- Arrest van 5 januari 2011

05/01/2011 - P.10.1404.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer het functioneren van de linker richtingaanwijzer van het voertuig en het begin van een verplaatsing naar links slechts de aanzet vormden voor een inhaalmanoeuvre dat de bestuurder had gestaakt nog voor hij het goed en wel begonnen was, diende laatstgenoemde de voorzorgen niet te nemen die artikel 16.4 van het Wegverkeersreglement oplegt aan de bestuurder die wil inhalen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1404.F

I. A. B.,

beklaagde en burgerlijke partij,

II. ETHIAS, naamloze vennootschap,

vrijwillig tussengekomen partij en burgerlijke partij,

eisers,

mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

beide cassatieberoepen tegen

1. E. P.,

2. Y. T.,

3. P.P.,

4. Gh.D.,

5. AXA BELGIUM, naamloze vennootschap,

burgerlijke partijen,

6. C.L.,

beklaagde,

verweerders,

de tweede, vijfde en zesde verweerder worden vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Luik van 17 juni 2010.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

D. De cassatieberoepen van de eisers, burgerlijke partijen, tegen de beslissingen op hun burgerlijke rechtsvorderingen tegen C. L.

Middel

De eisers voeren aan dat de appelrechters, door de verweerster vrij te spreken, de artikelen 16.4, 16.6 en 16.7 Wegverkeersreglement en, bijgevolg, de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek hebben geschonden.

Het vonnis wordt verweten dat het niet vaststelt dat C. L. vóór het links inhalen van de voorligger zich ervan vergewist heeft dat geen voertuig háár aan het inhalen was. De beslissing wordt eveneens verweten dat zij niet vaststelt dat de nadering van het door de eiser bestuurde voertuig wegens de onvoorspelbaarheid ervan een rechtvaardigingsgrond zou zijn voor de overtreding van de voormelde artikelen van het Wegverkeersreglement.

Artikel 16.6 vermeldt de voorwaarden waarop de links inhalende bestuurder zijn plaats rechts opnieuw moet innemen.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerster een overtreding van die bepaling die het rijgedrag van de bestuurder regelt ná het inhalen, ten laste wordt gelegd.

Het vonnis wijst weliswaar erop dat C. L. de linker richtingaanwijzer van haar voertuig in werking heeft gezet, meer bepaald op het ogenblik waarop het voertuig van de eiser op de linker rijstrook ter hoogte van de achterkant van haar voertuig kwam aangereden.

Het vonnis stelt evenwel ook vast dat de verweerster het door haar geplande inhaalmanoeuvre niet heeft moeten uitvoeren omdat de rijbaan die een ogenblik belemmerd was, voor haar vrijkwam, waardoor zij haar weg op haar eigen rijstrook kon vervolgen zonder de middellijn te overschrijden hoewel zij zeer licht naar links is afgeweken.

Uit het bestreden vonnis blijkt ook dat beide voertuigen elkaar geraakt hebben niet wegens die lichte zijdelingse verplaatsing, maar nadat de eiser door zijn overdreven reactie de macht over het stuur was kwijtgeraakt door de linker gelijkgrondse berm op te rijden en vervolgens terug naar rechts te gaan, waar hij het voertuig van de verweerster aanreed en tegen een paal terechtkwam.

De appelrechters die geoordeeld hebben dat het doen functioneren van de richtingaanwijzer en het begin van een verplaatsing naar links slechts de aanzet vormden voor een inhaalmanoeuvre dat de verweerster heeft gestaakt nog voor zij het goed en wel begonnen was, dienden niet meer na te gaan of zij de voorzorgen heeft genomen die artikel 16.4 Wegverkeersreglement oplegt aan de bestuurder die wil inhalen.

Aangezien artikel 16.4 niet werd overtreden, vermits van de verweerster niet kan worden gezegd dat zij zich opmaakte om in te halen, dienden de appelrechters voor haar vrijspraak evenmin een rechtvaardigingsgrond te vinden voor het gedrag van de eiser.

Artikel 16.7 Wegverkeersreglement bepaalt dat elke bestuurder die op het punt staat links ingehaald te worden, zo ver mogelijk naar rechts moet uitwijken.

De rechtbank die oordeelt dat de zesde verweerster alleen naar links is afgeweken in zoverre dat ten opzichte van het voertuig vóór haar, strikt noodzakelijk was, zonder haar rijstrook te verlaten, stelt vast dat het voormelde artikel 16.7 was nageleefd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van de cassatieberoepen in zoverre zij gericht zijn tegen de beslissingen die, op de burgerlijke rechtsvorderingen van E. P., P. P. en G. D., tegen de eisers, uitspraak doen over de omvang van de schade.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 5 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Toepassingsgebied

  • Bestuurder die wil inhalen

  • Begrip

  • Bestuurder die het inhaalmanoeuvre heeft gestaakt nog voor hij het goed en wel begonnen was