- Arrest van 5 januari 2011

05/01/2011 - P.10.1322.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit het feit dat een abnormale prijs onder meer kan blijken uit de abnormale winst die met de verkoop van het product of door de uitvoering van de prestatie wordt geboekt, volgt nog niet dat onder de bij de wet bedoelde verkoop tegen abnormale prijzen alleen prijzen moeten worden verstaan die aan het economisch subject werden uitbetaald.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1322.F.

1. E. R.,

2. E. V.,

burgerlijke partijen,

eisers,

mr. Patrick Thomas, advocaat bij de balie te Luik, en mr. Céline Mandelblat, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

1. E.P.,

2. PLATEUS CONSTRUCTIONS, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

inverdenkinggestelden,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 juni 2010.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering tegen de verweerders wegens poging tot oplichting

De eisers voeren geen middel aan.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering tegen de verweerders wegens het verkopen aan prijzen hoger dan de normale prijzen

De verweerders worden vervolgd wegens overtreding van artikel 1, § 2, van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen, daar zij grondwerken hebben gefactureerd aan een prijs die dertigmaal de waarde ervan overschrijdt. Die waarde wordt vastgesteld door het bedrag dat aan de uitvoerende onderaannemer is betaald.

De buitenvervolgingstelling die voor die telastlegging is bevolen, is hierop gegrond dat de klagers die de opdrachtgevers zijn, onmiddellijk de factuur hebben betwist, dat zij de aannemer aldus belet hebben om onrechtmatige winst te maken, dat het misdrijf bijgevolg niet voltrokken is en dat de poging ertoe niet strafbaar is.

Uit het feit dat een abnormale prijs onder meer kan blijken uit de abnormale winst die met de verkoop van het product of door de uitvoering van de prestatie wordt geboekt, volgt nog niet dat onder de bij de wet bedoelde verkoop aan abnormale prijzen alleen prijzen moeten verstaan worden die aan het economisch subject werden uitbetaald.

Paragraaf twee van artikel 1 van de wet van 22 januari 1945, moet gelezen worden in het licht van de vorige paragraaf, die met het verbod om te verkopen tegen hogere prijzen dan de maximumprijzen niet alleen doelt op de verkoop van producten of de uitvoering van elke prestatie, maar ook op het feit dat die producten te koop worden aangeboden op de markt. Nergens blijkt dat de wetgever aan de verkoop tegen abnormale prijzen, die in paragraaf twee is bedoeld, een beperktere betekenis heeft willen geven dan die welke aan de verkoop tegen hogere prijzen is toegekend als bedoeld in paragraaf één.

Uit artikel 2, § 4, eerste lid, van de wet blijkt overigens dat de minister met het oog op de toepassing van de met name in het voormelde artikel 1 bedoelde bepalingen, de verplichting kan opleggen om aangifte te doen van de prijsverhogingen die de ondernemingen op de binnenlandse markt willen toepassen. Daaruit volgt dat de prijs waarvan het normaal karakter aan toezicht is onderworpen, niet alleen de prijs is die aan het subject is betaald, maar ook de prijs die de aannemer aanplakt, beslist, vaststelt, aanbiedt of eist.

Wanneer het arrest beslist dat het vragen van een abnormale prijs een misdrijf is dat is voltrokken als het gevraagde bedrag door de consument werd betaald en als de overtreder aldus zijn onrechtmatig voordeel heeft verkregen, voegt het aan het misdrijf een bestanddeel toe dat niet bij wet is bepaald en schendt het bijgevolg de wet.

Het middel is gegrond.

C. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die met toepassing van de artikelen 128, tweede lid, en 1022 Gerechtelijk Wetboek is gewezen

De hierna uit te spreken gedeeltelijke vernietiging van het arrest waarbij verklaard wordt dat er geen grond is om vervolging in te stellen, brengt de vernietiging met zich mee van de veroordeling van de eisers tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerders, aangezien die veroordeling steunt op de buitenvervolgingstelling die door het Hof wordt verworpen.

Er is bijgevolg geen grond om uitspraak te doen over het tweede middel, dat uitsluitend gericht is tegen het dictum dat bij uitbreiding kan vernietigd worden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre het zegt dat er geen grond is om de verweerders te vervolgen wegens poging tot oplichting (telastlegging A.1).

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de verweerders in een vierde van de kosten van hun cassatieberoep en de eisers in het overige vierde.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 5 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Prijsreglementering

  • Misdrijf

  • Verkopen tegen een abnormale prijs

  • Abnormale prijs