- Arrest van 6 januari 2011

06/01/2011 - C.09.0231.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Voor de berekening van de bijdrage van de werkgever die de gemeente werkelijk gedragen heeft in de pensioenlast van de gewezen personeelsleden van de gewestelijke brandweerdienst, dient krachtens artikel 3 van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 tot vaststelling van de normen voor het bepalen van de forfaitaire en jaarlijkse bijdrage bedoeld in artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, als algemeen criterium te worden uitgegaan van de omslag van het aandeel van de werkgever in de pensioenen dat is vastgelegd in artikel 13 van het reglement van de pensioendienst van 1 januari 1935 van de gemeente en dat bestaat in een evenredige verdeling van die last naar rato van de gestorte pensioenen (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0231.F

STAD LUIK,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. BELGISCHE STAAT, minister van Binnenlandse Zaken,

2. GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE LUIK,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 18 april 2008 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, vóór de vervanging ervan door de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen en de opheffing ervan bij de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;

- artikel 3 van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 tot vaststelling van de normen voor het bepalen van de forfaitaire en jaarlijkse bijdrage bedoeld in artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, na de wijziging ervan bij artikel 1 van het ministerieel besluit van 31 januari 1990 en voor de opheffing ervan bij het koninklijk besluit van 25 oktober 2006 tot vaststelling van de normen voor de bepaling van de in aanmerking komende kosten en het aandeel, bedoeld in artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming;

- artikel 161 van de nieuwe gemeentewet van 24 juni 1988, voor de wijziging ervan bij artikel 157 van de wet van 22 februari 1998 houdende sociale bepalingen;

- de artikelen 10, 11, 149 en 159 van de Grondwet.

Aangevochten beslissing

Het arrest stelt vast "dat het geschil uitsluitend loopt over de vraag welke de betekenis is van de woorden ‛overeenstemmend percentage' in artikel 3, § 3, b), (van het) ministerieel besluit (van 10 oktober 1997)" en dat volgens de eiseres "bij de interpretatie van de uitdrukking ‛overeenstemmend percentage' de methode moet worden gevolgd die de RSZ PPO gebruikt voor de vaststelling van het omslagpercentage waarbij rekening gehouden wordt met het bedrag van de loon- en pensioenmassa (artikel 161 van de gemeentewet, zoals het toen van toepassing was)", terwijl volgens de interpretatie van de verweerders "de termen ‛overeenstemmend percentage' verwijzen naar het aandeel dat de stad moet betalen voor de gepensioneerde personeelsleden van de gewestelijke brandweerdienst, dat is na aftrek van het persoonlijk aandeel van het personeel". Vervolgens verwerpt het de vordering van de eiseres die in de eerste plaats ertoe strekte de verweerders te veroordelen tot het besluit dat de rekening van de kosten die tussen de gemeenten van de gewestelijke brandweerdienst van Luik kunnen worden omgeslagen, voor het jaar 1990 22.597.274,49 euro, voor het jaar 1991 24.257.668,98 euro en voor het jaar 1992 25.936.359,36 euro bedraagt, de verweerders te veroordelen om de rekeningen tussen de verschillende betrokken gemeenten opnieuw te maken op die basis en aan de eiseres het verschil te storten tussen de bedragen die de tweede verweerder ten onrechte vastgesteld heeft en die welke effectief verschuldigd zijn, en hen te veroordelen om de interest op dat verschil alsook de kosten te betalen. Het beslist aldus op alle gronden die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, en meer bepaald op de volgende gronden:

"Een analytische lezing van de tekst van artikel 3, § 3, b) leidt tot de conclusie dat alleen de interpretatie van de (verweerders) juist is, daar de termen ‛overeenstemmend percentage' alleen verwijzen naar de woorden ‛het aandeel van de werkgever'. De slotzin van die tekst moet als volgt worden gelezen ‛... of van het percentage dat overeenstemt met het aandeel van de werkgever wanneer de gemeente-gewestelijk groepscentrum zelf haar pensioenkas beheert'.

Bovendien schendt de door (de eiseres) voorgestelde interpretatie artikel 3, § 1, van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977, in zoverre zij tot gevolg heeft dat de beschermde gemeenten de pensioenlasten voor de diensten van (de eiseres), andere dan de brandweerdienst, moeten dragen".

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 10 van de wet van 31 december 1963, worden de gemeenten voor de algemene organisatie van de brandweerdiensten in gewestelijke groepen ingedeeld. De gouverneur wijst de gemeente aan die het centrum van de gewestelijke groep vormt. De overige gemeenten van die groep zijn ertoe gehouden hetzij een brandweerdienst, die over het nodige personeel en materieel beschikt, te behouden of op te richten, hetzij een beroep te doen op de brandweerdienst van de gemeente die het centrum van de gewestelijke groep vormt tegen betaling van een forfaitaire en jaarlijkse bijdrage die door de provinciegouverneur wordt vastgesteld overeenkomstig de normen bepaald door de bevoegde minister.

Krachtens artikel 3 van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 wordt de forfaitaire en jaarlijkse bijdrage, bedoeld in artikel 10 van de wet van 31 december 1963 op de civiele bescherming, zoals het in dit geschil van toepassing is, vastgesteld, onder meer, op de grondslag (§1) van de in aanmerking komende kosten van de brandweerdiensten van de gemeenten-gewestelijk groepscentrum van de provincie; die kosten worden vastgesteld op grond van de tijdens het vorige jaar door die diensten gedragen werkelijke kosten".

De § 3 bepaalt dat "bij het vaststellen van de in aanmerking komende kosten niet meegerekend mogen worden: (...) b) de financiële lasten betreffende de pensioenen van het personeel van de brandweerdiensten, met uitzondering van het aandeel van de werkgever in de bijdrage voor de Rijksdienst voor de Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (RSZ PPO) of van het overeenstemmend percentage wanneer de gemeente-gewestelijk groepscentrum zelf haar pensioenkas beheert".

Krachtens artikel 161 van de gemeentewet van 24 juni 1988, zoals het van toepassing is op het geschil, slaat de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheden de kosten van het vorige jaar, verhoogd met het verschil tussen de geraamde uitgaven van het lopende jaar en die van het vorige jaar, jaarlijks om tussen de gemeente en verhaalt die op hen, evenredig met de wedden die elke gemeente gedurende het lopende jaar betaalt aan de aangeslotenen. Dat artikel legt tevens iedere gemeente de verplichting op om op de wedden van het personeel 7,5 pct. in te houden om ieder jaar het krediet voor de pensioenlasten te stijven.

Wanneer de centrumgemeente van de groep aangesloten is bij de RSZ PPO, worden de kosten van haar pensioenlasten - of het aandeel van de werkgever aan die instelling in de zin van artikel 3, § 3, b), van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 - aldus jaarlijks vastgesteld op basis van de gehele loonmassa van alle vastbenoemde ambtenaren, die bij het stelsel aangesloten zijn, met dien verstande dat het aandeel dat ten laste valt van het personeel op het krediet van de gemeente komt en dat, als de financiële kosten zijn bepaald, een verhouding wordt vastgesteld met de loonmassa van de gewestelijke brandweerdienst.

Krachtens zowel de artikelen 10 van de wet van 31 december 1963 en 3 van het ministerieel uitvoeringsbesluit van 10 oktober 1977 als de artikelen 10 en 11 van de Grondwet - volgens welke er geen onderscheid mag worden gemaakt tussen de gemeenten die aangewezen zijn als groepscentrum en aangesloten zijn bij de RSZ PPO en die welke daarbij niet aangesloten zijn, daar die categorieën van gemeenten dezelfde verplichting hebben die bepaald is in artikel 10 van de wet op de civiele bescherming, namelijk de verplichting om de brandweerdienst van de gemeenten die er geen inrichten te verzekeren, mits die gemeenten een bijdrage betalen, - moet bij de interpretatie van het begrip ‛overeenstemmend percentage' wanneer de groepscentrumgemeente niet bij de RSZ PPO aangesloten is, de in aanmerking komende last volgens dezelfde wiskundige bewerking worden berekend. De werkelijke in aanmerking te nemen kosten moeten dus worden vastgesteld op basis van de totale loonmassa van het personeel dat in actieve dienst is bij de centrumgemeente van de groep.

De "restrictieve" methode die door de verweerders verdedigd wordt en die erin bestaat dat als percentage dat overeenkomt met het aandeel van de werkgever, alleen het bedrag in aanmerking genomen wordt dat de gemeente betaalt voor de gepensioneerde personeelsleden van de gewestelijke brandweerdienst, is dus onwettig. Die werkwijze druist in tegen het begrip "percentage" dat impliceert dat tussen twee zaken een verhouding wordt bepaald, en tegen het begrip "overeenstemmend" dat gebiedt dat de centrumgemeenten van de groep die bij de RSZ PPO aangesloten zijn en de gemeenten die niet aangesloten zijn op voet van gelijkheid moeten worden behandeld.

De "gunstiger" methode die de tweede verweerder aangaf te hebben toegepast en waarbij geen rekening gehouden wordt met de totale loonmassa van de betrokken gemeente maar uitgaat van de totale pensioenlast van die gemeente, is dus eveneens onwettig.

Krachtens artikel 159 van de Grondwet dat de hoven en rechtbanken verbiedt onwettige verordeningen toe te passen, diende het hof van beroep de beslissingen van de tweede verweerder buiten toepassing te laten en diende het de verweerders te bevelen de rekeningen opnieuw op te maken en daarbij uit te gaan van de wettige interpretatie van de toepasselijke wetsbepalingen.

Het arrest dat weigert die beslissingen buiten toepassing te laten en dat weigert de verweerders te bevelen om de door de eiseres voorgestelde berekeningsmethode te gebruiken bij de heropmaak van de nieuwe rekeningen, schendt derhalve alle in het middel aangegeven wetsbepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet.

Tweede onderdeel

In haar syntheseconclusie in hoger beroep voerde de eiseres het volgende aan:

"De verwerende partijen voeren als tweede argument aan dat de interpretatie van de (eiseres) ertoe zou leiden dat de beschermde gemeenten pensioenlasten zouden moeten dragen die geen enkel verband houden met de brandweerdienst van de stad Luik en die in werkelijkheid verbonden zijn met de totale pensioenlast van de stad;

De door (de eiseres) toegepaste regeling heeft (...) nochtans dezelfde gevolgen als de toepassing van de regeling zoals die gangbaar is bij de RSZ PPO;

Hierbij wordt de bijdragevoet berekend zonder dat een onderscheid wordt gemaakt naargelang van de werkgever of de verschillende categorieën van aangesloten personeel (administratief personeel, werklui, technici, verzorgend en bijstandverlenend personeel, opvoedkundig personeel, veiligheidskorps);

Dezelfde bijdragevoet moet immers voor iedereen worden toegepast volgens de verdeelsleutel: massa van de pensioenen die aan iedereen worden betaald/loonmassa van alle personeelsleden in actieve dienst, zonder dat hierbij de een of andere verhouding tussen het personeel in actieve dienst en de gepensioneerden van iedere werkgever en iedere categorie in acht genomen moet worden.

Als (de eiseres) de door haar voorgestelde methode toepast, krijgt ze dus af te rekenen met dezelfde gevolgen als die welke zouden voortvloeien uit de toepassing van de RSZ PPO-regeling, namelijk een eventuele wanverhouding tussen het bedrag van de bijdrage ‛pensioenen' van de brandweerdienst en het bedrag van de aan de gewezen personeelsleden van die dienst betaalde pensioenen, naargelang die dienst weinig of geen gepensioneerden telt in verhouding tot de brandweerlieden in actieve dienst;

Kortom, de tweede reden die de (verweerders) aanvoeren om de door de (eiseres) voorgestelde berekeningsmethode niet toe te passen, bekritiseert enkel een gevolg verbonden aan het solidariteitsstelsel dat in het kader van de RSZ PPO is ingevoerd en dat in het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 uitdrukkelijk als ijkpunt wordt genomen voor de berekening van de financiële lasten betreffende de pensioenen van het personeel van de brandweerdiensten van de aangesloten gemeenten;

(...)

De beroepen beslissing wijst de rechtsvordering van de (eiseres) af op grond dat ‘de kosten van diensten, andere dan de brandweer, dus niet in aanmerking mogen worden genomen'.

De wijze waarop de RSZ PPO wordt gefinancierd heeft evenwel juist dat gevolg. Artikel 161 van de nieuwe gemeentewet bepaalde immers ten tijde van de feiten het volgende: ‘Jaarlijks gaat de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten over tot omslag over de (daarbij aangesloten) gemeenten en tot verhaal op hen van de uitgaven van het vorig jaar, verhoogd met het verschil tussen de geraamde uitgaven van het lopende jaar en de uitgaven van het vorige jaar, en dit in verhouding tot de wedden welke in iedere gemeente gedurende het lopende jaar aan de aangeslotenen betaald worden (...). De gemeenten houden op de wedden van het personeel 6,5 pct. in, om ieder jaar het voor de pensioenlasten bestemde krediet te stijven'.

Bijgevolg wordt de RSZ PPO inzake pensioenen gefinancierd door een omslagstelsel dat berust op de loonmassa. De RSZ PPO berekent het aandeel van de erbij aangesloten gemeenten op basis van de loonmassa van alle erbij aangeslotenen waardoor de pensioenlast op gelijke wijze over alle gemeenten wordt verdeeld (solidariteit van de personeelsleden in actieve dienst). Het vereiste omslagpercentage wordt vastgesteld op basis van de raming van het bedrag van de loon- en pensioenmassa's voor het lopende jaar.

Daaruit volgt dat de RSZ PPO de bijdragevoet berekent zonder enig onderscheid te maken naargelang van de werkgever of van de onderscheiden categorieën van aangesloten personeel (administratief personeel, werklui, technici, verzorgend en bijstandverlenend personeel, opvoedkundig personeel, veiligheidskorps). Dezelfde bijdragevoet moet immers voor iedereen worden toegepast volgens de verdeelsleutel: massa van de pensioenen die aan allen worden betaald/ loonmassa van de personeelsleden in actieve dienst, zonder dat hierbij de een of andere verhouding tussen het personeel in actieve dienst en de gepensioneerden van iedere werkgever en iedere categorie in acht moet worden genomen.

Bijgevolg is het door het beroepen vonnis in aanmerking genomen argument volgens hetwelk ‘de kosten van diensten met uitzondering van de brandweer niet in aanmerking mogen worden genomen' onjuist en kan het de verwerping van de vordering van de (eiseres) niet verantwoorden".

In hun syntheseconclusie herhalen de (verweerders) het volgende:

"Diezelfde solidariteit mag niet worden opgelegd voor de berekening van de in aanmerking te nemen kosten van de brandweerdienst, aangezien die berekening ten grondslag ligt aan de verdeling tussen de centrumgemeente van de groep en de beschermde gemeenten van dezelfde gewestelijke groep". "De in aanmerking te nemen kosten van" de brandweerdiensten van de centrumgemeenten van de groep worden vastgesteld op basis van de werkelijke kosten van die brandweerdiensten, zodat de kosten van diensten, andere dan de brandweer, niet in aanmerking mogen worden genomen".

"Artikel 3, § 3, van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 preciseert evenwel dat het aandeel van de werkgever in de bijdrage aan de RSZ PPO - of het overeenstemmend percentage - in aanmerking wordt genomen in zoverre het van toepassing is op de financiële lasten die uitsluitend de pensioenen van het personeel van de brandweerdiensten betreffen, met uitzondering van de lasten verbonden aan andere diensten".

"Zoals hierboven is gezegd verwijst artikel 3, § 3, van het ministerieel besluit naar ‘het aandeel van de werkgever in de bijdrage aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten';

Hier is helemaal geen sprake van financiële lasten die uitsluitend betrekking hebben op de pensioenen van het personeel van de brandweerdiensten;

Uiteraard kan geen onderscheid in behandeling gemaakt worden naargelang de groepscentrumgemeente al dan niet aangesloten is bij het pensioenstelsel van de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten".

Uit het eerste onderdeel van het middel dat thans als volledig weergegeven wordt beschouwd blijkt, dat het aandeel van de werkgever in de bijdrage, voor de gemeenten die bij de RSZ PPO aangesloten zijn, krachtens artikel 161 van de nieuwe gemeentewet wordt vastgesteld op basis van de totale loonmassa van de personeelsleden in actieve dienst.

In zoverre de minister in artikel 1 van het ministerieel besluit van 31 januari 1990 tot aanvulling van artikel 3, § 3, b) van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 dat aandeel van de werkgever in aanmerking neemt voor de berekening van de forfaitaire en jaarlijkse bijdrage bedoeld in artikel 10 van de wet van 31 december 1963, beslist hij noodzakelijkerwijze dat artikel 3, §1, van dat besluit de gouverneurs de verplichting oplegde om voor de bij de RSZ PPO aangesloten gemeenten het aandeel van de werkgever in aanmerking te nemen dat vastgesteld wordt op basis van de totale loonmassa, met andere woorden een aandeel van de werkgever waarbij andere parameters worden gehanteerd dan alleen de pensioenlasten van de brandweerdienst. Hij beslist aldus noodzakelijkerwijze dat hij, door dat aandeel in aanmerking te nemen, niet inging tegen de in artikel 3, § 1, c), vervatte eis dat alleen de werkelijke kosten in aanmerking mogen worden genomen omdat anders beide bepalingen elke samenhang zouden verliezen.

Krachtens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en op grond van het beginsel dat de gemeenten de vrije keuze hebben om zich al dan niet bij de RSZ PPO aan te sluiten, dat is vastgelegd in artikel 161 van de nieuwe gemeentewet, diende de minister alle centrumgemeenten die, krachtens artikel 10 van de wet van 31 december 1963 ertoe verplicht waren om tegen betaling van een bijdrage de brandweerdienst te verzekeren van de gemeenten die dat zelf niet doen, op voet van gelijkheid te behandelen.

In zoverre de minister voor de niet bij de RSZ PPO aangesloten gemeenten beslist om het percentage dat overeenstemt met het aandeel van de werkgever in de bijdrage aan de RSZ PPO als toelaatbare lasten in aanmerking te nemen, neemt hij in artikel 1 van het ministerieel besluit van 31 januari 1990 tot aanvulling van artikel 3, § 3, b), van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 noodzakelijker wijze aan dat de methode waarbij voor de berekening van de pensioenlasten de totale loonmassa als uitgangspunt genomen wordt, niet in strijd was met artikel 3, § 1, meer bepaald met het in het artikel 3, § 1, c), van hetzelfde ministerieel besluit vervatte vereiste dat alleen de werkelijke kosten van de gewestelijke brandweerdienst in aanmerking mogen worden genomen.

Het arrest dat aan artikel 3, § 1, niet de draagwijdte toekent die de eiseres eraan gaf op grond dat die uitlegging de schending van artikel 3, § 1, tot gevolg zou hebben in zoverre zij ertoe zou leiden "dat de beschermde gemeenten de pensioenlasten moeten dragen van diensten van de stad Luik, andere dan de brandweerdienst" en dat om die reden weigert de beslissingen van de tweede verweerder op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten, schendt alle in het middel vermelde bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet.

Bovendien antwoordt het arrest niet op het middel waarin de eiseres aanvoerde dat voor de bij de RSZ PPO aangesloten gemeenten het bestaan van een eventuele wanverhouding tussen het bedrag van de bijdrage die de centrumgemeente betaalt voor de pensioenen van de gewestelijke brandweerdienst en het bedrag van de aan de gewezen personeelsleden van die dienst werkelijk betaalde pensioenen niet tot gevolg had dat het aandeel van de werkgever aan de RSZ PPO niet zou kunnen worden omschreven als ‘werkelijke kosten' in de zin van artikel 3, § 1, c), van het ministerieel besluit en dat dezelfde interpretatie bindend was voor de niet aangesloten gemeenten; het is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming worden de gemeenten voor de algemene organisatie van de brandweerdiensten in gewestelijke groepen ingedeeld. De provinciegouverneur wijst de gemeente aan die het centrum vormt van de gewestelijke groep. De overige gemeenten van die groep zijn ertoe houden hetzij een brandweerdienst, die over het nodige personeel en materieel beschikt, te behouden, hetzij een beroep te doen op de brandweerdienst van de gemeente die het centrum van die groep vormt tegen betaling van een forfaitaire en jaarlijkse bijdrage die door de provinciegouverneur wordt vastgesteld overeenkomstig de normen bepaald door de bevoegde minister.

Artikel 3, § 1, c), van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 tot vaststelling van de normen voor het bepalen van de forfaitaire en jaarlijkse bijdrage bedoeld in artikel 10 van de wet van 31 december 1963, zoals het van toepassing is op dit geschil, bepaalde dat de jaarlijkse bijdrage verschuldigd door de gemeenten wordt vastgesteld op de grondslag van de in aanmerking komende kosten van de brandweerdiensten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van de provincie en dat die kosten worden vastgesteld op grond van de tijdens het vorige jaar door die diensten gedragen werkelijke kosten, met inbegrip van de kosten voor interest en aflossing van leningen. Voornoemd artikel bepaalt in b) en c) dat bij het vaststellen van de in aanmerking komende kosten de financiële lasten betreffende de pensioenen van het personeel van de brandweerdiensten niet mogen meegerekend worden, met uitzondering van het aandeel van de werkgever in de bijdrage aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (afgekort RSZ PPO) of het overeenstemmend percentage wanneer de gemeente-gewestelijk groepscentrum zelf haar pensioenkas beheert, en de uitgaven welke uiteraard ten laste komen van de gewestelijke centrumgemeente.

De eiseres betoogde in haar conclusie dat de termen "overeenstemmend percentage" moesten worden geïnterpreteerd met behulp van de methode die de RSZ PPO gebruikt voor de vaststelling van het percentage dat hij bepaalt op basis van het bedrag van de loonmassa's en de pensioenen.

Het arrest voert hiertegen aan dat "een analytische lezing van de tekst van artikel 3, § 3, b), tot de conclusie leidt dat alleen de interpretatie van [de verweerders] juist is, daar de woorden ‘overeenstemmend percentage' alleen verwijzen naar de woorden ‘het aandeel van de werkgever'. De slotzin van die tekst moet als volgt worden gelezen ‘.... of van het percentage dat overeenstemt met het aandeel van de werkgever wanneer de gemeente-gewestelijk groepscentrum zelf haar pensioenkas beheert'".

Het arrest leidt daaruit terecht af dat "bijgevolg voor de berekening van de bijdrage van de werkgever die de (eiseres) werkelijk gedragen heeft in de pensioenlast van de gewezen personeelsleden van de gewestelijke brandweerdienst het algemeen criterium van de omslag van het aandeel van de werkgever in de pensioenen moet worden gehanteerd, zoals het is vastgelegd in artikel 13 van het reglement van 1 januari van de pensioendienst (van de eiseres), en dat bestaat in een evenredige verdeling van die last naar rato van de gestorte pensioenen".

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De beslissing dat de berekeningsmethode die de tweede verweerder gebruikt heeft voor de vaststelling van de in aanmerking komende lasten van de pensioenen van de gewestelijke brandweerdienst niet onwettig is, vindt een afzonderlijke en toereikende grondslag in de in het antwoord op het eerste onderdeel weergegeven gronden, alsook in de overweging dat "het ondenkbaar is dat het ‘percentage dat overeenstemt' met de bijdrage van de werkgever in de pensioenlasten de effectief en werkelijk betaalde pensioenlasten te boven gaat".

In zoverre is het onderdeel dat gericht is tegen een ten overvloede gegeven overweging van het arrest, niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Voor het overige antwoordt het arrest op de conclusie van de eiseres, door te beslissen dat de door haar voorgestelde interpretatie "artikel 3, § 1, van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 schendt, daar zij tot gevolg heeft dat de beschermde gemeenten de pensioenlasten moeten dragen van de diensten van de (eiseres), andere dan de brandweerdienst".

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep;

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 6 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Gemeenten

  • Gewezen personeelsleden van de gewestelijke brandweerdienst

  • Pensioenen

  • Bijdrage van de werkgever

  • Forfaitaire en jaarlijkse bijdrage

  • Berekening