- Arrest van 13 januari 2011

13/01/2011 - C.10.0302.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter legt een arbitrale uitspraak op onaantastbare wijze uit tenzij zijn uitlegging onverenigbaar is met de bewoordingen ervan (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0302.F

1. HAVAS, vennootschap naar Frans recht,

2. EURO RSCG WORLD WIDE, vennootschap naar Nederlands recht,

eiseressen,

Mr. Paul Alain Foriers en mr. Caroline De Baets, advocaten bij het Hof van Cassatie,

tegen

DENTSU INC, vennootschap naar Japans recht,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 8 december 2009.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseressen voeren volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 17, 18, 1701, 6, en 1704, 2, i) en j), van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest wijst het hoger beroep af van de eiseressen tegen het vonnis dat, op grond van artikel 1704, 2, j), van het Gerechtelijk Wetboek, de arbitrale uitspraak van 6 juni 2000 tussen de partijen had vernietigd omdat zij zogenaamd tegenstrijdige redenen bevatte .

Het arrest wijst het hoger beroep van de eiseressen af en veroordeelt hen in de appelkosten.

Het arrest grondt die beslissingen op de onderstaande redenen:

"(De eerste eiseres) betwist ten onrechte dat de motivering van de arbitrale uitspraak een tegenstrijdigheid bevat;

De arbiters hebben immers geoordeeld, enerzijds, dat er een aanzienlijke negatieve wijziging in de zin van artikel 3.10 van de overeenkomst was opgetreden (overwegenden nrs. 18 en 29-30) en, anderzijds, ‛dat geen enkele van de aanzienlijke negatieve wijzigingen die zich volgens de [eiseressen] beslist niet zouden voordoen, zoals ze worden opgesomd in artikel 3.10 van de overeenkomst, in deze zaak bewezen is' ;

Die twee overwegingen zijn kennelijk tegenstrijdig;

Het feit dat de toetsing door de vernietigingsrechter geen betrekking heeft op de gegrondheid van de redenen, noch op de intrinsieke juridische waarde ervan en dat die toetsing geen ‘opportuniteitstoetsing' is, staat niet eraan in de weg dat de rechter het bestaan van een flagrante tegenstrijdigheid in de motivering kan vaststellen en daarbij slechts ‘un contrôle marginal sur le caractère logique, non contradictoire et cohérent de la motivation' uitvoert (Boularbah H., ‘Ouvertures à cassation des décisions judiciaires et causes d'annulation des sentences arbitrales: brèves comparaisons sur le contrôle de deux catégories d'actes juridictionnels', in Mélanges John Kirkpatrick, 2004, 104) ;

Anders dan (de eerste eiseres) beweert, slaat de toetsing door de vernietigingsrechter op grond van artikel 1704, 2, j), van het Gerechtelijk Wetboek niet uitsluitend op het bestaan/de aanwezigheid van redenen, aangezien littera j) van dat artikel bepaalt dat de arbitrale uitspraak, uitgerekend in het geval waarin ze ‘tegenstrijdige bepalingen' bevat, kan worden vernietigd, wat noodzakelijkerwijs impliceert dat de vernietigingsrechter nagaat of een dergelijke tegenstrijdigheid al dan niet bestaat;

Met andere woorden, de toetsing door de vernietigingsrechter in het raam van artikel 1704, 2, j), van het Gerechtelijk Wetboek (‘De arbitrale uitspraak kan worden vernietigd indien [zij] tegenstrijdige bepalingen bevat') is niet dezelfde als die in het raam van artikel 1704, 2, i), van dat wetboek (‘De arbitrale uitspraak kan worden vernietigd indien [zij] niet met redenen is omkleed') ;

Gelet op de bewoordingen zelf van de artikel 1704, 2, j), van het Gerechtelijk Wetboek, dat niet bepaalt dat uitsluitend de tegenstrijdigheden tussen de motivering en het dictum of tussen de redenen die de noodzakelijke grondslag van het dictum vormen, worden bedoeld en - ten overvloede - in het licht van artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat de gerechten verplicht op een voldoende duidelijke wijze de redenen te vermelden op grond waarvan zij een geschil beslechten, en in tegenstelling tot hetgeen sommige auteurs of rechtbanken voorstaan, oordeelt het hof [van beroep] dat een arbitrale uitspraak geen tegenstrijdigheid in haar redenen mag bevatten (zie in die zin: Cass., 10 maart 2000, Pas., 2000, I, 167; Cass., 3 mei 2000, Larcier Cass., 2000, 210; Cass., 17 december 1970, Pas., 1971, 871; Linsmeau J., L'arbitrage volontaire en droit privé belge, 1991, 162; Simont L., ‘La motivation des sentences arbitrales en droit belge', Liber amicorum Claude Reymond, Autour de l'arbitrage, 2004, 303-304);

Gelet op het bovenstaande vormt de naar behoren betwiste tegenstrijdigheid in de motivering van de betwiste arbitrale uitspraak een tegenstrijdigheid in de zin van artikel 1704, 2, j), van het Gerechtelijk Wetboek, zodat niet hoeft te worden nagegaan of die overwegenden al dan niet de noodzakelijke grondslag van het dictum vormden. Het argument dat genoemd dictum hoe dan ook op grond van andere redenen gemotiveerd zou zijn, is niet relevant aangezien het bestaan van ‘tegenstrijdige bepalingen (hier redenen)' voldoende is om de arbitrale uitspraak te vernietigen;

De overige argumenten met betrekking tot de vernietiging van de arbitrale uitspraak hoeven niet onderzocht te worden, aangezien dat onderzoek niet tot een andere besluit zou leiden".

Grieven

Eerste onderdeel

Het arrest grondt de bevestiging van de vernietiging van de arbitrale uitspraak op de in het middel weergegeven redenen en inzonderheid op de onderstaande redenen:

"(De eerste eiseres) betwist ten onrechte dat de motivering van de arbitrale uitspraak een tegenstrijdigheid bevat;

De arbiters hebben immers geoordeeld, enerzijds, dat er een aanzienlijke negatieve wijziging in de zin van artikel 3.10 van de overeenkomst was opgetreden (overwegenden nrs. 18 en 29-30) en, anderzijds, ‘dat geen enkele van de aanzienlijke negatieve wijzigingen die zich volgens de (eiseressen) beslist niet zouden voordoen, zoals ze worden opgesomd in artikel 3.10 van de overeenkomst, in deze zaak bewezen is' ;

Die twee overwegingen zijn kennelijk tegenstrijdig".

De tegenstrijdigheid in de redenen van de uitspraak waarop het arrest de vernietiging grondt, bestaat echter niet.

In een eerste fase hebben de arbiters immers geoordeeld dat de eiseressen zich schuldig hebben gemaakt aan een "breach of warranty" (miskenning van de garantieverplichting) in de zin van de artikelen 3.1 en 3.10 van de overeenkomst, in die zin dat de verkochte vennootschap van een winstgevende toestand op 31 december 1991 geëvolueerd was naar een verlieslatende toestand in juli 1992 (nrs. 18 en 30 van de uitspraak).

In een tweede fase hebben zij geoordeeld dat die "breach of warranty" (miskenning van de garantieverplichting) niet "material" was, d.w.z. "relevant" in de zin van artikel 3.10 van het contract, omdat niet bewezen was dat de "adverse changes" (ongunstige wijzigingen) "material" (relevant) waren in de zin van artikel 3.10 van het contract, aangezien niet bewezen was dat de ongunstige wijzigingen die zich, in strijd met hetgeen gewaarborgd was, hadden voorgedaan, tot een werkelijk, en niet tot een louter potentieel of hypothetisch, verlies hebben geleid (nrs. 19 en 24 van de uitspraak)

Die redenering bevat geen enkele tegenstrijdigheid, aangezien de uitspraak in geen enkele van zijn redenen en inzonderheid in de nrs. 18 en 30 vaststelt dat de bewuste "adverse changes" (ongunstige wijzigingen) "material" waren, d.w.z., "relevant" in de zin van artikel 3.10 van het contract.

Het arrest dat de bevestiging van de vernietiging van de uitspraak grondt op een onbestaande tegenstrijdigheid van de redenen, terwijl de grief als zou de tegenstrijdigheid tussen de redenen onbestaande zijn, feitelijke grondslag mist, schendt artikel 1704, 2, j), van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, artikel 149 van de Grondwet en de artikelen 1701, 6, et 1704, 1, van het Gerechtelijk Wetboek.

Tweede onderdeel

De eiseressen hadden in hun aanvullende en samenvattende appelconclusie betoogd dat de zogenaamde tegenstrijdige redenen van de bestreden uitspraak niet de noodzakelijke dragende grondslag vormden van de beslissing van de arbiters, aangezien zij hoe dan ook verantwoord werd door de vaststelling dat de verweerster geen bewijs kon leveren van een werkelijke en persoonlijke schade.

Het arrest verwerpt dat verweer om de volgende redenen:

Gelet op de bewoordingen zelf van de artikel 1704, 2, j), van het Gerechtelijk Wetboek, dat niet bepaalt dat uitsluitend de tegenstrijdigheden tussen de motivering en het dictum of tussen de redenen die de noodzakelijke grondslag van het dictum vormen, worden bedoeld en - ten overvloede - in het licht van artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat de gerechten verplicht op een voldoende duidelijke wijze de redenen te vermelden op grond waarvan zij een geschil beslechten, en in tegenstelling tot hetgeen sommige auteurs of rechtbanken voorstaan, oordeelt het hof (van beroep) dat een arbitrale uitspraak geen tegenstrijdigheid in haar redenen mag bevatten;

(...) Gelet op het bovenstaande vormt de naar behoren betwiste tegenstrijdigheid in de motivering van de betwiste arbitrale uitspraak een tegenstrijdigheid in de zin van artikel 1704, 2, j), van het Gerechtelijk Wetboek, zodat niet hoeft te worden nagegaan of die overwegenden al dan niet de noodzakelijke grondslag van het dictum vormden. Het argument dat genoemd dictum hoe dan ook op grond van andere redenen gemotiveerd zou zij is niet relevant aangezien het bestaan van ‘tegenstrijdige bepalingen (hier redenen)' voldoende is om de arbitrale uitspraak te vernietigen".

Die redenen zijn onwettig.

Het middel dat wordt aangevoerd tegen de redenen van de bestreden beslissing die volgens het middel tegenstrijdig zijn, maar die ten overvloede gegeven zijn, is niet-ontvankelijk (artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek).

Het arrest grondt dus op onwettige wijze de bevestiging van de vernietiging van de uitspraak op de zogenaamde tegenstrijdigheid van de ten overvloede gegeven redenen ervan, aangezien het dictum van die uitspraak hoe dan ook verantwoord werd door de vaststelling dat de verweerster geen bewijs kon leveren van een werkelijke en persoonlijke schade.

Noch artikel 1704, 2, i) en j), van het Gerechtelijk Wetboek, noch artikel 6.1. van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, noch artikel 149 van de Grondwet, noch enige andere van de overige in het middel aangewezen bepalingen bepalen dat een arbitrale uitspraak kan worden vernietigd wegens een tegenstrijdigheid van de redenen die de wettigheid van het dictum ervan niet aantast.

Het arrest is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van alle in het middel aangewezen bepalingen en inzonderheid van de artikelen 17, 18, 1704, 2, j), van het Gerechtelijk Wetboek en 149 van de Grondwet).

Op zijn minst weigert het arrest na te gaan of, zoals de eiseressen het in conclusie vroegen, de beslissing van de arbiters verantwoord werd, los van de zogenaamde tegenstrijdige redenen, door de vaststelling dat de verweerster geen bewijs kon leveren van een werkelijke en persoonlijke schade.

Aldus bevat het arrest niet de feitelijke vaststellingen op grond waarvan het Hof zijn wettigheidstoetsing kan uitoefenen, en is het bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

De rechter die een arbitrale uitspraak vernietigt, legt deze op onaantastbare wijze uit tenzij zijn uitlegging onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.

Het onderdeel dat het arrest niet verwijt de bewijskracht van de uitspraak die het vernietigt, te miskennen, komt op tegen de feitelijke beoordeling van het hof van beroep volgens welke "twee overwegingen" van die uitspraak "kennelijk tegenstrijdig zijn" en is niet-ontvankelijk.

Tweede onderdeel

De rechter bij wie een vordering tot vernietiging van een arbitrale uitspraak aanhangig is gemaakt, heeft, tenzij hij moet nagaan of die uitspraak strijdig is met de openbare orde, niet tot taak de wettigheid ervan te toetsen.

Daaruit volgt dat indien de rechter oordeelt dat de redenen van de uitspraak tegenstrijdig zijn en de uitspraak vernietigt, hij niet dient na te gaan of zij niet om andere redenen dan die waartussen tegenstrijdigheid bestaat, gegrond blijft. Het onderdeel dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep;

Veroordeelt de eiseressen in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Mireille Delange en Christine Matray, en in openbare terechtzitting van 13 januari 2010 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Arbitrale uitspraak

  • Uitlegging door de vernietigingsrechter