- Arrest van 7 januari 2011

07/01/2011 - C.09.0602.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Indien de vrederechter nalaat de provisionele vergoeding die aan de pachter toekomt, vast te stellen, verhindert dit dat de onteigenaar de pachter uit zijn bezit kan ontzetten; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de onteigenaar hem sommige stukken bedoeld in artikel 11 van de Onteigeningswet 1962 heeft betekend; de onteigenaar kan dan immers geen bewijs voorleggen van de storting van de provisionele vergoeding in de Deposito- en Consignatiekas die toekomt aan de pachter omdat hierover geen uitspraak werd gedaan (1). (1) Zie Cass., 10 juni 1977, A.C., 1977, 1047.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0602.N

1. J.D.,

2. M.V.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, met kantoor te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 23 december 2008.

Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren navolgend middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 16 Grondwet;

- artikel 11 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigening ten algemene nutte (Onteigeningswet).

Bestreden beslissing

Het bestreden vonnis verklaart de bezitsvordering van de eiseres niet toelaatbaar op grond van het motief "Bij beschikking van 18 mei 2006 werd (de verweerder) in het bezit gesteld van het perceel in kwestie" (p. 10, nr. 3.1.2) en verklaart het derdenverzet van de eisers tegen de beschikking van 18 mei 2006 ongegrond op grond van volgende overwegingen:

"(De eisers) steunen hun vordering op de vaststelling dat (de eiser) tot op heden geen provisionele vergoeding mocht ontvangen.

Zij verwijzen naar artikel 11 van de Onteigeningswet van 25 juli 1962, waaruit blijkt dat de onteigenaar slechts bezit kan nemen van het perceel nadat hij aan alle verwerende of als tussenkomende partij erkende partijen een gewaarmerkt afschrift betekend heeft van het vonnis dat de provisionele vergoedin¬gen bepaalt en het bewijs van de storting van deze provisionele vergoedingen in de consignatiekas.

Aangezien aan (de eiser) nog geen provisionele vergoeding werd toegekend, kon (de verweerder) dit niet consigneren, noch het bewijs ervan betekenen en dus ook niet het perceel in bezit nemen, naar wordt gesteld.

De rechtbank stelt vast dat (de verweerder) bij exploot van 24 april 2006 aan (de eiser), de heer P. en (de eiseres) onder meer eensluidend afschrift betekend heeft van het vonnis van de vrederechter van het kanton Willebroek van 6 maart 2006, het bewaargevingsbewijs van 24 maart 2006 van de storting bij de deposito- en consignatiekas, agentschap Mechelen, van het bedrag van de provisionele onteigeningsvergoeding van 4.712,00 euro en van het verslag van plaatsbeschrijving van deskundige T. P. van 29 april 2005.

Het is bij vonnis van 6 maart 2006 dat de vrederechter van het kanton Willebroek het bedrag van de provisionele vergoeding die (de verweerder) aan de heer P. en (de eiseres) uit hoofde van onteigening diende te storten, bepaald heeft op 4.712,00 euro.

Ten aanzien van (de eiseres) heeft (de verweerder) bijgevolg voldaan aan de verplichtingen van artikel 11 Onteigeningswet.

Overeenkomstig artikel 8 van deze wet, diende de rechter, bij inwilliging van het onteigeningsverzoek het bedrag van de provisionele vergoeding te bepalen dat aan ieder van de verweerders en aan de als tussenkomend erkende partij diende te worden betaald.

(De eiser) werd in het vonnis van 6 maart 2006 vermeld als vrijwillig tussenkomende partij.

Bovendien was (de eiser) zelfs door (de verweerder) bij exploot van 25 november 2005 gedagvaard, waarbij onder meer gevorderd werd om het bedrag van 1 euro als provisionele vergoeding te horen vaststellen, toekomend aan de onteigende pachter.

Los van de vraag of de vrederechter bijgevolg zelf een provisio¬nele vergoeding diende te bepalen, dan wel hiertoe een uitdrukkelijke vordering vanwege (de eiser) diende af te wachten, dient te worden vastgesteld dat de vrederech¬ter enkel voor (de eiseres) (en wijlen de heer P. ) een provisionele vergoeding heeft bepaald.

Door aldus het vonnis in kwestie, het bewijs van storting van de enige vastgestelde provisionele vergoeding en de plaatsbeschrijving te betekenen aan alle verweerders en tussenkomende partijen, heeft (de verweerder) voldaan aan de op hem rustende verplichtingen van artikel 11 Onteigeningswet.

De vraag of de eerste rechter al dan niet een provisionele vergoeding had moeten bepalen voor (de eiser), verandert hier niets aan.

De eerste rechter heeft bijgevolg terecht (de verweerder) in het bezit gesteld van het perceel in kwestie.

(De eisers) verwijzen ook naar artikel 16 Grondwet, doch dit heeft betrekking op de aan de eigenaar verschuldigde vergoeding, en dus niet op de pachter die geen eigendomsrechten kan doen gelden".

Grieven

Bij onteigening heeft de pachter recht op de bij artikel 16 Grondwet bepaalde vergoeding, dit is een billijke en voorafgaande schadeloosstel¬ling.

Ingevolge artikel 11 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte mag de onteigenaar pas bezit nemen van het onteigende goed en van de rechter een bevelschrift van inbezitstelling bekomen nadat hij aan alle verwerende of als tussenkomende erkende partijen een gewaarmerkt afschrift heeft betekend van o.m. het vonnis, dat het bedrag van de provisionele vergoeding bepaalt, en van het bewijs van storting van de provisionele vergoeding in de deposito- en consi¬gnatiekas.

Die bepaling waarborgt de voorafgaande schadeloosstelling van alle verwerende of als tussenkomende erkende partijen in de onteigeningsprocedure, zodat wanneer ten opzichte van één van die partijen het vonnis dat het verzoek tot onteigening inwilligt, nalaat de provisionele vergoeding vast te stellen, de onteige¬naar niet het onteigende goed in bezit kan nemen daar ten opzichte van die partij de onteigenaar de formaliteiten bepaald in artikel 11 voor het in bezit nemen van het onteigende goed niet kan naleven gezien ten opzichte van die partij het vonnis niet het bedrag van de provisionele vergoeding bepaalt en er bijgevolg geen storting van die provisionele vergoeding in de deposito- en consignatiekas mogelijk is.

Het bestreden vonnis stelt vast dat in het vonnis van 6 maart 2006 (vonnis dat het verzoek tot onteigening inwilligt) de eiser vermeld werd als vrijwillig tussenkomende partij en dat bovendien de eiser door de verweerder op 25 november 2005 werd gedagvaard (en dus ook verwerende partij was).

Het bestreden vonnis stelt tevens vast dat de vrederechter in zijn vonnis van 6 maart 2006 enkel voor de eiseres een provisionele vergoeding heeft vastgesteld en niet voor de eiser.

Niettemin verklaart het bestreden vonnis het derdenverzet van de eisers tegen de beschikking van inbezitstelling ongegrond omdat de verweerder het vonnis van 6 maart 2006 en het bewijs van storting van de provisionele vergoeding toekomend aan de eiseres heeft betekend aan de eisers en aldus zou hebben voldaan aan de op hem rustende verplichtingen van artikel 11 van de onteigeningswet en omdat artikel 16 Grondwet geen betrekking heeft op de aan de pachter verschuldigde vergoe¬dingen.

Door aldus te oordelen schendt het bestreden arrest artikel 16 Grondwet en artikel 11 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 7, eerste lid, Onteigeningswet 1962 aanvaardt de vrederechter op de dag die voor de verschijning ter plaatse is bepaald, als tussenkomende partijen zonder verdere procedure en zonder dat daaruit vertraging mag voortvloeien, de belanghebbende derden die erom verzoeken.

Krachtens artikel 7, tweede lid, Onteigeningswet 1962 oordeelt de vrederechter of de vordering regelmatig is ingesteld, de door de wet voorgeschreven formaliteiten vervuld zijn en het plan van de grondinnemingen van toepassing is op het goed waarvan de onteigening wordt gevorderd.

Krachtens artikel 8, eerste lid, Onteigeningswet 1962 bepaalt de rechter, indien hij het verzoek inwilligt, in hetzelfde vonnis, bij wijze van ruwe schatting, het bedrag van de provisionele vergoedingen die de onteigenaar globaal zal storten aan ieder van de verweerders en van de als tussenkomend erkende partijen; het bedrag van die provisionele vergoedingen mag niet lager zijn dan negentig procent van wat de onteigenaar heeft aangeboden.

Krachtens artikel 9, eerste lid, Onteigeningswet 1962 wordt het door de rechter vastgestelde bedrag, krachtens het vonnis en zonder dat het vooraf moet worden betekend, door de onteigenaar in de deposito- en consignatiekas gestort.

Krachtens artikel 11, eerste lid, Onteigeningswet 1962 neemt de onteigenaar bezit van het onteigende goed nadat hij aan alle verwerende of als tussenkomend erkende partijen een gewaarmerkt afschrift heeft betekend van:

1° het vonnis, dat het bedrag van de provisionele vergoeding bepaalt;

2° het bewijs van storting van de provisionele vergoeding in de Deposito- en Consignatiekas;

3° de plaatsbeschrijving.

Krachtens artikel 11, tweede lid, Onteigeningswet 1962 kan de onteigenaar,

zodra deze betekening is gedaan, aan de rechter een bevelschrift van inbezitstelling van de onteigende goederen vragen; dat bevelschrift wordt door de rechter onverwijld aangebracht onderaan het origineel van het in het eerste lid bedoelde exploot van betekening.

Krachtens artikel 14, tweede lid, Onteigeningswet 1962, bepaalt de rechter, na de aanwezige partijen en de deskundige te hebben gehoord, voorlopig het bedrag van de vergoeding die voor de onteigening verschuldigd is.

Krachtens artikel 16, eerste lid, Onteigeningswet 1962 worden de voorlopige vergoedingen die de rechter heeft toegekend, onherroepelijk, indien binnen twee maanden na de verzending van de in artikel 15, tweede lid, bedoelde stukken, geen van de partijen de herziening ervan heeft aangevraagd voor de rechtbank van eerste aanleg.

2. Uit deze bepalingen volgt dat, indien de pachter van een landeigendom tussenkomt in de onteigeningsprocedure, de vrederechter bij wijze van ruwe schatting het bedrag van de provisionele vergoeding bepaalt dat de onteigenaar zal storten aan de tussenkomende pachter en zonder dat dit bedrag lager mag zijn dan negentig procent van wat de onteigenaar heeft aangeboden.

Hieruit volgt eveneens dat de onteigenaar slechts bezit kan nemen van het onteigende goed nadat hij aan de tussenkomende pachter een afschrift heeft betekend van onder meer het vonnis dat het bedrag van de provisionele vergoeding bepaalt en het bewijs van de storting van de provisionele vergoeding in de deposito- en consignatiekas.

3. Indien de vrederechter nalaat de provisionele vergoeding die aan de pachter toekomt, vast te stellen, verhindert dit dat de onteigenaar de pachter uit zijn bezit kan ontzetten. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de onteigenaar hem sommige stukken bedoeld in artikel 11 Onteigeningswet 1962 heeft betekend.

Het vonnis van de vrederechter stelt in dit geval immers niet de provisionele vergoeding vast die aan de pachter toekomt en uiteraard kan de onteigenaar geen bewijs voorleggen van de storting van de provisionele vergoeding die toekomt aan de pachter omdat hierover geen uitspraak werd gedaan.

4. De appelrechters stellen vast dat:

- de verweerder heeft voldaan aan de op hem rustende formaliteiten ten aanzien van de eigenaars, onder wie de eiseres;

- het proces-verbaal van 26 april 2005 van de rechtszitting op de plaats van de te onteigenen goederen melding maakt van de aanwezigheid van de eiser in zijn hoedanigheid van pachter van het te onteigenen perceel;

- tijdens de plaatsopneming op 24 november 2005 de zaak werd uitgesteld naar de rechtszitting van 15 december 2005 om de verweerder toe te laten de (tweede) eiser tegen die rechtszitting te dagvaarden;

- de verweerder de eiser op 25 november 2005 liet dagvaarden teneinde onder meer de provisionele vergoeding vast te leggen en deze te bepalen op het aangeboden bedrag van 1 euro;

- de vrederechter bij vonnis van 6 maart 2006, waarin de eiser is vermeld als vrijwillig tussenkomende partij, onder meer het betwiste perceel onteigend heeft verklaard, de provisionele vergoeding die toekomt aan de eigenaars heeft bepaald op 4.712 euro en heeft geoordeeld dat de verweerder na het vervullen van de formaliteiten van artikel 11 Onteigeningswet 1962 bezit zal kunnen nemen van het onteigende goed;

- de verweerder op 24 april 2006 aan de eigenaars en de eiser de betekening heeft gedaan van een eensluidend afschrift van het vonnis van de vrederechter van het kanton Willebroek van 6 maart 2006, van het bewaargevingsbewijs van de storting bij de deposito- en consignatiekas van de aan eigenaars toekomende provisionele onteigeningsvergoeding van 4.712 euro en van het verslag van de plaatsbeschrijving.

5. De appelrechters oordelen dat, hoewel de vrederechter enkel voor de eiseres en voor wijlen de heer P. , een provisionele vergoeding heeft bepaald, de verweerder toch voldaan heeft aan de op hem rustende verplichtingen van artikel 11 Onteigeningswet 1962.

6. De appelrechters konden niet zonder schending van artikel 11 Onteigeningswet 1962 oordelen dat de eerste rechter de verweerder, ook ten opzichte van de eiser, terecht in het bezit heeft gesteld van het onteigende perceel.

De appelrechters konden daarentegen wel zonder schending van voormeld artikel 11 Onteigeningswet 1962 oordelen dat de eerste rechter de verweerder, ten opzichte van de eiseres, terecht in het bezit heeft gesteld van het onteigende perceel.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de inbezitstelling van het onteigende goed ten opzichte van de eiser.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Bepaalt de kosten op de som van 526,55 euro jegens de eisende partijen en op de som van 82,42 euro jegens de verwerende partij.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué op de openbare rechtszitting van 7 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden

  • Inbezitstelling

  • Voorlopige vergoeding

  • Pachter

  • Ontstentenis