- Arrest van 11 januari 2011

11/01/2011 - P.10.0814.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bepalingen van artikel 6.1.41, §1, eerste lid van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bevatten geen onweerlegbaar vermoeden dat, behoudens de mogelijkheid van bouw- en aanpassingswerken, de plaatselijke ordening steeds is geschaad zodra het misdrijf erin bestaat te hebben gehandeld in strijd met niet voor afwijking vatbare bestemmingsvoorschriften. Bij een niet-regulariseerbare overtreding van de bestemmingsvoorschriften moet niet steeds de afbraak bevolen worden, ongeacht de impact van de constructie op de plaatselijke ordening.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.0814.N

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19, bus 22,

eiser tot herstel,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

E B R S,

beklaagde,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 31 maart 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Paul Kenis heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 149 en 159 Grondwet, de artikelen 149, § 1, eerste lid, en 167 Stedenbouwdecreet 1999, de artikelen 6.1.41, § 1, eerste lid, en 7.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 112 Aanpassingsdecreet 2009: uit de stukken van het strafdossier blijkt dat de verweerster bij de oprichting van het gebouw handelde met doorbreking van het stakingsbevel; de appelrechters vermochten niet wettig de mogelijkheid van een andere herstelmaatregel dan het gevorderde herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand door het slopen van de woning, in aanmerking te nemen. Hun beslissing is niet regelmatig met redenen omkleed.

2. De appelrechters stellen vast dat zij geadieerd zijn voor een overtreding op artikel 4.2.1.1°, a) en c), en strafbaar gesteld bij de artikelen 6.1.1.1°, 6.1.41, § 1, 6.1.42, 6.1.43, 6.1.44, 6.1.46 en 6.2.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Zij vermochten bijgevolg geen herstelmaatregel bevelen op grond van een overtreding van het stakingsbevel, strafbaar gesteld bij artikel 6.1.1, eerste lid, 5°, en artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Eisers doelloze conclusie behoefde geen antwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 149 en 159 Grondwet, de artikelen 4.2.24, § 1, 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, 4.4.10, § 1, eerste lid, 4.4.11, 4.4.13, 4.4.20, 4.4.21, 6.1.41, § 1, eerste lid, 7.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de artikelen 149, § 1, eerste lid, en 167 Stedenbouwdecreet 1999, artikel 112 Aanpassingsdecreet 2009 en artikel 11, sub 4.1 Gewestplannenbesluit 1972: bij miskenning van de bestemmingsvoorschriften zonder dat regularisatie van de zonevreemde constructie mogelijk is, is het bestuur bij het instellen van de herstelvordering wettelijk gebonden het herstel in de oorspronkelijke toestand te vorderen, tenzij de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken kennelijk volstaan om de plaatselijke ordening te herstellen; bijgevolg is de wettigheidscontrole die de rechter met toepassing van artikel 159 Grondwet kan uitoefenen op het nagestreefde herstel, beperkt tot de naleving van de door artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening gestelde voorwaarden; wanneer blijkt dat de bestemmingsvoorschriften werden miskend zonder dat een regularisatie van de zonevreemde constructie mogelijk is, is de rechter verplicht de herstelvordering in te willigen, tenzij hij oordeelt dat het bestuur op kennelijk onredelijke wijze geoordeeld heeft dat de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken kennelijk niet volstaan om de plaatselijke ordening te herstellen; in conclusie werd aangetoond dat de oprichting van de nieuwbouwchalet in agrarisch gebied niet voor een regularisatievergunning in aanmerking kon komen, en het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand door afbraak van de nieuwbouwchalet de binnen de wettelijke grenzen enig mogelijke herstelmaatregel was; het bestreden arrest laat na te antwoorden op de conclusie dat de eiser slechts een gebonden bevoegdheid heeft; het bestreden arrest kon niet wettig het verweer van de eiser verwerpen dat hij ingevolge de onvergunbaarheid van de wederrechtelijk herbouwde zonevreemde woning, alleen het herstel in de oorspronkelijke toestand kan vorderen, bij afwezigheid van enig nut van aanpassingswerken, en dat ingevolge die gebonden bevoegdheid niet kon overgegaan worden tot een rechterlijke beoordeling van de redelijkheid van de gevorderde herstelmaatregel.

4. Naar luid van artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, gecoördineerd onder artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wordt de herstelvordering voor de strafrechter ingesteld met inachtneming van volgende regelen:

"1° voor misdrijven die bestaan, of ondermeer bestaan, uit het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen, voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken, wordt gevorderd:

a) hetzij de uitvoering van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik;

b) hetzij, zo dit kennelijk volstaat om de plaatselijke ordening te herstellen, de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken;

2° voor andere misdrijven dan deze, vermeld in 1°, wordt de betaling van de meerwaarde gevorderd, tenzij de overheid die de herstelvordering instelt, aantoont dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, in welk geval één van de maatregelen, vermeld in 1°, wordt gevorderd".

5. Deze bepalingen bevatten geen onweerlegbaar vermoeden dat, behoudens de mogelijkheid van bouw- of aanpassingswerken, de plaatselijke ordening steeds is geschaad zodra het misdrijf erin bestaat te hebben gehandeld in strijd met niet voor afwijking vatbare bestemmingsvoorschriften. De bepaling "voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken" in artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, houdt niet in dat zelfs wanneer de constructie vanuit het standpunt van de goede ruimtelijke ordening aanvaard kan worden, bij wettelijke onmogelijkheid tot regularisatie het herstel in de oorspronkelijke toestand, dit is de afbraak, moet worden bevolen.

Het bevelen van een herstelmaatregel vereist dat de plaatselijke ordening door het misdrijf is geschaad en de maatregel er toe strekt deze plaatselijke ordening te herstellen.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat bij een niet-regulariseerbare overtreding van de bestemmingsvoorschriften de afbraak steeds moet worden bevolen ongeacht de impact van de constructie op de plaatselijke ordening, faalt het naar recht.

6. Overeenkomstig artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, moet de rechter nagaan of de vordering van de stedenbouwkundig inspecteur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen. Hij moet de vordering die gebaseerd is op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, zonder gevolg laten.

7. Door het destijds verlenen van een bouwvergunning teneinde een bestaande zonevreemde woning onder bepaalde voorwaarden en binnen bepaalde grenzen te verbouwen, geeft het bestuur op die wijze te kennen dat de toestand, zoals door haar vergund, ter plaatse niet strijdig is met de goede ruimtelijke ordening en de voorhanden zijnde stedenbouwkundige bestemmingen aldaar.

Bijgevolg moet de rechter bij de afweging van het kennelijk redelijke karakter van de herstelvordering van het bestuur, alvorens in redelijkheid te kunnen besluiten tot herstel middels afbraak, de impact op de ruimtelijke ordening en de omgevingshinder van de bestaande wederrechtelijke toestand ook vergelijken met deze door het bestuur zelf vergunde toestand.

8. De appelrechters oordelen dat:

- de inbreuk gelegen is in agrarisch gebied, zijnde een niet ruimtelijk kwetsbaar gebied;

- door de verweerster overgegaan werd tot afbraak van de bestaande woning en tot heropbouw van een nieuwe houten woning met behoud van het bestaande bouwprofiel en uitzicht, zodat de gerealiseerde woning overeenstemt met de afmetingen en afwerkingsmaterialen van de stedenbouwkundige vergunning;

- de vergunning waarnaar wordt verwezen, deze is verleend door de bestendige deputatie op 22 mei 2003 strekkende tot verbouwing en uitbreiding van de bestaande woning, zijnde een houten chalet, gelegen aan de rand van het agrarisch gebied. De motivering van de bestendige deputatie luidde dat de aanvraag vanuit het standpunt van de goede ruimtelijke ordening aanvaard kon worden omdat het pand gelegen was aan de rand van het agrarisch gebied en zich op een aanvaardbare wijze integreerde in het landschap;

- bij de aanvang van de verbouwing onder meer werd vastgesteld dat de oude chalet asbest bevatte waardoor de architect en de aannemer besloten deze af te breken en opnieuw op te bouwen, weliswaar zonder vergunning. De nieuwbouw werd gerealiseerd op de bestaande fundamenten;

- de oude chalet wel degelijk was vergund. De vergunning van 11 juni 1981 verleend door de bestendige deputatie nooit werd aangevochten, en de eiser tevergeefs beweert dat de chalet als niet vergund moet worden beschouwd;

- de Hoge Raad voor het Herstelbeleid een niet-eensluidend advies verleende, gesteund op het feit dat de eiser geen beoordeling had gedaan van de ruimtelijke impact en dat, zoals toegegeven door de eiser, een planologische oplossing voor het kwestieuze perceel via een GRSP en RVP in het vooruitzicht kon worden gesteld;

- de eiser geen rekening houdt met de bestaande vergunde toestand en aldus ook geen beoordeling van ruimtelijke impact maakt tussen de oorspronkelijk vergunde constructie en de huidige in overtreding gedane heropbouw, waarbij bovendien vastgesteld is dat de heropbouw is gebeurd binnen de bestaande volumes;

- de motivering van de eiser dat de constructie niet verenigbaar zou zijn met de goede ruimtelijke ordening, louter en alleen omdat het geen voor een leefbaar agrarisch of para-agrarisch bedrijf noodzakelijk gebouw is of de woning van de exploitant is, strijdig is met de vergunning van 22 maart 2003 waarin expliciet werd gesteld dat de constructie vanuit het standpunt van de goede ruimtelijke ordening aanvaard kan worden omdat het pand gelegen was aan de rand van het agrarisch gebied en zich op een aanvaardbare wijze integreerde in het landschap;

- de ongewijzigde herstelvordering van 14 september 2004 kennelijk onredelijk is. Ze is immers niet afdoende gemotiveerd vanuit stedenbouwkundig standpunt nu zij verzuimt rekening te houden met de ruimtelijke impact van de voorafbestaande en vergunde toestand en geen rekening houdt met die voorafbestaande en vergunde toestand, daarbij zelfs uitgaand van verkeerde en juridisch onjuiste premissen, zodat de gevorderde herstelmaatregel geen steun vindt in het dossier en de aangevoerde motieven.

De appelrechters die aldus vaststellen dat de herstelvordering gebaseerd is op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, beantwoorden eisers conclusie en verantwoorden hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

9. Voor het overige komt het onderdeel op tegen overtollige motieven die niet tot cassatie kunnen leiden.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 203,62 euro waarvan 42,93 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 11 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Paul Kenis, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Niet-regulariseerbare overtreding van de bestemmingsvoorschriften