- Arrest van 11 januari 2011

11/01/2011 - P.10.1276.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Met achterlaten van afvalstoffen wordt niet alleen het storten, maar ook het verzuim om de gedeponeerde afval te verwijderen bedoeld (1). (1) Cass., 22 feb. 2005, AR P.04.1346.N, A.C., 2005, nr. 109 met concl. procureur-generaal M. De Swaef.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1276.N

UCB nv, met zetel te 1070 Anderlecht, Researchlaan 60,

inverdenkinggestelde,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

ROGERS INDUFLEX nv, met zetel te 9000 Gent, Ottergemsesteenweg Zuid 799,

burgerlijke partij,

verweerster,

met als raadsman mr. Hans Van Landeghem, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 juni 2010.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Paul Kenis heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 63, 130, 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering: de motieven op grond waarvan de appelrechters oordelen dat de klacht met burgerlijkepartijstelling van de verweerster wel degelijk ontvankelijk is, zijn aangetast door tegenstrijdigheid; enerzijds oordelen de appelrechters immers dat het door de eiseres gevoerde verweer, waarbij deze zich beriep op de bestaande contractuele exoneratieclausule, niet dient te worden gehonoreerd omdat er aanwijzigingen zijn van bedrog als een tussengekomen wilsgebrek, terwijl anderzijds de appelrechters oordelen dat de essentiële vraag is of de verweerster ervan diende uit te gaan dat de door haar beweerde schade begrepen was onder voormeld exoneratiebeding, wat impliceert dat het exoneratiebeding naar het oordeel van de appelrechters wel degelijk geldig is.

2. Door in vraag te stellen of de verweerster bij het neerleggen van de klacht met burgerlijkepartijstelling ervan diende uit te gaan dat de beweerde schade integraal begrepen was onder het exoneratiebeding, oordelen de appelrechters niet dat dit exoneratiebeding geldig is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1116 Burgerlijk Wetboek en artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: teneinde te laten gelden dat de klacht met burgerlijkepartijstelling uitgaande van de verweerster tegen haar niet ontvankelijk is, heeft de eiseres zich beroepen op het bestaan van de contractuele exoneratieclausule, opgenomen in de koop-verkoop overeenkomst met de verweerster, volgens dewelke de eventueel door de verweerster geleden schade niet dient te worden vergoed door de eiseres; de appelrechters oordelen dat de betrokken exoneratieclausule aangetast is door een wilsgebrek, met name bedrog, zonder evenwel vast te stellen dat het eventuele bedrog beslissend is geweest voor het afsluiten van de overeenkomst in de zin van artikel 1116 Burgerlijk Wetboek; overeenkomstig artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering dient dit voorschrift ook te worden toegepast bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de klacht met burgerlijkepartijstelling.

4. Wanneer enkel de schade volgend uit een misdrijf het voorwerp uitmaakt van een exoneratiebeding waarvan de uitlegging wordt betwist, houdt het misdrijf zelf geen verband met de uitvoering van een overeenkomst waarvan het bestaan ontkend of waarvan de uitlegging betwist wordt, zodat artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

5. De klacht met burgerlijkepartijstelling van de verweerster had enkel betrekking op de telastlegging "spijts verbod, achterlaten of beheer van afvalstoffen in strijd met de voorschriften van het decreet of zijn uitvoeringsbesluiten". Het onderdeel geeft niet aan op welke wijze deze telastlegging afhankelijk is van het bestaan of de uitlegging van het bedoelde exoneratiebeding.

In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek en artikel 47 Wetboek van Strafvordering: de vordering tot uitbreiding vanwege de procureur des Konings met loutere verwijzing naar het gerechtelijk onderzoek dat voordien enkel ten gevolge van de burgerlijkepartijstelling van de verweerster werd gevoerd, is niet gelijk te stellen met een vordering om zich ook te gelasten met de feiten, voorwerp van dit voorafgaande onderzoek (eerste onderdeel); hoe dan ook kan aan deze vordering geen retroactieve werking worden verleend met betrekking tot de voordien gestelde onderzoeksdaden (tweede onderdeel).

7. De appelrechters oordelen dat de strafvordering ontvankelijk is, niet alleen als gevolg van de vorderingen van de procureur des Konings, maar eveneens op grond van de ontvankelijke burgerlijke partijstelling van de verweerster. Deze laatste beslissing, die in het eerste middel vergeefs wordt bestreden, schraagt de beslissing over de ontvankelijkheid van de strafvordering zodat het middel, ook al mocht het gegrond zijn, niet tot cassatie kan leiden.

Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Derde middel

8. Het middel voert schending aan van de artikelen 21, 22, 23 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering: anders dan de appelrechters oordelen is de strafvordering verjaard; het misdrijf "achterlaten van afval" bestaat ook in het schuldig verzuim om de gedeponeerde afval te verwijderen; dergelijk verzuim kan enkel ten laste worden gelegd aan een persoon die enige zeggenschap heeft en ook juridisch in staat is om tot de verwijdering van de betrokken afval over te gaan; dergelijk zeggenschap vereist dat men houder is van een zakelijk of een persoonlijk recht; de verjaring van de strafvordering neemt een aanvang op het ogenblik dat de inverdenkinggestelde niet meer over de juridische mogelijkheid beschikt om een einde te stellen aan het schuldig verzuim om de wederrechtelijk gecreëerde toestand op te heffen; bijgevolg oordelen de appelrechters onterecht dat niettegenstaande de verkoop van de bedrijfsgronden de eiseres toch strafrechtelijk verantwoordelijk blijft voor de gepleegde misdrijven en de verjaring van de strafvordering niet is ingetreden.

9. Met achterlaten van afvalstoffen wordt niet alleen het storten, maar ook het verzuim om de gedeponeerde afval te verwijderen bedoeld. Bestanddeel van het misdrijf is aldus niet het instandhouden van de gecreëerde wederrechtelijke toestand maar het verzuim om aan deze toestand een einde te stellen door het verwijderen van de afvalstoffen. Ongeacht enige zeggenschap over het goed waar de afvalstoffen zijn achtergelaten, blijft het misdrijf in hoofde van de overtreder voortduren zolang hij niet al het mogelijke heeft gedaan om aan zijn positieve verplichting tot verwijdering van de afvalstoffen te voldoen.

Het middel faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op 82,20 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 11 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Paul Kenis, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Achterlaten van afvalstoffen