- Arrest van 14 januari 2011

14/01/2011 - F.09.0140.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De aan de vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersonen bedoeld in artikel 94, eerste lid, W.I.B.(1964) zijn de zelfstandige economische eenheden, gericht op het produceren of het verhandelen van goederen of het verlenen van diensten.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.09.0140.N

KONINKLIJKE WAREGEMSE KOERSVERENIGING vzw, met zetel te 8790 Waregem, Felix Verhaegestraat 5,

eiseres,

vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur der directe belastingen te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 24 maart 2009.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- het algemeen rechtsbeginsel van supranationaal recht houdende het beginsel van de rechtsstaat;

- artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gedaan te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, hierna EVRM;

- artikel 1 van het Eerste aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955;

- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet;

- de artikelen 1315, 1316 Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest beslist op folio 699: "het middel van verjaring van de invordering van de bestreden aanslagen is ongegrond." en op folio 711 "(..) (de eiseres) [te veroordelen] tot de andere helft van de kosten van beide aanleggen, (...)"

op grond van de motieven (op folio 697-699):

(Eiseres) voert verder aan dat artikel 49 Programmawet de artikelen 6 EVRM en 1 van het eerste aanvullend Protocol bij het EVRM schendt.

Het is niet voor betwisting vatbaar dat de wetgever met artikel 49 Programmawet de nadelige gevolgen voor de Belgische Staat van de rechtspraak van het Hof van Cassatie in zijn arresten van 10 oktober 2002 en 21 februari 2003, is willen tegengaan en meer bepaald heeft willen vermijden dat tal van vorderingen uit belastingschuld zouden verjaren, en onder meer heeft gewild dit te vermijden voor de vorderingen die nog niet het voorwerp uitgemaakt hadden van een definitieve rechterlijke uitspraak (zie bvb. de uiteenzetting van de minister van Financiën in het aanvullend verslag voor de Commissie voor de Financiën en de Begroting, Parl. Besch. Kamer, 51 1138/023, p. 5 en 6). Hierbij weze opgemerkt dat, zo in de parlementaire voorbereiding op zeker ogenblik sprake is van fraudedossiers (zie bvb. de uiteenzetting van de minister van Financiën in het aanvullend verslag voor de Commissie voor de Financiën en de Begroting, Parl. Besch. Kamer, 51 1138/023, p. 4 en p.10), ook door de minister gesteld werd dat "alle dossiers waarin een dwangbevel werd uitgevaardigd zonder dat de schuld een zeker en vaststaand karakter heeft door de voorgestelde interpretatieve bepaling zullen worden gedekt" (zie de uiteenzetting van de minister van Financiën in het aanvullend verslag voor de Commissie voor de Financiën en de Begroting, Parl. Besch. Kamer, 51 1138/023, p. 11). Er zijn geen redenen om de toepassing van artikel 49 Programmawet te beperken tot fraudedossiers, des te meer nu artikel 49 Programmawet zelf dit niet bepaalt.

Volgens de rechtspraak van het EHRM is het de wetgever niet verboden om van bestaande wetsbepalingen af te wijken door nieuwe bepalingen met terugwerkende kracht in te voeren, maar verzetten het principe van voorrang van het recht en de notie van eerlijk proces gehuldigd door artikel 6 EVRM zich, behoudens om dwingende motieven van algemeen belang, tegen inmenging van de wetgever in de rechtspraak met het doel de rechterlijke beslechting van een geding te beïnvloeden (...). Zo uiteraard artikel 49 Programmawet een financieel impact had voor de Belgische Staat en een louter belang van financiële aard niet volstaat om toe te laten retroactief wetgevend op te treden (...), moet nochtans worden aangenomen dat artikel 49 Programmawet het louter belang van financiële aard oversteeg, en er dwingende motieven van algemeen belang voorhanden waren die noopten tot het optreden van de wetgever.

De gevolgen van de afwezigheid van verjaringsstuitend karakter van een dwangbevel met betrekking tot een belastingschuld die geen zeker en vaststaand karakter heeft, zijn niet beperkt tot het huidig geding of tot enkele gedingen of geschillen, maar hebben een veel breder impact op de Belgische economie. Dit blijkt onder meer uit de vaststelling tijdens de parlementaire voorbereiding van de Programmawet van 20 december 2003 (eerste reactie op de vermelde cassatiearresten, zie Arbitragehof arrest nr. 20/2006 van 1 februari 2006, cijfer B.14.10 http.//www const-court.be), dat de fiscale achterstand inzake van de inkomstenbelastingen voor meer dan 40 pct. bestaat uit betwiste aanslagen, en uit de vaststelling in de parlementaire voorbereiding van de thans besproken Programmawet dat bepaalde dossiers die van het voordeel van de rechtspraak van het Hof van Cassatie zouden kunnen genieten, betrekking hadden op grote fiscale fraude.

De wetgever heeft derhalve de rechten van de Schatkist tegen een ernstig gevaar willen vrijwaren, en handelde in die omstandigheden om dwingende motieven van algemeen belang.

In zoverre (de eiseres) de schending van artikel 1 van het Eerste aanvullend protocol bij het EVRM aanvoert, moet worden vastgesteld dat ook hier dezelfde dwingende motieven van algemeen belang voorhanden zijn. Artikel 1, eerste en tweede lid, Eerste aanvullend protocol bij het EVRM voorzien uitdrukkelijk in de mogelijkheid voor de Staat om, in het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren, af te wijken van het principe van eerbiediging van het eigendomsrecht. Er moet ook te dezen aangenomen worden dat het vereiste rechtmatig evenwicht tussen het algemeen belang van de gemeenschap en de bescherming van het eigendomsrecht van het individu (...) werd geëerbiedigd.

Tevergeefs poogt (de eiseres) de gelding van artikel 49 Programmawet afhankelijk te maken van het al dan niet eerbiedigen van een redelijke termijn, als beginsel van behoorlijk bestuur, bij de beslissing over het bezwaar. Zulks aannemen zou volstrekt in strijd zijn met het Europees rechtelijk rechtszekerheidsbeginsel (...), zeker nu het begrip "redelijke termijn" op zich een relatief vaag begrip is."

Grieven

Volgens de vaststaande rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verzetten het beginsel van de rechtsstaat en het principe van het eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6 van het aangehaald Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, evenals artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol er zich tegen dat de wetgevend[e] macht in het verloop van een gerechtelijke procedure ingrijpt met wetgeving die het verleden wijzigt, teneinde de gerechtelijke uitkomst van het geschil te beïnvloeden in het voordeel van de Staat.

De voormelde regel verzet er zich inzonderheid tegen dat de Belgische wetgever op een beslissende wijze de grond van het geschil beslecht, door in het voordeel van de Belgische Staat, nadat deze de rechtsstrijd reeds verloren had volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie van België, via wetgeving met terugwerkende kracht, vervat in artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004 de regels van het verleden te veranderen, zodanig dat de eiseres definitief de mogelijkheid ontnomen wordt om voor de rechtbanken nog het middel te kunnen aanvoeren dat de verjaring van de invordering van de betwiste aanslagen in de directe belastingen bereikt is, omdat de betekende "bevelen tot betalen" de verjaring niet hebben gestuit wegens het gemis aan uitvoerbare kracht van de integraal betwiste kohieren, zoals het Hof van Cassatie van België even voordien nochtans had beslist.

Enkel dwingende motieven van algemeen belang zouden dergelijk zwaarwichtig en uitzonderlijk ingrijpen van de wetgever kunnen verantwoorden.

Motieven van louter financiële aard zijn evenwel niet aanvaardbaar, vermits het risico van de nefaste financiële gevolgen van het contentieux op zich voor de schatkist van een staat nooit een verantwoording kunnen zijn voor dergelijk optreden.

Eerste onderdeel

De enkele vaststelling dat de door het Hof van Cassatie van België besliste afwezigheid van verjaringsstuitend karakter van een bevel tot betaling met betrekking tot een belastingschuld die geen zeker en vaststaand karakter heeft, een veel bredere impact heeft op de Belgische economie, overstijgt het louter motief van de financiële impact op de staatsfinanciën niet, vermits het blijft gaan om de impact op de economie van de gevreesde minderontvangsten door de Schatkist.

Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist dat het middel van de verjaring van de invordering ongegrond is, omdat de retroactieve werking van artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004 verenigbaar is met het supranationale recht (schending van het aangehaald beginsel van de rechtsstaat en artikel 6 EVRM en 1 van het Eerste aanvullend protocol), bij gebreke aan vaststelling van enig dwingend motief van algemeen belang dat het louter belang van financiële aard overstijgt voor die inmenging van de Belgische wetgever in de reeds door de Belgische Staat verloren geschillen (schending van het aangehaald beginsel van de rechtsstaat en artikel 6 EVRM en artikel 1 van het Eerste aanvullend protocol EVRM).

Tweede onderdeel

De bewijslast van het bestaan van voormelde dwingende motieven van algemeen belang rust op de verweerder krachtens de artikelen 6 EVRM, 1315 en 1316 Burgerlijk Wetboek en artikel 870 Gerechtelijk Wetboek.

Een loutere bewering van [een] partij in het geding blijft niet meer dan een bewering, die op zich geen bewijs oplevert van de juistheid ervan.

De vermelding "tijdens de parlementaire voorbereiding (...), enerzijds, dat de fiscale achterstand inzake de inkomstenbelastingen ‘voor meer dan veertig procent bestaat uit betwiste aanslagen' (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0473/001 en 51-0474/001, p. 148) en, anderzijds, dat bepaalde dossiers die het voordeel van het door het Hof van Cassatie ingenomen standpunt zouden genieten betrekking hadden ‘op grote fiscale fraude' (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1138/015, p. 7)" zoals weergegeven in het arrest nr. 20/2006 van het Grondwettelijk Hof van 1 februari 2006 zijn en blijven eenzijdige beweringen van en door de verweerder, die de waarde van een louter bewering niet overschrijden.

Hieruit volgt dat het bestreden arrest met miskenning van de bewijslast onwettig beslist, dat de weerhouden dwingende motieven van algemeen belang blijken uit, - en derhalve bewezen worden door -, de aangehaalde beweringen van de verweerder, die evenwel loutere beweringen blijven die niet kunnen gelden als bewijs (schending van artikel 6 en van de artikelen 1315, eerste lid en 1316 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek).

Derde onderdeel

De eiseres wierp in regelmatig genomen laatste synthesebesluiten, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 26 december 2008, op p. 9 op:

"In casu heeft de schending van artikel 6 EVRM betrekking op de beginselen van de wapengelijkheid en van het recht op een eerlijk proces. (De verweerder) is immers als procespartij met retroactieve wetgeving tussengekomen in de lopende procedure teneinde de betwisting in zijn voordeel te beslechten.

Dit geldt a fortiori, nu de federale regering tegelijk, enerzijds, als vertegenwoordiger van (de verweerder) zelf partij is bij de lopende procedures en, anderzijds, aan de oorsprong ligt van de uitleggingsbepaling. Zodoende ontneemt zij de belastingplichtige de mogelijkheid haar standpunt volledig uiteen te zetten in omstandigheden die haar niet in een minder gunstige positie stellen dan haar tegenpartij, wat nochtans in een rechtsstaat wordt beschouwd als een algemeen beginsel van behoorlijke rechtsbedeling. In dat opzicht vormt het beginsel van wapengelijkheid dan ook een bijzondere toepassing van het gelijkheidsbeginsel op gerechtelijk vlak, in casu geschonden door de Belgische wetgever".

Het bestreden arrest, dat met geen enkel eigen, noch overgenomen motief antwoordt op de in die termen aangevoerde miskenning van de wapenongelijkheid, is niet naar eis van recht gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 179, 182, 220 en 360 WIB92, gecoördineerd bij KB van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992;

- voor zoveel als nodig de artikelen 94, 136, 2° en 265 WIB64, gecoördineerd bij KB van 26 februari 1964.

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest beslist op folio 702: "terecht heeft (de verweerder) aangenomen dat (de eiseres) moest belast worden in de vennootschapsbelasting." en op folio 711 "(...) (de eiseres) [te veroordelen] tot de andere helft van de kosten van beide aanleggen, (...)"

op grond van de motieven (op folio 700-702):

"(De eiseres) organiseert elk jaar op één welbepaalde dag, nl. de dinsdag volgend op de laatste zondag van augustus paardenwedrennen. Deze paardenwedrennen gaan gepaard met weddenschappen.

Haar inkomsten haalt (de eiseres) voornamelijk uit de opbrengst van weddenschappen die worden afgesloten ter gelegenheid van de paardenwedrennen (zie in dit verband de jaarlijks weerkerende vermeldingen in de ‘bilan' per aanslagjaar zich bevindende in het stukkenbundel van (de verweerder), nl. onder benaming ‘bookmakers' en ‘totalisator'; vergelijk wat dit laatste betreft met stuk 11/35 van (de verweerder) biz. 13.8 en B.9; zie ook stuk 11111 van (de verweerder), bijlage 64/85, waarin (de eiseres) stelt dat een belangrijk deel van haar inkomsten afkomstig is van de uitbating van onderlinge weddenschappen).

De activiteit van (de eiseres) spitst zich toe op de jaarlijkse organisatie van deze paardenwedrennen (zie ook in die zin stuk 11/29 van (de verweerder), waarin door (de eiseres) wordt benadrukt dat de leden van de vzw hun tijd en moeite wijden om jaarlijks een succes te maken van het gebeuren) en wat ermee gepaard gaat (zoals bvb. het onderhoud van tribunes e.d). Enige andere activiteit, en meer bepaald een belangloze activiteit, blijkt niet tenzij het verlenen van enkele premies aan kwekers en eigenaars van de meest presterende paarden of aan diegene die een paard in het buitenland heeft gekocht.

De activiteit van (de eiseres), bestaande in het organiseren van paardenwedrennen met het genieten van een deel van de opbrengst van de weddenschappen bij die paardenwedrennen, is te beschouwen als een exploitatie van een onderneming en het zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard (..).

Anders dan door (de eiseres) voorgehouden kan niet aangenomen worden dat het gaat om een alleenstaande of uitzonderlijke verrichting (artikel 94 laatste lid, 1°, WIB64; artikel 182, 1 °, WIB92). Weliswaar worden de paardenwedrennen maar eenmaal per jaar gehouden, op een dag, doch deze eendaagse paardenwedrennen grijpen jaar in jaar uit plaats zoals blijkt uit de gegevens van de opeenvolgende aanslagjaren. Volgens (de eiseres) (zie het stuk II/11, cijfer 64/85 van (de verweerder)) wordt de jaarlijkse wedden.reeds door (de eiseres) georganiseerd sedert haar oprichting op 9 november 1922. Daarenboven is het logisch dat het jaarlijks evenement een omvangrijke organisatie vergt en tijdens de rest van het jaar wordt voorbereid. In die zin werd in het antwoord op het bericht van wijziging van aangifte voor het aanslagjaar 1987 (stuk 11/29 van (de verweerder)) door (de eiseres) gesteld dat haar leden hun vrije en (heel dikwijls ook andere) tijd en moeite wijden aan het maken van een succes van het jaarlijks gebeuren. In dezelfde zin gaat ook het feit dat er gedurende het ganse jaar inkomende facturen zijn (zie de vermelding in het stuk 11/35 p. B.21 van (de verweerder)). Er moet derhalve aangenomen worden dat het organiseren van de paardenwedrennen een permanente en regelmatige activiteit is.

Verder moet worden vastgesteld dat (de eiseres) werkt volgens handelsmethoden. Aldus worden professionele weddenschaporganisaties ingeschakeld (die hiertoe door (de eiseres) worden gemandateerd: zie de bijlagen bij elk bericht van wijziging van aangifte), wordt elk jaar een belangrijk bedrag aan publiciteit besteed (zie de elk jaar weerkerende vermeldingen in de ‘bilan' zich voor elk aanslagjaar bevindend in het stukkenbundel van (de verweerder), wordt een belangrijke hoeveelheid personeel aangeworven voor de paardenwedrennen (zie de vermelding in stuk 11135 van (de eiseres), p. A.3), worden verkoopfacturen gericht aan bedrijven die publiciteit willen maken voor de paardenwedrennen (zie de conclusie van (de verweerder), neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 23 oktober 2008, p. 29, gegeven dat door (de eiseres) niet wordt tegengesproken).

Zoals hoger duidelijk gemaakt is het organiseren van de paardenwedrennen, met bijkomend het verwerven van inkomsten uit weddenschappen, de hoofdactiviteit van (de eiseres), en geen bijkomende activiteit.

Op grond van wat voorafgaat moet aangenomen worden dat (de eiseres) een onderneming exploiteerde en zich bezig hield met verrichtingen van winstgevende aard, dat het geen alleenstaande of uitzonderlijke verrichting betrof en dat deze activiteit niet bijkomstig was. Terecht heeft (de verweerder) aangenomen dat (de eiseres) moest belast worden in de vennootschapsbelasting.

Dat de paardenwedrennen werden gehouden sedert 1847 (zie de vermelding in het gewijzigd maatschappelijk doel in de statuten van (de eiseres) is niet van aard tot een ander besluit te komen. Evenmin het feit dat de paardenwedrennen wel als bij-effect zullen hebben de paardenfokker aan te moedigen (het organiseren van paardenwedrennen met mogelijkheid van winst door weddenschappen, zal aanzetten tot fokken van zo goed mogelijk presterende en (weddenschap) winnende paarden)."

Grieven

Eerste onderdeel

Uit het samenlezen van de artikelen 179, 182 en 220, 3°, WIB92, - en voor zoveel als nodig de artikelen 94 en 136, 2° WIB64 -, blijkt dat een rechtspersoon, die zich niet bezighoudt met de exploitatie van een onderneming onderworpen is aan de rechtspersonenbelasting en niet aan de vennootschapsbelasting.

De exploitatie van een onderneming vereist het oogmerk om winst te maken.

De appelrechters stellen niet vast dat de eiseres een winstoogmerk nastreeft, maar beslist desondanks dat de activiteit die zij als vereniging zonder winstoogmerk uitoefent " te beschouwen is als een exploitatie van een onderneming (...) " (folio 701, alinea 2) en dat "moet worden aangenomen dat (de eiseres) een onderneming exploiteerde (...) " (folio 702, alinea 1).

Hieruit volgt dat het bestreden arrest, door na te laten het winstoogmerk vast te stellen in hoofde van de eiseres, de beslissing, dat de verweerder terecht heeft aangenomen dat de eiseres moest belast worden in de vennootschapsbelasting, niet wettig verantwoord. (schending van de aangehaalde artikelen 179, 182 en 220, 3°, WIB92 en voor zoveel als nodig de artikelen 94 en 136, 2°, WIB64).

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 220, 3°, WIB92, vroeger artikel 136, 2°, WIB64 is een rechtspersoon die zich niet bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard onderworpen aan de rechtspersonenbelasting en niet aan de vennootschapsbelasting.

Krachtens artikel 182, 1°, WIB92, vroeger artikel 94, laatste lid, WIB64 wordt een alleenstaande of uitzonderlijke verrichting niet als een verrichting van winstgevende aard aangemerkt in hoofde van verenigingen zonder winstoogmerk.

Het alleenstaand karakter van een verrichting dient per belastbaar tijdperk te worden beoordeeld.

In casu is de eiseres een vereniging zonder winstoogmerk, die zich enkel met een alleenstaande verrichting bezighoudt.

De appelrechters stellen immers vast (folio 700) dat de litigieuze activiteit van de eiseres zich beperkt tot het organiseren van paardenwedrennen "(...) op een welbepaalde dag, nl. de dinsdag volgend op de laatste zondag van augustus".

De omstandigheid dat dit, per jaar, eenmalig evenement, jaarlijks opnieuw gehouden wordt doet aan het alleenstaand karakter per belastbaar tijdperk geen afbreuk. Binnen elk belastbaar tijdperk is er geen herhaling en ontbreekt derhalve enige frequentie.

Hieruit volgt dat het bestreden arrest de beslissing, dat de verweerder terecht heeft aangenomen dat de eiseres moest belast worden in de vennootschapsbelasting, niet wettig verantwoordt, vermits uit de gedane vaststellingen de appelrechters niet konden afleiden dat het eenmalig evenement per belastbaar tijdperk (schending van artikel 360 en 182, 1°, WIB92 en, voor zoveel als nodig, de artikelen 265 en 94, laatste lid, WIB64) geen alleenstaande verrichting uitmaakt (schending van artikel 182, 1°, WIB92 en, voor zoveel als nodig, artikel 94, laatste lid, WIB64), wat leidt tot onderwerping aan de rechtspersonenbelasting (schending van artikel 179 en 220, 3°, WIB92 en, voor zoveel nodig, artikel 94 en 136, 2°, WIB64).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters, zonder vaststelling van enig dwingend motief van algemeen belang, onwettig beslist hebben dat het middel van de verjaring ongegrond is, omdat de retroactieve werking van artikel 49 van de programmawet van 9 juli 2004 (verder: Programmawet 2004) verenigbaar is met het supranationale recht.

2. De appelrechters oordelen dat voormeld artikel 49 het loutere belang van financiële aard oversteeg en er dwingende motieven van algemeen belang voorhanden waren die noopten tot het optreden van de wetgever.

De appelrechters wijzen inzonderheid erop dat de gevolgen van de afwezigheid van verjaringstuitend karakter van een dwangbevel met betrekking tot een belastingschuld die geen zeker en vaststaand karakter heeft, niet beperkt zijn tot het huidige geding of tot enkele gedingen, maar een veel bredere impact hebben op de Belgische economie.

3. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters geen dwingend motief van algemeen belang vaststellen, mist het feitelijke grondslag.

4. In zoverre het onderdeel aanvoert dat een ernstige ontwrichting van de fiscale ontvangsten in het algemeen alleen de staatsfinanciën aanbelangt en geen impact heeft op de economie van het land in het algemeen en aldus geen dwingend motief van algemeen belang kan uitmaken, vraagt het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

5. De omstandigheid dat de Belgische Staat partij is in een rechtsgeding, belet de rechter niet zijn beslissing te steunen op de parlementaire voorbereiding van een wet, waaruit feiten en gegevens blijken die de wetgever ertoe hebben aangezet een bepaalde wet te maken.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Derde onderdeel

6. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijke middel vormt.

7. Het in het onderdeel bedoelde verweer is geen afzonderlijk middel, maar een argument ter ondersteuning van de aangevoerde schending van artikel 6 EVRM.

De appelrechters beantwoorden het verweer van de eisers over de schending van artikel 6 EVRM door te oordelen dat de terugwerkende kracht van artikel 49 Programmawet 2004 de toets aan artikel 6 EVRM kon doorstaan in zoverre er dwingende motieven van algemeen belang voorhanden waren, die een retroactieve werking van de bedoelde wetgeving konden verantwoorden.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

Eerste onderdeel

8. Artikel 94, eerste lid, WIB64 bepaalt dat onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 25, § 1, tweede lid, aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, om het even welke vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen die rechtspersoonlijkheid bezitten, in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben en zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden.

De rechtspersonen in dit artikel bedoeld zijn de zelfstandige economische eenheden, gericht op het produceren of het verhandelen van goederen of het verlenen van diensten.

De exploitatie in de zin van dit artikel beoogt een effectieve en actuele uitbating en omvat het geheel van de beroepsactiviteit die gewijd is aan een regelmatige uitvoering van de verrichtingen die nodig zijn tot het in stand houden van die activiteit in een mate die overeenstemt met de normale uitoefening daarvan.

9. Artikel 182 WIB92 en artikel 94, laatste lid, WIB64 bepalen dat voor verenigingen zonder winstoogmerk niet als verrichtingen van winstgevende aard worden aangemerkt: 3° verrichtingen die bestaan in een bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids- handels- of landbouwverrichtingen betrekking heeft of niet volgens nijverheids- of handelsmethoden wordt uitgevoerd.

10. De appelrechters stellen vast welke de activiteit is van de eiseres en oordelen dat deze activiteit weliswaar toegespitst op een jaarlijks evenement maar steeds een heel jaar wordt voorbereid en jaar na jaar plaatsvindt. Zij stellen ook vast dat de eiseres ingericht is als een economische organisatie en werkt volgens handelsmethoden. Zij stellen ook vast dat het organiseren van paardenwedrennen met bijkomend het verwerven van inkomsten uit weddenschappen, de hoofdactiviteit van de eiseres en geen bijkomende activiteit is.

Op grond van die vaststellingen konden de appelrechters, zonder schending van de in het middel aangewezen bepalingen beslissen dat de eiseres moest belast worden in de vennootschapsbelasting.

Het onderdeel kon niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

11. Voor verenigingen zonder winstoogmerk worden alleenstaande of uitzonderlijke verrichtingen op grond van artikel 182, 1°, WIB92 en van artikel 94, laatste lid, WIB64, niet als verrichtingen van winstgevende aard aangemerkt.

12. Indien een vereniging of vennootschap de organisatie van één jaarlijks evenement als hoofddoel heeft en dit evenement over een lange periode voorbereidt, is dit evenement geen alleenstaande of uitzonderlijke verrichting.

De omstandigheid dat het evenement jaarlijks opnieuw wordt gehouden en sedert een lange periode, kan een element zijn om vast te stellen dat de organisatie die hiervoor nodig is op een bepaald ogenblik in de tijd een permanente aard heeft.

13. De appelrechters oordelen dat de verrichting geen alleenstaand karakter heeft, niet op grond van de omstandigheid dat sedert 1847 paardenwedrennen werden ingericht en dat de eiseres die wedrennen sinds 1922 organiseerde, maar wel op grond van de organisatie en de verrichtingen over één aanslagjaar waarbij de herhaling van de organisatie als element diende om de structuur en de activiteit van de eiseres tijdens één jaar toe te lichten.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 516,80 euro jegens de eisende partij en op de som van 82,42 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Albert Fettweis, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 14 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Onderworpen rechtspersonen