hechteniswet: het arrest vermeldt niet minstens één van de vereisten van artikel 16, § 1, derde lid, Voorlopige Hechteniswet; aangezien de eiser in verdenking is gesteld op grond van de artikelen 137, 139 en 140, § 1, Strafwetboek en hem geen straf kan worden opgelegd die de vijftien jaar opsluiting te boven gaat, kan het arrest niet volstaan met een verwijzing naar het gevaar voor de openbare veiligheid.

5. Volgens de artikelen 21, §§ 4 en 5, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet beoordelen de onderzoeksgerechten de noodzakelijkheid van de handhaving van de hechtenis volgens de in artikel 16, § 1, bepaalde criteria en omkleden zij daartoe met redenen hun beslissing op de wijze bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.

Bij een misdrijf met een maximumstraf die de vijftien jaar opsluiting niet te boven gaat, vermelden zij de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, die de hechtenis volstrekt noodzakelijk maken voor de openbare veiligheid én die de ernstige redenen opleveren om te vrezen dat de verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden.

6. Het arrest:

- beslist dat het bevel tot aanhouding regelmatig is en verwijst naar de in de beroepen beschikking vermelde redengeving, die het tot de zijne maakt (ro 3.2);

- oordeelt dat de gegevens eigen aan de zaak en aan de persoon van de eiser en deze die zijn vermeld in het aanhoudingsbevel, de omstandigheden uitmaken die thans nog bestaan en dermate de openbare veiligheid raken dat hierdoor de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is (ro 3.6);

- verwijst naar de in de beroepen beschikking aangehaalde wetsbepalingen waaronder artikel 16 Voorlopige Hechteniswet en het bevestigt deze beschikking.

Het bevel tot aanhouding (p. 16) en de beroepen beschikking (p. 2-3) stellen met verwijzing naar feitelijke omstandigheden van de zaak en die eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte het bestaan vast van een manifest gevaar voor collusie, het zich verstaan van de eiser met andere verdachten, het trachten wegmaken van bewijsmateriaal en het gevaar voor recidive en onttrekking.

Aldus beslist het arrest wettig tot de handhaving van de voorlopige hechtenis volgens de criteria bepaald in artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet en is het met redenen omkleed op de wijze bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Eerste onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, 21, 22, 23, 4°, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest geeft niet aan welke gegevens concrete aanwijzingen van schuld uitmaken in hoofde van de eiser; het louter verwijzen naar de in het aanhoudingsbevel opgenomen gegevens is niet voldoende en slechts een automatisme; het arrest beantwoordt de in de conclusies aangehaalde elementen niet of niet adequaat of niet afdoende; de motivering van het arrest is identiek als die van de arresten die zijn gewezen met betrekking tot de andere verdachten in het dossier en is dus niet afdoende geïndividualiseerd.

8. Volgens artikel 16, § 5, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet stelt het bevel tot aanhouding het bestaan vast van de ernstige aanwijzingen van schuld.

Wanneer zij over de handhaving van de voorlopige hechtenis uitspraak doen binnen de vijf dagen na de tenuitvoerlegging van het bevel tot aanhouding, gaan de onderzoeksgerechten, overeenkomstig de artikelen 21, § 4, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet, na of dit bevel regelmatig is.

Volgens de artikelen 21, §§ 4 en 5, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet oordelen zij bovendien over de noodzakelijkheid van de handhaving van de hechtenis volgens de in artikel 16, § 1, bepaalde criteria en omkleden zij daartoe met redenen hun beslissing op de wijze bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.

Volgens artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet moet de raadkamer antwoorden op conclusies van partijen en moet zij, bij betwisting in conclusies van het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld en zo zij de voorlopige hechtenis handhaaft, preciseren welke gegevens volgens haar dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken. Dit artikel is ook van toepassing op de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling.

9. De rechter oordeelt onaantastbaar over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld.

In zoverre het onderdeel in werkelijkheid tegen dat oordeel opkomt, is het niet ontvankelijk.

10. De verplichting van artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet de beslissing over de voorlopige hechtenis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk middel vormt.

11. De rechter mag bij de beoordeling van de ernstige aanwijzingen van schuld en het onderzoek van het daaromtrent aangevoerde verweer verwijzen naar de in het bevel tot aanhouding vermelde feitelijke elementen, voor zover dit tot geen enkel automatisme leidt.

12. De omstandigheid dat het onderzoeksgerecht in eenzelfde zaak voor meerdere verdachten een identieke redengeving hanteert, houdt op zich niet in dat die motivering niet geïndividualiseerd is. Bepaalde gegevens of beoordelingen kunnen immers gemeen zijn aan meerdere verdachten.

Het arrest verwijst bij de beoordeling van de ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de eiser naar de in het bevel tot aanhouding opgenomen concrete elementen.

Het bevel tot aanhouding vermeldt als ernstige aanwijzingen van schuld lastens de eiser onder meer de op hem betrekking hebbende feitelijke elementen.

13. De rechter beantwoordt het op basis van feitelijke elementen gesteunde verweer met betrekking tot het bestaan van de ernstige aanwijzingen van schuld door daar tegenover met verwijzing naar het bevel tot aanhouding andere feitelijke elementen te plaatsen.

14. Het arrest (ro 3.3, p. 2-3 en ro 3.4, p. 7) oordeelt omtrent de ernstige aanwijzingen van schuld dat:

- de onderzoeksrechter in het aanhoudingsbevel op uitgebreide wijze de elementen heeft uiteengezet waaruit de terroristische activiteiten zouden kunnen bestaan evenals de onderlinge contacten van de betrokken personen en de onderzoekshandelingen die tot het feitenmateriaal hebben geleid;

- de onderzoeksrechter aldus op afdoende en zeer concrete wijze de ernstige aanwijzingen van schuld heeft beoordeeld;

- er concrete elementen worden vermeld zowel betreffende het verband tussen meer dan twee personen in de vorm van een gestructureerde vereniging, als met betrekking tot het optreden in onderling overleg met het plegen van terro¬ristische misdrijven als objectief, meer bepaald de betrokkenheid van een tiental personen, de onderlinge contacten via telefoon en internet, aanslagen in België en recrutering voor activiteiten in strijdersgebieden;

- uit het geheel van de in het bevel tot aanhouding vermelde vaststellingen blijkt dat de eiser zeer goed wist aan welke activiteiten hij deelnam;

- de ernstige aanwijzingen van schuld, zoals vermeld in het bevel tot aanhouding, nog steeds bestaan en niet worden ontkracht door de elementen vervat in de conclusie.

15. Aldus oordeelt het arrest dat het aanhoudingsbevel het bestaan van de ernstige aanwijzingen van schuld vaststelt, beslist het wettig zonder enig automatisme en op een voldoende geïndividualiseerde wijze tot de handhaving van de voorlopige hechtenis volgens de criteria bepaald in artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet, is het met redenen omkleed op de wijze bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, en beantwoordt het ten slotte eisers verweer omtrent de ernstige aanwijzingen van schuld.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, 21, 22, 23, 4°, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest wijst eisers verzoek tot detentievervangende maatregelen als een automatisme en zonder enige individualisering af; het geeft niet aan waarom de door eiser aangedragen elementen onvoldoende waren om een dergelijke maatregel op te leggen.

17. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser tot staving van zijn verzoek heeft gewezen op specifieke op zijn persoonlijke situatie betrekking hebbende elementen.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

18. De omstandigheid dat het onderzoeksgerecht in eenzelfde zaak voor meerdere verdachten een identieke redengeving hanteert, houdt op zich niet in dat die motivering niet geïndividualiseerd is. Bepaalde gegevens of beoordelingen kunnen immers gemeen zijn aan meerdere verdachten.

19. Het arrest (ro 3.7) oordeelt dat de gronden tot handhaving van de voorlopige hechtenis niet kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van detentievervangende maatregelen of de betaling van een borgsom. Het beantwoordt aldus eisers verzoek en verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vierde middel

Eerste en tweede onderdeel

20. De onderdelen voeren schending aan van de artikelen 16, § 6, en 18, § 1, derde lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de betekening van het aanhoudingsbevel regelmatig is; het is niet omdat het origineel van het aanhoudingsbevel zich in het dossier bevindt dat aan de voorwaarde van de betekening van een volledig afschrift van het bevel tot aanhouding aan de eiser is voldaan (eerste onderdeel); de handtekening van de onderzoeksrechter is volgens artikel 16, § 6, Voorlopige Hechteniswet een essentieel element van het aanhoudingsbevel, zodat een afschrift van het bevel zonder die handtekening niet volledig is (tweede onderdeel).

21. Volgens artikel 18, § 1, derde lid, Voorlopige Hechteniswet bestaat de betekening van het bevel tot aanhouding in het mondeling meedelen van de beslissing in de taal van de rechtspleging, met afgifte van een volledig afschrift van de akte.

Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt niet dat het aan de verdachte afgegeven afschrift van het aanhoudingsbevel de handtekening van de onderzoeksrechter dient te bevatten.

De onderdelen die van een andere rechtsopvatting uitgaan, falen naar recht.

Derde onderdeel

22. Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest beantwoordt eisers argument dat een volledig afschrift van het aanhoudingsbevel de handtekening van de onderzoeksrechter moet bevatten, onjuist en niet adequaat.

23. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de vergeefs in het eerste en het tweede onderdeel aangevoerde schending.

Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

24. Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest beantwoordt eisers verweer omtrent de toepasselijkheid van artikel 45 Gerechtelijk Wetboek niet.

25. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de vergeefs in het eerste en het tweede onderdeel aangevoerde schending.

Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Vijfde middel

Eerste onderdeel

26. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, §§ 1 en 5 Voorlopige Hechteniswet en de artikelen 137, 139 en 140, § 1, Strafwetboek evenals miskenning van de motiveringsverplichting: het arrest grondt de ernstige aanwijzingen van schuld niet op het aanwezig zijn van de constitutieve elementen van het misdrijf van artikel 139 Strafwetboek; het bevat geen ernstige schuldaanwijzingen met betrekking tot het in artikel 137, § 1, Strafwetboek gedefinieerde impactvereiste en opzet; het toetst evenmin de feitelijke dossiergegevens aan het vereiste van "handelingen die hebben bijgedragen tot het plegen van een misdaad of een wanbedrijf" en het duidt niet aan dat het om een in België strafbare handeling gaat.

27. In zoverre het onderdeel het aanhoudingsbevel zelf bekritiseert, is het niet gericht tegen het arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.

28. Volgens artikel 16, § 5, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet stelt het bevel tot aanhouding het bestaan vast van de ernstige aanwijzingen van schuld.

Wanneer zij over de handhaving van de voorlopige hechtenis uitspraak doen binnen de vijf dagen na de tenuitvoerlegging van het bevel tot aanhouding, gaan de onderzoeksgerechten overeenkomstig de artikelen 21, § 4, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet, na of dit bevel regelmatig is.

Volgens de artikelen 21, §§ 4 en 5, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet oordelen zij bovendien over de noodzakelijkheid van de handhaving van de hechtenis volgens de in artikel 16, § 1, bepaalde criteria en omkleden zij daartoe met redenen hun beslissing op de wijze bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.

Volgens artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet moet de raadkamer antwoorden op conclusies van partijen en moet zij, bij betwisting in conclusies van het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld en zo zij de voorlopige hechtenis handhaaft, preciseren welke gegevens volgens haar dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken. Dit artikel is ook van toepassing op de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling.

29. De rechter oordeelt onaantastbaar over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld.

In zoverre het onderdeel in werkelijkheid tegen dat oordeel opkomt, is het niet ontvankelijk.

30. De verplichting van artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet de beslissing over de voorlopige hechtenis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk middel vormt.

31. De rechter beantwoordt het op basis van feitelijke elementen gesteunde verweer met betrekking tot het bestaan van de ernstige aanwijzingen van schuld door daar tegenover met verwijzing naar het bevel tot aanhouding andere feitelijke elementen te plaatsen.

32. Het arrest (ro 3.3, p. 2-3 en ro 3.4, p. 7) oordeelt omtrent de ernstige aanwijzingen van schuld dat:

- de onderzoeksrechter in het aanhoudingsbevel op uitgebreide wijze de elementen heeft uiteengezet waaruit de terroristische activiteiten zouden kunnen bestaan evenals de onderlinge contacten van de betrokken personen en de onderzoekshandelingen die tot het feitenmateriaal hebben geleid;

- de onderzoeksrechter aldus op afdoende en zeer concrete wijze de ernstige aanwijzingen van schuld heeft beoordeeld;

- er concrete elementen worden vermeld zowel betreffende het verband tussen meer dan twee personen in de vorm van een gestructureerde vereniging, als met betrekking tot het optreden in onderling overleg met het plegen van terro¬ristische misdrijven als objectief, meer bepaald de betrokkenheid van een tiental personen, de onderlinge contacten via telefoon en internet, aanslagen in België en recrutering voor activiteiten in strijdersgebieden;

- uit het geheel van de in het bevel tot aanhouding vermelde vaststellingen blijkt dat de eiser zeer goed wist aan welke activiteiten hij deelnam;

- de ernstige aanwijzingen van schuld zoals vermeld in het bevel tot aanhouding nog steeds bestaan en dat die niet worden ontkracht door de elementen vervat in het schriftelijke conclusie.

33. Aldus oordeelt het arrest dat het aanhoudingsbevel het bestaan van de ernstige aanwijzingen van schuld vaststelt, beslist het wettig tot de handhaving van de voorlopige hechtenis volgens de criteria bepaald in artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet, is het met redenen omkleed op de wijze bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, en beantwoordt het ten slotte eisers verweer omtrent de ernstige aanwijzingen van schuld.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

34. Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest beantwoordt eisers argument omtrent de afwezigheid van ernstige aanwijzingen van schuld niet adequaat en niet afdoende.

35. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de vergeefs met de in het eerste onderdeel aangevoerde schending.

Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Zesde middel

36. Het middel voert schending aan van artikel 21, § 3 Voorlopige Hechteniswet en miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van de motiveringsverplichting: het strafdossier is ter gelegenheid van de procedure voor de raadkamer niet ter beschikking gesteld van de verdachte, waardoor aan een substantiële vormvereiste niet is voldaan; de beroepen beschikking noch het arrest hebben eisers argumentatie op dit punt beantwoord.

37. In zoverre het middel de beroepen beschikking bekritiseert, is het niet gericht tegen het arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.

38. Voor het overige is het middel geheel afgeleid uit de aangevoerde schending van eisers recht van verdediging ter gelegenheid van de rechtspleging voor de raadkamer. De eiser voert niet aan dat zijn recht van verdediging is miskend tijdens de rechtspleging voor de appelrechters.

Het middel is in zoverre evenmin ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

39. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 69,66 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 4 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Afgifte van een afschrift

  • Afschrift