- Arrest van 7 januari 2011

07/01/2011 - C.09.0208.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Dubrulle.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0208.N

AXA WINTERTHUR nv, verzekeringsmaatschappij naar Zwitsers recht, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. D.S.V. AIR & SEA sas, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 95707 Roissy (Frankrijk), Charles de Gaulle, Aéroport Charles de Gaulle, BP 12439,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest,

en in aanwezigheid van

2. QUADRANT SHIPPING Ltd., vennootschap naar Zuid-Afrikaans recht, met zetel te 95707 Roissy (Frankrijk), Charles de Gaulle, Aéroport Charles de Gaulle, BP 12439,

verweerster,

opgeroepen in gemeenverklaring van het arrest,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest,

3. ABX LOGISTICS (HONG KONG) Ltd., vennootschap naar het recht van Hong Kong, met zetel te Hong Kong (China), 11/F, Chi Wo Commercial Building 20, Saigon Street,

verweerster,

opgeroepen in gemeenverklaring van het arrest,

vertegenwoordigd door mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 6000 Charleroi, rue de l'Athenée 9, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 24 november 2008 op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 20 oktober 2006.

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De tweede en derde verweerster voeren aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijkheid is in zoverre dit tegen hen gericht is: zij zijn vreemd aan de bestreden beslissing.

2. Het enige middel dat de eiseres aanvoert, betreft de beslissing over de gegrondheid van de vordering van de eiseres tegen de eerste verweerster.

Indien het tegen de eerste verweerster ingestelde cassatieberoep zou worden aangenomen, zou dit geen enkel gevolg hebben voor de beslissing van de appelrechters met betrekking tot de gegrondheid van de vordering van de eiseres ten aanzien van de tweede en de derde verweerster.

Het middel van niet-ontvankelijkheid dient te worden aangenomen.

3. De betekening van het cassatieberoep aan de tweede en de derde verweerster geldt evenwel als oproeping tot bindendverklaring van het arrest.

Eerste onderdeel

4. Krachtens artikel 91, A, § 1, a, Zeewet, is "vervoerder", de scheepseigenaar of de bevrachter die partij is bij een vervoerovereenkomst met een afzender.

5. Voor die bepaling van de rechten die de derde houder uit het cognossement put, dient dus te worden nagegaan wie als bevrachter het cognossement heeft uitgegeven en tegen wie de cognossementhouder derhalve zijn aanspraken kan richten.

Aan de regel dat de cognossementhouder zijn rechten uit het cognossement put, wordt geen afbreuk gedaan doordat wordt nagegaan wie het cognossement heeft uitgegeven.

6. De derde-cognossementhouder kan met alle middelen van recht bewijzen wie de bevrachter of de uitgever van het cognossement was, indien zulks niet blijkt uit het cognossement.

Wanneer de identiteit van de vervoerder uit het cognossement blijkt, dient niet te worden onderzocht wie het cognossement heeft uitgegeven.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert aan dat aan het arrest tegenstrijdig is doordat het enerzijds oordeelt dat de cognossementhouder zijn rechten put uit het cognossement en uit de wettelijke bepalingen die op het cognossement van toepassing zijn, in het bijzonder artikel 91 Zeewet, en anderzijds aanneemt dat de cognossementhouder geen aanspraak kan maken op rechten die het cognossement zelf niet toekent, en zich evenmin kan beroepen op de achterliggende overeenkomst, die de juridische oorzaak is van de uitgifte van het cognossement.

8. Zulke juridische tegenstrijdigheid die slechts kan worden beoordeeld op grond van de uitlegging van artikel 91 Zeewet, houdt geen verband met de motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet.

Het onderdeel is derhalve niet ontvankelijk.

Vordering tot bindendverklaring

9. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt elk belang aan de vordering tot bindendverklaring.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 873,89 euro jegens de eisende partij, op de som van 314,74 euro jegens de verwerende partij sub 1, op de som van 314,74 euro jegens de verwerende partij sub 2 en op de som van 314,74 euro jegens de verwerende partij sub 3.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 7 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Zeevervoer

  • Cognossement

  • Uitgever

  • Derde-houder

  • Bewijsvoering