- Arrest van 14 januari 2011

14/01/2011 - F.09.0157.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bodemrechter beoordeelt in feite of het bericht van wijziging van de aangifte de belastingplichtige op een met redenen omklede wijze voldoende inlicht over de inkomsten en andere gegevens die de administratie in de plaats wil stellen van die welke aangegeven of aangenomen zijn, zodat hij de geplande wijziging kan onderzoeken en ze vervolgens verwerpen of aannemen; het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord (1). (1) Zie Cass., 12 mei 1989, AR F.1551.N, A.C., 1988-89, nr. 522; Cass., 28 jan. 1994, AR F.1981.N, A.C., 1994, nr. 55; Cass., 27 maart 1997, AR F.96.0094.F, A.C., 1997, nr. 168; Cass., 15 mei 2003, AR F.02.0007.F, A.C., 2003, nr. 297.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.09.0157.N

1. G.V.,

2. R.E.,

eisers,

met als raadsman mr. Guy Poppe, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 93, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur van de directie Antwerpen I, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 2,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 28 april 2009.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 346 WIB92 bepaalt dat indien de administratie meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in de aangifte, ze hem bij een ter post aangetekende brief in kennis stelt van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend en de redenen vermeldt die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen.

2. De bodemrechter beoordeelt in feite of het bericht van wijziging van de aangifte de belastingplichtige op een met redenen omklede wijze voldoende inlicht over de inkomsten en andere gegevens die de administratie in de plaats wil stellen van die welke aangegeven of aangenomen zijn, zodat hij de geplande wijziging kan onderzoeken en ze vervolgens verwerpen of aannemen.

Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

3. De appelrechters oordelen dat het bericht van wijziging de nodige gegevens bevat om de belastingplichtigen toe te laten een passend verweer te voeren. Zij verwijzen in dit verband naar een controle betreffende de vennootschap Gever en naar stortingen die bij deze vennootschap zijn gebeurd op de rekening-courant van de vennoten. De appelrechters stellen verder vast dat de bedragen in kwestie nader werden geduid en dat werd gesteld dat ze als bezoldigingen zouden worden beschouwd, daar niet werd aangetoond dat deze bedragen afkomstig waren van de eerste eiser.

4. Op grond van deze vaststellingen hebben de appelrechters naar recht kunnen beslissen dat het bericht van wijziging voldoet aan de vereisten van artikel 346 WIB92.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

5. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters hebben geoordeeld dat de litigieuze bedragen belastbaar waren als bezoldigingen van bedrijfsleider in de zin van artikel 32, eerste lid, 1°, WIB92.

6. De appelrechters verwijzen bij de bespreking van de betwiste bedragen enkel naar artikel 32, eerste lid, WIB92 in het algemeen, zonder te specificeren of het om inkomsten gaat als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, of in artikel 32, eerste lid, 2°.

Het onderdeel mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert miskenning van de bewijslast aan. Het vermeldt echter niet de geschonden wettelijke bepalingen in verband met de bewijslast.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Derde middel

8. In zoverre het middel miskenning aanvoert van de bewijskracht van de "voorgelegde stukken", zonder de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek als geschonden aan te wijzen, is het niet ontvankelijk.

9. Het is niet tegenstrijdig te oordelen dat niet wordt betwist dat de bedragen van 310.000 frank, respectievelijk 352.340 frank werden overgemaakt op de rekening-courant van de eiser en dat deze die bedragen kon opnemen en aanwenden en, anderzijds, dat uit geen enkel gegeven blijkt dat de stortingen op de rekening-courant werden gefinancierd met gelden die de eiser heeft terugbetaald.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 511,24 euro jegens de eisende partijen en op de som van 155,19 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Albert Fettweis, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 14 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Bericht van wijziging

  • Motiveringsvereiste

  • Toetsing door de rechter

  • Bevoegdheid van het Hof