- Arrest van 6 januari 2011

06/01/2011 - C.09.0624.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Misbruik van recht bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam persoon kennelijk te buiten gaat. Dat is met name het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van het recht op het oog had of heeft verkregen. Bij de afweging van de in het geding zijnde belangen dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van de zaak (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0624.F

PHOTOLINEA cvba,

tegen

NOUVELLES GALERIES DU BOULEVARD ANSPACH nv,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 30 juli 2009 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van koophandel te Brussel.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1134, eerste en derde lid, 1149, 1150, 1184, inzonderheid tweede lid, 1319, 1320, 1322, 1382, 1383, 1719 en 1723 van het Burgerlijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand misbruik mag maken van zijn recht.

Aangevochten beslissing

De rechtbank verklaart het principaal beroep van de eiseres niet gegrond en bevestigt de beslissing van de eerste rechter die haar vordering tot betaling van een schadevergoeding van 75.561,90 euro had afgewezen. Die beslissing steunt op de volgende gronden:

"Misbruik van recht bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam persoon kennelijk te buiten gaat. Dat is met name het geval wanneer een partij uitsluitend handelt in haar eigen belang, met de bedoeling om een voordeel te krijgen dat buiten alle verhouding staat tot dat van haar medecontractant. Bij de afweging van de in het geding zijnde belangen moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak (...).

In casu heeft de eerste rechter terecht beslist dat de (eiseres) door haar handelwijze misbruik van recht heeft gepleegd".

De eerste rechter, wiens redenen door de rechtbank aldus worden overgenomen, had het volgende beslist:

"Te dezen heeft de verweerster aan de eiseres een beëindiging van de handelshuur voorgesteld tegen een redelijke vergoeding. Laatstgenoemde heeft er echter de voorkeur aan gegeven de gedwongen tenuitvoerlegging van de overeenkomst te eisen, hoewel zij pertinent wist dat gelet op de omstandigheden de tenuitvoerlegging voor de verweerster gewoon onmogelijk was.

De verweerster heeft geen enkele fout begaan: daar zij betrokken was bij een uitgebreid project dat ontwikkeld was door de stad Brussel (dus de overheid), restte haar geen andere redelijke keuze dan te handelen zoals zij gedaan heeft, namelijk de winkelgalerij sluiten en alle handelshuurovereenkomsten beëindigen om de vereiste werkzaamheden te kunnen uitvoeren.

Door die projecten te dwarsbomen en ondanks alles toch te eisen dat de verweerster alle lasten en uitgaven van de gehele galerij op zich zou nemen en dat voor een handelsruimte van slechts 10 vierkante meter, koos de eiseres de slechtst denkbare oplossing voor de verweerster. De eiseres had bij dit alles geen enkel voordeel, aangezien de huur hoe dan ook afliep binnen twee jaar en de exploitatievoorwaarden voor de overblijvende periode alleen maar erop achteruit konden gaan.

Die keuze levert een misbruik van recht op, te meer daar de eiseres kennelijk tot doel had om op de verweerster druk uit te oefenen opdat zij haar vergoeding zou verhogen.

De eiseres heeft die keuze en de daaruit voor haar voortvloeiende schade alleen aan haarzelf te wijten, te meer daar de verweerster al het mogelijke gedaan heeft om de schade van haar huurster te beperken gedurende die laatste periode van twee jaar.

De eiseres heeft dus geen enkele reden om van de verweerster ook maar enige vergoeding te eisen voor de nadelen die zij gedurende de laatste twee jaar van haar handelshuur geleden heeft".

Het bestreden vonnis beslist verder het volgende:

"Er dient aan te worden herinnerd dat (de verweerster), gelet op de beslissing van de eigenaar van de plaats om de site weder op te bouwen en gelet op de onvermijdelijke gevolgen van die beslissing voor de situatie van de huurders, voorgesteld heeft de litigieuze huurovereenkomst voortijdig te beëindigen tegen betaling van een vergoeding van 25.000 euro wat overeenkwam met iets meer dan vijf jaar huur en heffingen.

Zoals de eerste rechter heeft gezegd gaf (de eiseres), hoewel zij heel goed op de hoogte was van de renovatieplannen en van de gevolgen ervan voor haar handelszaak, er toch de voorkeur aan de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten te eisen. Hierdoor maakte zij de voor (de verweerster) meest nadelige keuze, hoewel haar belang om in de handelszaak te blijven op zijn zachtst gezegd gering was, daar de huurovereenkomst afliep binnen twee jaar en de exploitatievoorwaarden voor de overblijvende periode er alleen maar op konden achteruitgaan (...).

(De eiseres) verliest (evenwel) uit het oog dat haar handelszaak, gelet op het verstrijken van haar huurovereenkomst op 28 februari 2007 en gelet op het feit dat de hernieuwing ervan, wat er ook over werd beweerd, utopisch was wegens de werkzaamheden die er begonnen waren, onvermijdelijk op korte termijn ten dode opgeschreven was.

Zij toont overigens niet aan dat de vergoeding die zij toen had kunnen eisen op grond van de artikelen 1149 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, merkelijk hoger zou zijn geweest. Wat dat betreft dient eraan te worden herinnerd dat de te vergoeden schade bestaat in de verliezen en de gederfde winsten die het onmiddellijk en rechtstreeks gevolg zijn van de niet-uitvoering en dat, behoudens bedrog, alleen de schade die de partijen hadden voorzien of hadden kunnen voorzien bij het sluiten van de overeenkomst moet worden vergoed. In strijd met wat (de eiseres) betoogt, impliceerde de vergoeding waarop zij aanspraak had kunnen maken dus niet dat zij haar activiteiten zou kunnen overbrengen naar een gelijksoortige handelszaak in de onmiddellijke buurt.

Het beroepen vonnis bevat dus geen tegenstrijdigheid waar het enerzijds vermeldt, dat de voorgestelde vergoeding redelijk was, maar anderzijds toegaf dat die vergoeding (de eiseres) niet in staat stelde een gelijksoortige handelszaak te vinden in het centrum van de stad".

Grieven

(...)

Vierde onderdeel

Misbruik van recht kan bestaan in de uitoefening van een recht op een wijze die de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat (zie Cass., 10 juni 2004, A.C., 2004, nr. 315).

Buiten het geval van opzet om te schaden, worden voor de omschrijving van het begrip rechtsmisbruik evenredigheidscriteria gehanteerd:

- een recht wordt uitgeoefend zonder belang of wettige reden en berokkent aldus aan een derde een schade die had kunnen worden voorkomen;

- een recht wordt uitgeoefend terwijl het behaalde voordeel totaal buiten verhouding staat tot de schade aan een ander;

- tussen verschillende wijzen van rechtsuitoefening wordt de voor anderen meest nadelige wijze gekozen zonder dat die keuze verantwoord is door een belang (of een voldoende belang) aan de zijde van de houder van het recht;

- een recht wordt op zodanige wijze uitgeoefend dat voor de gemeenschap schade kan ontstaan die buiten elke verhouding staat tot het voordeel dat de houder van het recht op het oog heeft.

Het Hof (van Cassatie) mag hierbij nagaan of de concrete vaststellingen in de beslissing de toepassing wettigen ofwel van de algemene omschrijving ofwel van het een of andere geval waarin sprake is van rechtsmisbruik.

De vaststellingen van het bestreden vonnis volstaan te dezen niet om van rechtsmisbruik te kunnen spreken.

De rechtbank stelt immers vast dat het belang van de eiseres "op zijn zachtst gezegd gering" was, wat onmogelijk kan impliceren dat zij de grenzen van de normale uitoefening van haar recht kennelijk had overschreden.

Bovendien bevestigt de rechtbank wel dat de eiseres de voor de verweerster meest nadelige keuze gedaan heeft maar zij omschrijft niet waarin de schade van laatstgenoemde in concreto bestaan heeft.

Om die redenen schendt het bestreden vonnis dat beslist dat de vordering van de eiseres tot schadevergoeding moest worden afgewezen zonder daarbij vast te stellen dat de eiseres de grenzen van de normale uitoefening van haar recht kennelijk overschreden heeft en zonder in concreto vast te stellen dat zij haar recht heeft uitgeoefend op de wijze die voor de verweerster het meest nadelig was, de artikelen 1382, 1383 en 1134, inzonderheid derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en miskent het tevens het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand van zijn recht misbruik mag maken.

(...)

Tweede middel

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 1134, inzonderheid derde lid, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand van zijn recht misbruik mag maken.

Aangevochten beslissing

Op de in het eerste middel weergegeven gronden verklaart de rechtbank het principaal beroep van de eiseres niet gegrond en bevestigt zij de beslissing van de eerste rechter, die haar vordering tot betaling van een schadevergoeding van 75.561,90 euro had afgewezen omdat zij een misbruik van recht had begaan door die vergoeding te eisen.

Grieven

De sanctie op rechtsmisbruik is niet het volledig verbeuren van dat recht, maar het opleggen van de normale uitoefening ervan of het herstel van de schade ten gevolge van dit misbruik (Cass., 16 december 1982, A.C., 1982-83, nr. 231 ; Cas., 18 februari 1988, A.C., 1987-88, nr. 375; Cass., 11 juni 1992, A.C., 1991-92, nr. 532 ; Cass., 8 februari 2001, A.C., 2001, nr. 78).

Het bestreden vonnis kon bijgevolg niet wettig beslissen dat het eventuele rechtsmisbruik van de eiseres een reden was om haar vordering tot schadevergoeding in haar geheel niet gegrond te verklaren (met inbegrip van het haar door de verweerster voorgestelde bedrag). De rechtbank schendt aldus de artikelen 1382, 1383, 1134, inzonderheid derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en miskent het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand van zijn recht misbruik mag maken.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste middel

(...)

Vierde onderdeel

Misbruik van recht bestaat in de uitoefening van dat recht op een wijze die de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam persoon kennelijk te buiten gaat. Dat is met name het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van het recht op het oog had of heeft verkregen. Bij de afweging van de in het geding zijnde belangen dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van de zaak.

Het bestreden vonnis stelt vast dat, "gelet op de beslissing van de eigenaar van de plaats om de site weder op te bouwen en gelet op de onvermijdelijke gevolgen van die beslissing voor de situatie van de huurders, (de verweerster) voorgesteld heeft de litigieuze huurovereenkomst voortijdig te beëindigen tegen betaling van een vergoeding van 25.000 euro, wat overeenkwam met iets meer dan vijf jaar huur en heffingen" en dat de eiseres, "hoewel zij heel goed op de hoogte was van de renovatieplannen en van de gevolgen hiervan voor haar handelszaak, er toch de voorkeur aan gaf de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten te eisen".

Het bestreden vonnis beslist dat de eiseres "aldus de voor (de verweerster) meest nadelige keuze heeft gemaakt, hoewel haar belang om in de handelszaak te blijven op zijn zachtst gezegd gering was, daar de huurovereenkomst binnen twee jaar afliep en de exploitatievoorwaarden er voor de overblijvende periode alleen maar op konden achteruitgaan".

In verband met het door de eiseres nagestreefde voordeel wijst het bestreden vonnis er meer bepaald op dat haar handelszaak, "gelet op het verstrijken van haar huurovereenkomst op 28 februari 2007 en gelet op het feit dat (...) de hernieuwing ervan utopisch was wegens de werkzaamheden die er begonnen waren, haar handelszaak onvermijdelijk op korte termijn ten dode opgeschreven was" en dat zij "het besluit had genomen om ter plaatse te blijven hoewel zij heel goed op de hoogte was van de werkzaamheden die er begonnen waren en van de nadelige gevolgen ervan voor de aantrekkelijkheid van de site en voor haar handelszaak in het bijzonder, (dat zij) immers reeds in maart 2005 kloeg over het sluiten van de galerij, het vertrek van de overige winkeliers en de gevolgen hiervan voor haar zaak", terwijl de vergoeding die haar door de verweerster was voorgesteld "redelijk" was, zij in elk geval "niets ondernomen had om de billijke vergoeding te krijgen (...) waarop zij meende recht te hebben en de rechtbank in dat verband vaststelt (dat zij niet aantoonde) ook maar enig redelijk voorstel tot schadevergoeding te hebben gedaan, maar dat zij integendeel (toegaf) op een gegeven ogenblik buitensporige bedragen te hebben geëist en dat uit het onderzoek van het dossier (bleek) dat zij onophoudelijk gevraagd had dat de overeenkomst tot de afloop ervan zou worden uitgevoerd".

In verband met de schade die voor de verweerster voortvloeide uit de keuze van de eiseres blijkt uit de vermeldingen van het bestreden vonnis dat die schade erin bestond dat de verweerster, van wie de eiseres de uitvoering bij wijze van equivalent vorderde, de verplichting had om "voor een handelsruimte van minder dan 10m2 alle kosten en uitgaven van de gehele winkelgalerij te haren laste te nemen" en "het geheel van de verbintenissen die voortvloeiden uit de overeenkomst van dienstverlening".

Op grond van die overwegingen onderzoekt het bestreden vonnis in het licht van alle omstandigheden van de zaak of de verweerster uit het gebruik van haar recht om de uitvoering van de tussen de partijen bestaande overeenkomsten te vorderen, geen voordeel zou behalen dat niet in verhouding stond tot de hiermee overeenkomende last van de verweerster en verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Tweede middel

De sanctie op rechtsmisbruik bestaat erin dat het recht slechts op een normale wijze mag worden uitgeoefend of dat de schade ten gevolge van dat misbruik moet worden hersteld.

Wanneer een van de partijen de keuze geboden bij artikel 1184 Burgerlijk Wetboek misbruikt om van de tegenpartij de tenuitvoerlegging van de overeenkomst af te dwingen in plaats van de ontbinding ervan met schadevergoeding te eisen of te aanvaarden, kan het herstel van dat misbruik erin bestaan dat die partij het recht verbeurt om de gedwongen tenuitvoerlegging te verkrijgen.

Het bestreden vonnis vermeldt dat de eiseres "de schadelijke gevolgen moet dragen die voor haar uit haar misbruik van recht voortvloeien" en weigert haar een vergoeding toe te kennen gelijk aan die welke de verweerster haar had voorgesteld binnen het kader van de ontbinding van de overeenkomsten op grond dat "zij er de voorkeur aan gegeven heeft de gedwongen uitvoering van de overeenkomsten te eisen, zodat zij niet het recht heeft om de vergoeding van de eruit voortvloeiende schade te vorderen" van de verweerster.

Het bestreden vonnis heeft wettig kunnen beslissen dat het door de eiseres begane rechtsmisbruik die sanctie vereiste. Het vonnis dat om die redenen de vordering van de eiseres tot toekenning van schadevergoeding omdat de verweerster haar verplichtingen niet was nagekomen, volledig niet gegrond verklaart, miskent het algemeen rechtsbeginsel niet volgens hetwelk niemand van zijn recht misbruik mag maken en het schendt evenmin de in het middel aangegeven wetsbepsalingen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep;

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 6 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden