- Arrest van 14 januari 2011

14/01/2011 - F.10.0005.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De op grond van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen verschuldigde bijdrage en provisionele storting zijn uitsluitend aftrekbaar zoals de uitgaven bedoeld in artikel 71 van het W.I.B.(1964) zodat de op grond van artikel 62 van die wet verschuldigde nalatigheidsinterest niet aftrekbaar is (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0005.N

1. D.D.,

2. A.T.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, sector directe belastingen, gewestelijke directie Antwerpen II, met kantoor te 2850 Boom, J. Van Cleemputlei 7,

verweerders.

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de woonplaats kiest,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 mei 2009.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 68 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen worden de op grond van deze wet verschuldigde bijdrage en provisionele storting, voor zover het bedrag ervan niet hoger ligt dan het werkelijk verschuldigd bedrag, voor het jaar van de betaling afgetrokken van de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen bedoelde categorieën, op dezelfde gronden als de in artikel 71 van hetzelfde wetboek bedoelde uitgaven.

Hieruit volgt dat deze bijdrage en de provisionele storting uitsluitend aftrekbaar zijn zoals de uitgaven bedoeld in artikel 71 WIB64.

2. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de bijdrage en provisionele storting als sociale bijdragen aftrekbaar zijn op grond van artikel 45 WIB64, thans artikel 52 WIB92, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

3. Krachtens artikel 68 van de wet van 28 december 1983 zijn de bijdrage en provisionele storting aftrekbaar zoals de in artikel 71 bedoelde uitgaven van het WIB64.

Artikel 71 WIB64 voorziet niet in aftrekbaarheid van nalatigheidsinterest zoals bedoeld in artikel 62 van de wet van 28 december 1983.

4. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat niet alleen de bijdragen en storting aftrekbaar zijn, maar eveneens de op grond van artikel 62 van de genoemde wet van 28 december 1983 verschuldigde nalatigheidsinterest, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 315,58 euro jegens de eisende partijen en op de som van 146,24 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Albert Fettweis, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 14 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Bijdrage, provisionele storting en nalatigheidsinterest

  • Wet 28 december 1983

  • Aftrekbaarheid