- Arrest van 7 januari 2011

07/01/2011 - C.09.0611.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Dubrulle.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0611.N

SIS INTERNATIONALE SPEDITIONS GmbH., vennootschap naar vreemd recht, met zetel te 57290 Neunkirchen (Duitsland), postfach 1804, Lotzenarbachstrasse 1,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. ROBERT SINTO CORPORATION, vennootschap naar vreemd recht, met zetel te 48901-7960 Lansing Michigan (Verenigde Staten van Amerika), P.O. Box 40760, West Main Street 3001,

2. AXA COLONIA VERSICHERUNG AG, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 51067 Keulen (Duitsland), Colonia Allee 10-20,

verweersters,

vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de verweersters woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 25 mei 2009.

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de bepalingen van titel II, bevoegdheid, in het bijzonder de artikelen 2, 3, 5, eerste alinea, 17 en 53, van het Europees Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met inbegrip van het Protocol en de gemeenschappelijke verklaring, ondertekend te Brussel op 27 september 1968 (goedgekeurd bij wet van 13 januari 1971), in de versie na wijziging door het toetredingsverdrag van San Sebastian van 29 mei 1989 (goedgekeurd bij wet van 10 januari 1997), (hierna EEX-verdrag);

- artikel 91, van de gecoördineerde wetten op de zee- en binnenvaart, die titel II van Boek II Wetboek van Koophandel vormen, (hierna Zeewet);

- de artikelen 1 tot 10 van het internationaal Verdrag voor de eenmaking van bepaalde regelen inzake cognossementen (Hague Rules), ondertekend te Brussel op 25 augustus 1924 (goedgekeurd bij wet van 20 november 1928), zoals gewijzigd door de Brusselse Protocollen (Visby Rules) van 23 februari 1968 (goedgekeurd bij wet van 28 augustus 1979) en 21 december 1979 (goedgekeurd bij wet van 17 augustus 1983), (hierna Hague-Visby Rules);

- artikel 149 Grondwet;

- het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van het internationaal recht op het nationaal recht;

- het algemeen rechtsbeginsel van de taak van de rechter inzake de toepassing van het recht op de feiten;

- artikel 1315 Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 870 en 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het hof van beroep stelt vast dat ter bepaling van de internationale bevoegdheid het EEX¬-verdrag van toepassing is en onderzoekt of de eiseres haar vestiging in België heeft dan wel of de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt in België diende te worden uitgevoerd.

Het hof oordeelt dat de Belgische rechter geen internationale bevoegdheid kan putten uit artikel 5, eerste lid, EEX-verdrag omdat de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt - de aflevering - in Houston in de Verenigde Staten van Amerika dient uitgevoerd. Tegelijk kan de Belgische rechter ook geen rechtsmacht putten uit artikel 2 EEX-verdrag, aangezien de eiseres haar vestiging in Duitsland heeft.

Toch neemt het hof van beroep aan dat het internationaal bevoegd is om de vordering van de verweersters tegen de eiseres te beoordelen. Tegelijk wijst het hof de toepassing van de ingeroepen bevoegdheidsovereenkomst af, op grond van de volgende overwegingen:

"B. De (verweersters) stellen evenwel in ondergeschikte orde dat de eerste rechter ten onrechte heeft beslist dat de Amerikaanse rechter bevoegd is, omdat er geen bewijs voorligt dat zij artikel 91 Zeewet zullen toepassen.

De (eiseres) daarentegen beweert dat dit middel niet relevant is, omdat zij zich beroept op artikel 2 EEX-verdrag, zodat zij dient te worden gedaagd voor de Duitse rechter.

Wanneer het zoals in casu gaat om een vervoer van goederen, vanuit een Belgische haven, met een schip, met een verhandelbaar cognossement (zoals hierna aangetoond) zijn de bepalingen van artikel 91 Zeewet dwingendrechtelijk toepasselijk op dit vervoer.

Wanneer, zoals in casu een buitenlandse rechter rechtsmacht heeft, de Amerikaanse rechter op grond van artikel 5, eerste lid, EEX-verdrag, en de Duitse rechter op grond van artikel 2 EEX-verdrag, bestaat geen zekerheid dat deze buitenlandse rechters de dwingendrechtelijke bepalingen van artikel 91 Zeewet zullen toepassen.

Artikel 91 Zeewet is niet enkel een regel van materieel recht, maar tevens een IPR-rechterlijke regel. Bij een overeenkomst voor vervoer, zoals in casu, van een Belgische haven is, volgens het Belgische IPR, hierop steeds Belgische recht (artikel 91 als materieelrechtelijke regel) van toepassing (onmiddellijk toepasbare politiewet).

De verplichte toepasselijkheid van artikel 91 Zeewet, die volgt uit het karakter van politiewet, kan enkel ten voile worden gerealiseerd wanneer betwistingen aan de Belgische rechter worden voorgelegd.

De (eiseres), die de onbevoegdheid van de Belgische rechter opwerpt, moet het bewijs leveren dat de buitenlandse rechters voormeld artikel 91 Zeewet zullen toepassen. Daartoe moet een zekere bestendigheid desbetreffend in de rechtspraak van de kwestieuze buitenlandse rechters worden aangetoond.

Nu zulks niet wordt bewezen kan in casu, noch aan de Amerikaanse rechter, noch aan de Duitse rechtsmacht/bevoegdheid toegekend worden.

Nu de Belgische rechtbanken, als enigen met zekerheid artikel 91 Zeewet zullen toepassen, hebben de Belgische rechtbanken, en meer bepaald dit hof (van beroep), wel degelijk rechtsmacht om van onderhavig geschil kennis te nemen.

C. De (eiseres) beweert in ondergeschikte orde dat het bevoegdheidsbeding opgenomen in artikel 19 Standaard Voorwaarden voor Fiata Multimodaal Transport cognossement (volgens hetwelk de vervoerder "freight forwarder) enkel kan worden gedagvaard voor de rechtbanken van de plaats waar deze vervoerder zijn bedrijfszetel (place of bussiness) gevestigd heeft, nl. Duitsland) - voor zover de rechtbank, waarnaar het cognossement verwijst en waardoor de Duitse rechtbank voor Neunkirchen exclusief bevoegd is - tegenstelbaar is aan de (verweersters); dat ingevolge dit bevoegdheidsbeding en krachtens artikel 17 EEX-verdrag, de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben.

De (verweersters) beweren dat de forumkeuze niet tegenstelbaar is ten aanzien van (de eerste verweerster), derde houder van het cognossement.

De geldigheid van het forum beding dient te worden getoetst aan artikel 17 EEX¬-verdrag.

Een bevoegdheidsbeding in een op een cognossement gedrukte voorwaarden voldoet aan de vereisten van artikel 17 EEX-verdrag:

- indien partijen schriftelijk hebben ingestemd met de voorwaarden van het congnossement, die bedoeld beding bevatten, of,

- indien het bevoegdheidsbeding onderwerp is geweest van een eerdere mondelinge overeenkomst tussen partijen, die uitdrukkelijk betrekking had op dat beding en waarvan het door de vervoerder ondertekende cognossement moet worden aangemerkt als de schriftelijke bevestiging, of,

- indien het cognossement een onderdeel vormt van de lopende handelsbetrekkingen tussen partijen en voor zover daarbij blijkt dat die betrekkingen worden beheerst door algemene voorwaarden die dat beding bevatten.

In de betrekkingen tussen de vervoerder en de derde-houder is aan de voorwaarden van artikel 17 EEX-verdrag voldaan, indien het bevoegdheidsbeding als geldig is erkend in de betrekkingen tussen de inlader en de vervoerder en de derde-houder bij de verkrijging van het cognossement volgens het toepasselijke nationale recht de inlader in diens rechten en verplichtingen is opgevolgd.

Deze voorwaarden zijn in casu niet vervuld, nu naar Belgisch recht de derde-houder van het cognossement de afzender niet in zijn rechten en verplichtingen opvolgt. Uit artikel 91, § 1, Zeewet blijkt dat de rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen de vervoerder en de derde-cognossementshouder bepaald worden, niet door de verhoudingen die tussen de inlader en de vervoerder bestaan, maar door de bepalingen van het cognossement zelf; dat, daar de rechten en verplichtingen van de derde-houder tegenover de vervoerder aldus zelfstandig in het cognossement worden geregeld, niet kan worden gezegd, dat de derde-houder bij de verkrijging van het cognossement de inlader in diens rechten en verplichtingen is opgevolgd.

Een in een cognossement opgenomen forumkeuze kan tussen een vervoerder en een afzender worden ingeroepen tegen de derde-cognossementshouder, wanneer hij volgens het toepasselijke nationale recht bij de verkrijging ervan de afzender in diens rechten en verplichtingen is opgevolgd. Zo niet moet instemming met dat beding worden onderzocht in het licht van de vereisten van artikel 17, alinea 1, EEX¬-verdrag.

Nu de derde-cognossementshouder naar Belgisch recht geen cessionaris is, dient derhalve in het licht van artikel 17, alinea 1, EEX-verdrag te worden onderzocht of hij met het forumbeding heeft ingestemd.

Krachtens artikel 17, alinea 1, EEX-verdrag dient deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter te worden gesloten:

- hetzij bij een schriftelijke overeenkomst;

- hetzij bij een schriftelijke bevestigde mondelinge overeenkomst;

- hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

- hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

Het louter aanbieden/overleggen door de derde-houder aan de vervoerder van het cognossement is niet voldoende om een stilzwijgende instemming met het forumkeuzebeding in het cognossement te vermoeden.

De omstandigheid dat de derde-houder na ontvangst van het cognossement niet tegen de hierin gestipuleerde voorwaarden en clausules, en meer in het bijzonder tegen het forumkeuzebeding, heeft geprotesteerd doet hieraan geen afbreuk, en is niet van aard om hieruit tussen de derde-cognossementshouder en vervoerder een stilzwijgende instemming met het forumkeuzebeding te kunnen afleiden.

De geldigheid van forumkeuzebeding tussen de afzender en vervoerder kan inderdaad niet zonder meer getransponeerd worden naar de beoordeling van de gebondenheid aan dergelijk beding van de derde-houder. Een andere opstelling zou immers niet alleen het onderscheid tussen de tegenwerpelijkheid van forumkeuzebedingen aan derden en de geldigheid ervan tussen de oorspronkelijke partijen uithollen, doch tevens volledig indruisen tegen de door het Hof van Justitie vooropgestelde restrictieve interpretatie van artikel 17 EEX-verdrag, en met name met de noodzakelijke restrictieve interpretatie van een beding van derden (die het forumbeding niet hebben gesloten) aan het beding. Bijgevolg dient, gelet op het voorgaande, te worden besloten dat (de eerste verweerster), in haar hoedanigheid van derde-houder van het cognossement, niet heeft ingestemd met het forumkeuzebeding opgenomen in het kwestieus cognossement, en minstens zulks niet afdoend naar recht is bewezen.

D. Gelet op voormelde beschouwingen, en meer in het bijzonder op grond van het gestelde onder rubriek 11, B, dient te worden geconcludeerd dat de Belgische gerechten, en meer in het bijzonder dit hof (van beroep), wel degelijk rechtsmacht heeft om van onderhavig geschil kennis te nemen".

Eerste onderdeel

Schending van artikel 91 Zeewet en, voor zoveel als nodig, van artikel 5 Hague-Visby Rules en van artikel 149 Grondwet.

1. Overeenkomstig artikel 91, A., Zeewet zijn de regels in dit artikel van toepassing op het verhandelbaar cognossement, opgemaakt voor het vervoer van goederen in enig schip van welke nationaliteit ook, uit of naar een haven van het Rijk.

Artikel 91 is overeenkomstig littera A. van toepassing op de cognossementen opgemaakt voor een vervoer vanuit of naar een Belgische haven.

De Belgische wetgever gaf hiermee een ander toepassingsgebied aan de Hague-Visby Rules, die overeenkomstig artikel 5 ervan gelden voor elk cognossement dat betrekking heeft op het vervoer van goederen tussen havens van twee onderscheiden Staten op voorwaarde dat:

- het cognossement werd uitgegeven in een verdragsluitende Staat, of,

- het vervoer plaatsgrijpt vanuit een haven naar een verdragsluitende Staat, of,

- het cognossement stipuleert dat de bepalingen van dit verdrag of van gelijk welke andere wetgeving, welke die bepalingen in toepassing brengt of daaraan rechtsgevolgen verleent, op de vervoersovereenkomst toepasselijk zijn, dit ongeacht de nationaliteit van het schip, van de vervoerder, van de inlader, van de bestemming of van om het even welke andere belanghebbende persoon.

Iedere verdragsluitende Staat past de bepalingen van dit verdrag op de hierboven vermelde cognossementen toe.

Dit artikel laat het recht van een verdragsluitende Staat onaangeroerd om de bepalingen van dit verdrag toe te passen op cognossementen welke niet in de voorafgaande alinea's zijn bedoeld (cf. artikel 5, in fine, van de Hague-Visby Rules).

Met artikel 91, A., Zeewet riep de Belgische wetgever een conflictenrechtelijke politiewet in het leven die toepassing opeist zodra een cognossement opgemaakt werd voor een vervoer vanuit of naar een Belgische haven.

Zo artikel 91, A., Zeewet dus het toepasselijk recht dwingend wil bepalen, houdt dit artikel geen regel van internationale bevoegdheid in.

Eerst na zijn internationale bevoegdheid te hebben aangenomen kan de Belgische rechter desgevallend de toepasselijke vreemde wet terzijde schuiven omdat artikel 91, A., Zeewet als politiewet toepassing opeist.

Voor die beslissing over internationale bevoegdheid biedt artikel 91, A., Zeewet geen grondslag.

Het hof van beroep stelt in voorliggend geval vast dat noch artikel 2 EEX¬-verdrag, noch artikel 5, eerste lid, EEX-verdrag aanknopingspunten bieden voor de internationale bevoegdheid van de Belgische gerechten.

Daarop overweegt het hof dat de verplichte toepasselijkheid van artikel 91 Zeewet als onmiddellijk toepasbare politiewet enkel ten volle kan worden gerealiseerd indien betwistingen aan de Belgische rechter worden voorgelegd.

Omdat de Belgische rechtbanken als enigen met zekerheid artikel 91 Belgische Zeewet zullen toepassen, zijn de Belgische rechtbanken wel degelijk internationaal bevoegd om van onderhavig geschil kennis te nemen.

In zover het hof van beroep artikel 91, A., Zeewet niet alleen als een bepaling van toepasselijk recht maar ook als een bepaling van internationale bevoegdheid kwalificeert op grond waarvan de Belgische gerechten internationale bevoegdheid zouden kunnen opnemen zodra een betwisting onder verhandelbaar cognossement voor vervoer vanuit of naar een Belgische haven voorligt, geeft het hof (van beroep) aan artikel 91, A., Zeewet een draagwijdte die dit artikel niet heeft.

Minstens laat het arrest, in zover het beslist dat de Belgische rechtbanken als enigen met zekerheid artikel 91 Zeewet zullen toepassen en dus internationaal bevoegd zijn om van onderhavig geschil kennis te nemen, in het ongewisse op welke grondslag die internationale bevoegdheid van de Belgische rechtbanken gesteund wordt, zodat die beslissing geen wettigheidstoezicht door het Hof mogelijk maakt en artikel 149 van de Grondwet schendt.

Besluit

De beslissing dat artikel 91, A., Zeewet de Belgische gerechten toelaat internationale bevoegdheid voor onderhavig geschil op te nemen, schendt artikel 91, A., Zeewet (en tevens, voor zoveel als nodig, artikel 5 Hague-Visby Rules).

Minstens laat de beslissing dat de Belgische rechtbanken internationaal bevoegd zijn om van onderhavig geschil kennis te nemen geen wettigheidstoezicht door het Hof toe en miskent zij bijgevolg artikel 149 Grondwet.

Tweede onderdeel

Schending van de bepalingen van titel II, bevoegdheid, EEX¬-verdrag, in het bijzonder de artikelen 2, 3, 5, eerste alinea, 17 en 53, en van het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van het internationaal recht op het nationaal recht.

1. Overeenkomstig artikel 2, eerste lid, EEX-verdrag worden, onverminderd de bepalingen van het verdrag, zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die Staat.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt de plaats van vestiging van de vennootschap gelijkgesteld met de woonplaats (artikel 53 EEX-verdrag).

Artikel 3, eerste lid, EEX-verdrag bepaalt dat degenen die op het grondgebied van een verdragsluitende staat woonplaats hebben, niet voor de rechter van een andere verdragsluitende staat kunnen worden opgeroepen dan krachtens de in afdelingen 2 tot en met 6 van deze titel gegeven regels.

Artikel 3, tweede lid, EEX-verdrag bevat een niet-limitatieve opsomming van exorbitante regels van internationale bevoegdheid die niet kunnen worden ingeroepen.

Overeenkomstig artikel 5, eerste lid, EEX-verdrag kan de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst in een andere verdragsluitende staat worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

De bepalingen van het EEX-verdrag zijn gegrond op het vertrouwen van de verdragsluitende staten in elkaars rechtssystemen en gerechtelijke instanties. Dankzij dit wederzijds vertrouwen kon een bindend bevoegdheidsstelsel worden ingesteld, dat alle gerechten die onder de werkingssfeer van het verdrag vallen, moeten eerbiedigen.

Het EEX-verdrag heeft tot doel gemeenschappelijke regels vast te stellen, met uitsluiting van exorbitante nationale regels (cf. artikel 3, eerste en tweede lid, EEX-verdrag).

De bepalingen van titel II, bevoegdheid, EEX-verdrag staan eraan in de weg dat de Belgische gerechten jegens een buitenlandse verweerster met zetel op het grondgebied van een verdragsluitende Staat bevoegdheid opnemen op basis van een nationale regel, zelfs zo die dwingend is, nadat die gerechten voor het geschil binnen het toepassingsbereik van het EEX-verdrag in de bepalingen ervan geen grondslag voor hun internationale bevoegdheid aantroffen.

Het hof van beroep stelt vast dat ter bepaling van de internationale bevoegdheid het EEX-verdrag van toepassing is en onderzoekt of de eiseres haar vestiging in België heeft dan wel of de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt in België diende te worden uitgevoerd.

Het hof oordeelt dat de Belgische rechter geen internationale bevoegdheid kan putten uit artikel 5, eerste lid, EEX-verdrag omdat de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt - de aflevering - in Houston in de Verenigde Staten van Amerika dient uitgevoerd. Tegelijk kan de Belgische rechter ook geen rechtsmacht putten uit artikel 2, EEX-verdrag, aangezien de eiseres haar vestiging in Duitsland heeft.

In zover het hof van beroep oordeelt dat artikel 91, A., Zeewet de Belgische gerechten toelaat om van onderhavig geschil kennis te nemen, nadat het heeft vastgesteld dat artikel 2, noch artikel 5, eerste lid, EEX-verdrag de internationale bevoegdheid voor onderhavig geschil binnen het toepassingsgebied van het EEX-verdrag kunnen schragen, miskent het dan ook het exclusief karakter van de bepalingen van titel II, bevoegdheid, EEX-verdrag (schending van artikel 3, EEX-verdrag en van de bepalingen van titel II, bevoegdheid, EEX-verdrag, in het bijzonder de artikelen 2, 5, eerste alinea en 53) en pleegt het hof inbreuk op de voorrang van die verdragsbepalingen op de nationale wet (schending van het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van het internationaal recht op het nationaal recht).

Besluit

Indien het geschil zich binnen het toepassingsgebied van het EEX-verdrag situeert en daarin geen aanknoping voor internationale bevoegdheid kan worden gevonden, vermag de rechter tot staving van zijn internationale bevoegdheid vervolgens niet terug te grijpen naar een nationaalrechtelijke bepaling, zelfs indien die dwingend is.

De beslissing dat de Belgische gerechten op basis van artikel 91, A., Zeewet internationaal bevoegd zijn om van de zaak tegen de eiseres als de verweerster met zetel in Duitsland kennis te nemen, schendt de bepalingen van titel II, bevoegdheid EEX-verdrag, in het bijzonder de artikelen 2, 3, 5, eerste alinea en 53, en het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van het internationaal recht op het nationaal recht.

Derde onderdeel

Schending van artikel 17, eerste lid, c, EEX-verdrag.

1. De eiseres had in ondergeschikte orde aangevoerd dat het bevoegdheidsbeding opgenomen in artikel 19 van de standaard voorwaarden voor Fiata Multimodaal Transport cognossement, waarin de Duitse rechtbank te Neunkirchen aangewezen werden, tegenwerpelijk was.

Zij verduidelijkte dat het cognossement uitdrukkelijk verwees naar de voorwaarden vastgesteld onder de regels van de wereldhandelsorganisatie UNCTAD en dat die voorwaarden wereldwijd gepubliceerd zijn, zodat eerste verweerster als aanbieder van het cognossement ervan op de hoogte moest zijn.

Het hof van beroep beslist dat de derde-houder van het cognossement naar Belgisch recht de afzender niet in zijn rechten en verplichtingen opvolgt, zodat in het licht van artikel 17, eerste alinea, EEX-verdrag dient onderzocht of eerste verweerster als derde¬cognossementshouder met het forumbeding heeft ingestemd.

Het hof acht de instemming met het forumbeding niet afdoend naar recht bewezen en stipt aan dat het louter aanbieden van het cognossement door de derde-houder niet voldoende is om een stilzwijgende instemming te vermoeden, dat het gebrek aan protest na ontvangst van het cognossement tegen het forumkeuzebeding hieraan geen afbreuk doet en dat de geldigheid van het forumkeuzebeding in de relatie tussen afzender en vervoerder niet zonder meer kan getransponeerd worden naar de derde-houder, gelet op het onderscheid tussen de positie van de oorspronkelijke partijen bij de overeenkomst en die van de derde-houder.

Uit artikel 17, eerste lid, EEX-verdrag volgt dat wanneer de partijen, van wie er ten minste een woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit gerecht of de gerechten van die staat bij uitsluiting bevoegd zijn.

De overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter kan overeenkomstig artikel 17, eerste lid, c, EEX-verdrag worden gesloten, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

Onder gelding van artikel 17, eerste lid, c, EEX-verdrag behoeft de wil van de partijen niet meer te worden vastgesteld en dient integendeel te worden aangenomen dat de partijen bij de overeenkomst worden vermoed met het beding tot aanwijzing van een bevoegde rechter in te stemmen, wanneer hun handelwijze overeenkomt met een gewoonte die geldt in de branche van internationale handel waarin zij werkzaam zijn, en zij dat gebruik kennen of geacht worden te kennen.

In zover het hof van beroep oordeelt dat de concrete omstandigheden van het louter aanbieden van het cognossement door de derde-houder en het gebrek aan protest tegen het forumkeuzebeding na ontvangst van het cognossement niet voldoende zijn om een stilzwijgende instemming te vermoeden, onderzoekt het hof niet of die handelwijze in de branche van de internationale handel waarin partijen werkzaam zijn een gebondenheid met het bevoegdheidsbeding oplevert.

Het enkele onderzoek of de concrete omstandigheden van het geval het bewijs van instemming met het bevoegdheidsbeding opleveren, verantwoordt niet naar recht de beslissing dat ook geen instemming met het bevoegdheidsbeding voorligt in de zin van artikel 17, eerste lid, c, EEX-verdrag.

Besluit

De beslissing dat de instemming met het forumbeding niet afdoend naar recht bewezen is, laat na te onderzoeken of de handelwijze van de eerste verweerster strookt met een gewoonte die geldt in de branche van internationale handel waarin zij werkzaam zijn en aldus gebondenheid met het forumbeding oplevert (schending van artikel 17, eerste lid, c) van het EEX-verdrag).

Vierde onderdeel

Schending van artikel 91, in het bijzonder littera A., Zeewet, de artikelen 1 tot 10 Hague-Visby Rules, artikel 1315 Burgerlijk Wetboek, artikel 870 Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van de taak van de rechter inzake de toepassing van het recht op de feiten, afgeleid uit artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek.

1. Zo artikel 91, A., Zeewet de Belgische gerechten internationale bevoegdheid verleent om op basis van artikel 91 Zeewet - dat de omzetting naar Belgisch recht van de artikelen 1 tot 10 Hague-Visby Rules bevat - het geschil over het vervoer onder verhandeld cognossement van of naar een Belgische haven te beslechten, kan die bevoegdheidsopneming slechts het gevolg zijn van een concreet onderzoek naar de houding van de bevoegde buitenlandse gerechten jegens artikel 91, A., Zeewet.

Het staat aan de rechter om op grond van zijn taak als rechter dit onderzoek naar de stand van het vreemd recht uit te voeren. Hij kan dit onderzoek onder verwijzing naar de regels inzake bewijslast niet afwentelen op de gedingvoerende partijen.

Het hof van beroep oordeelt in voorliggend geval dat eiseres het bewijs moet leveren dat de buitenlandse rechters voormeld artikel 91 Zeewet zullen toepassen en dat, nu zulks niet bewezen wordt, aan de Amerikaanse rechter noch aan de Duitse rechter internationale bevoegdheid kan worden toegekend.

Volgens het hof van beroep zullen de Belgische rechtbanken als enigen met zekerheid artikel 91 Zeewet toepassen.

Verder in het arrest stelt het hof van beroep vast dat "artikel 7.2 van de Fiata B/L uitdrukkelijk bepaalt dat de overeenkomst wordt beheerst door de versie van de Haagse Visbysche Regels die van kracht zijn in de laadhaven, zijnde Antwerpen".

In zover het hof van beroep oordeelt dat eiseres het bewijs moet leveren dat de buitenlandse rechters voormeld artikel 91 Zeewet zullen toepassen, doet het hof van beroep afbreuk aan zijn taak om de inhoud, de betekenis en de draagwijdte van dat recht te bepalen, in voorkomend geval na daarover de nodige inlichtingen te hebben ingewonnen en legt het aan de eiseres onwettig een bewijslast op die zij niet te dragen heeft (schending van het algemeen rechtsbeginsel van de taak van de rechter inzake de toepassing van het recht op de feiten, afgeleid uit artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek, en van de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek inzake de bewijslast).

Tegelijk verantwoordt het hof van beroep in het licht van de vaststelling dat "artikel 7.2 van de FIATA B/L uitdrukkelijk bepaalt dat de overeenkomst wordt beheerst door de versie van de Haagse Visbysche Regels die van kracht zijn in de laadhaven, zijnde Antwerpen" niet naar recht zijn beslissing dat de Belgische rechtbanken als enigen met zekerheid artikel 91 van de Belgische Zeewet zullen toepassen (schending van artikel 91, in het bijzonder littera A., Zeewet en van de artikelen 1 tot 10 Hague-Visby Rules).

Het verantwoordt dus evenmin naar recht zijn beslissing dat aan de Amerikaanse rechter noch aan de Duitse rechter internationale bevoegdheid kan worden toegekend (schending van de artikelen 2 en 5, eerste lid, EEX-verdrag).

Besluit

Het hof van beroep wentelt in strijd met de regels inzake bewijslast en de taak van de rechter het bewijs van de concrete inhoud van het vreemd recht op eiseres of (schending van het algemeen rechtsbeginsel van de taak van de rechter inzake de toepassing van het recht op de feiten, afgeleid uit artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek) en verantwoordt niet naar recht zijn beslissing dat de Belgische rechtbanken als enigen met zekerheid artikel 91 Belgische Zeewet zullen toepassen (schending van artikel 91, in het bijzonder littera A., Zeewet, van de artikelen 1 tot 10 Hague-Visby Rules en van de artikelen 2 en 5, eerste lid, EEX-verdrag).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Uit de bestreden beslissing blijkt dat het geschil betrekking heeft op de uitvoering van een overeenkomst van vervoer over zee van een in een container gestuwde machine van Antwerpen naar Houston (USA) aan boord van het ms MSC DYMPHNA onder dekking van een cognossement 301/0010236 DE uitgegeven te Neunkirchen (Duitsland). Deze container kon niet ter bestemming worden afgeleverd aangezien deze tijdens de reis overboord is geslagen.

2. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 5, lid 1, EEX-verdrag, kan de verweerder die zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, in een andere verdragsluitende Staat, ten aanzien van verbintenissen uit een overeenkomst, worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

De uitvoering van een vervoerovereenkomst over zee omvat een geheel van diensten die niet kunnen worden opgesplitst, zoals onder meer het laden en het stuwen van de goederen, hun vervoer en de aflevering in de bestemmingshaven, zodat zowel de plaats van inlading als de plaats van lossing gelijkelijk moeten worden beschouwd als de plaatsen waar de verbintenissen die het voorwerp zijn van het zeevervoer, worden uitgevoerd.

Hieruit volgt dat de eiser de zeevervoerder naar zijn keuze kan oproepen voor het gerecht in het rechtsgebied waar een van die plaatsen is gelegen.

3. Zoals de verweersters aanvoeren, mocht het arrest zonder schending van de in het onderdeel aangewezen Grondwets- en wetsbepalingen, beslissen dat de rechtbanken te Antwerpen rechtsmacht bezitten.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

4. Gelet op het antwoord op het eerste onderdeel, kunnen de grieven niet tot cassatie leiden en is het onderdeel mitsdien niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

5. Het onderdeel voert aan dat appelrechters niet hebben onderzocht of het bevoegdheidsbeding in het cognossement niet kan beschouwd worden als een geldige overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter krachtens een in de internationale handel geldende gewoonte die de partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken branche doorgaans in acht nemen als bedoeld door artikel 17, eerste lid, c, EEX-verdrag.

6. De derde-houder van het cognossement kan niet beschouwd worden als een rechtsopvolger van de inlader, maar ontleent zijn rechten tegen de zeevervoerder op zelfstandige en rechtstreekse wijze uit het cognossement.

7. De grieven die ervan uitgaan dat de derde-houder van een cognossement geldt als een der contractanten of in de rechten is getreden van een der contractspartijen, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel faalt naar recht.

Vierde onderdeel

8. Gelet op het antwoord op het eerste onderdeel, kunnen de grieven niet tot cassatie leiden en is het onderdeel mitsdien niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 534,13 euro jegens de eisende partij en op de som van 171,24 euro jegens de verwerende partijen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 7 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Zeevervoer

  • Vervoerovereenkomst over zee

  • Begrip

  • Dagvaarding van de zeevervoerder

  • Internationale bevoegdheid