- Arrest van 14 januari 2011

14/01/2011 - F.09.0162.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De artikelen 267 en 271 AWDA, die toelaten een proces-verbaal op te stellen en het binnen vijf dagen ter kennis te brengen van de bekeurde, telkens wanneer misdrijven of overtredingen van de wet worden vastgesteld, bevatten geen beperking in tijd betreffende de vaststelling en laten derhalve toe de vaststelling en de daarop volgende mededeling nog te verrichten na het verstrijken van de termijn van drie jaar vermeld in artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 1697/79 (1) (1) Zie de concl van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.09.0162.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, North Galaxy, Koning Albert II-laan 33,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. PANALPINA WORLD TRANSPORT nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Noorderlaan 133,

2. UPTOWN nv, met zetel te 9031 Gent (Drongen), Antoon Catriestraat 1A,

verweersters,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 juni 2009.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Uit het bestreden arrest blijken de volgende relevante feiten:

- de kwestieuze goederen werden aangegeven ten invoer, respectievelijk op 28 maart 1989, 31 maart 1989, 7 april 1989 en 25 april 1989;

- uit een proces-verbaal opgesteld door de administratie der douane en accijnzen op 27 maart 1992, bleek dat bij de aangifte, met het opzet de douane te bedriegen, valse, misleidende of onjuiste documenten zijn overgelegd en dat de plaats of het land vanwaar de goederen zijn aangebracht en vanwaar ze van oorsprong zijn, niet is aangegeven;

- bij dagvaarding van 12 december 1994 vorderde de Belgische Staat, de veroordeling van de verweersters tot betaling van de verschuldigde invoerheffingen.

III. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 2.1, tweede lid, Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (hierna: Verordening (EEG) nr. 1697/79), kan de procedure tot navordering van de niet-geheven rechten niet meer worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan.

Artikel 3 Verordening (EEG) nr. 1697/79 bepaalt dat wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer of bij uitvoer ter zake van het betrokken goed vast te stellen, de in artikel 2 vastgestelde termijn niet van toepassing is. In dat geval geschiedt de navordering door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de op dit gebied in de Lidstaten geldende bepalingen.

De tweede voorafgaande considerans van Verordening (EEG) nr. 1697/79 neemt aan dat navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer in zekere mate afbreuk doet aan de zekerheid die de belastingschuldige mag verwachten van administratieve besluiten die geldelijke gevolgen hebben. Derhalve dienen ter zake de mogelijkheden tot optreden van de bevoegde autoriteiten te worden beperkt door het vaststellen van een termijn waarna de oorspronkelijke vereffening van de rechten bij invoer of bij uitvoer als definitief moet worden beschouwd. Deze beperking op het optreden van de bevoegde autoriteiten kan evenwel niet gelden wanneer een strafrechtelijk vervolgbare handeling er de oorzaak van was dat de bevoegde autoriteiten bij de vrijmaking van de goederen niet het juiste bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer konden vaststellen.

2. In België worden de misdrijven, fraudes of overtredingen van de wet in verband met rechten verschuldigd bij invoer of bij uitvoer vastgesteld en ingevorderd overeenkomstig de artikelen 267 tot en met 285 KB van 18 juli 1977, houdende coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen (hierna: AWDA).

Overeenkomstig artikel 267 AWDA worden de misdrijven, fraudes of overtredingen vastgesteld bij processen-verbaal door daartoe bevoegde personen.

De artikelen 267 en 271 AWDA laten toe een proces-verbaal op te stellen en het binnen vijf dagen ter kennis te brengen van de bekeurde, telkens wanneer misdrijven of overtredingen van de wet worden vastgesteld. De artikelen bevatten geen beperking in tijd betreffende de vaststelling en laten derhalve toe de vaststelling en de daarop volgende mededeling nog te verrichten na het verstrijken van de termijn van drie jaar vermeld in artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 1697/79.

3. De artikelen 279 tot 285 AWDA, regelen onder meer de navorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven inzake douane en accijnzen.

De AWDA bepaalt daarvoor geen verjaringstermijn.

In geval van een strafrechtelijk vervolgbare handeling is de navordering van de verschuldigde rechten naar Belgisch recht onderworpen aan de wettelijke regeling van de verjaring in burgerlijke zaken. Hier is dat artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek dat voorziet in een tienjarige verjaringstermijn, die hier begint te lopen vanaf de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 die artikel 2262bis in het Burgerlijk Wetboek heeft ingevoegd.

4. Artikel 202, § 1, AWDA, zoals toen toepasselijk, bepaalt dat: indien de ambtenaren der douane en accijnzen binnen twee jaar na de datum van het certificaat van verificatie vaststellen dat het invoerrecht of de accijns of de daarmede gelijkgestelde rechten en taksen, verschuldigd op de ten verbruik aangegeven goederen, niet volledig werden geïnd wegens een verkeerde aangifte, de importeur, de douane-expediteur en degene die rechtstreeks de last van de rechten en taksen heeft gedragen, solidair verplicht zijn tot betaling van de ontdoken rechten en taksen.

Die bepaling kan niet gelden voor de toepassing van de uitzonderingsregeling van artikel 3 Verordening (EEG) nr. 1697/79, aangezien zij niet toelaat het bedrag van de verschuldigde rechten nog na het verstrijken van de termijn van drie jaar in de verordening bedoeld mede te delen aan de schuldenaar.

5. Volgens het bestreden arrest waren de Belgische douaneautoriteiten door een daad die aanleiding gaf tot strafvervolging, niet bij machte om het juiste bedrag van de invoerrechten te bepalen.

Het bestreden arrest bevestigt het oordeel van de eerste rechter die de vordering van de eiseres verjaard verklaarde op grond van artikel 202 AWDA, omdat het proces-verbaal werd opgesteld meer dan twee jaar nadat de douaneschuld is ontstaan.

6. Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Albert Fettweis, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 14 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Misdrijven of overtredingen van de wet

  • Vaststelling bij proces-verbaal

  • Toepasselijke termijn