- Arrest van 17 januari 2011

17/01/2011 - C080303F-C090461F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni op de landverzekering, volgt dat de subrogatie van de verzekeraar met wie de gemeente een verzekeringsovereenkomst is aangegaan krachtens artikel 27 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 betreffende de schadevergoeding ten gunste van sommige personeelsleden van provincies, gemeenten, agglomeraties en federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, diensten, instellingen en verenigingen voor maatschappelijk welzijn, diensten van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en diensten van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en openbare kassen van lening, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, niet beperkt is tot de subrogatoire vordering die de gemeente is toegekend bij artikel 14, §3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, maar zich uitstrekt tot de andere rechten en rechtsvorderingen van de gemeente tegen de schadeveroorzaker.

Arrest - Integrale tekst

A.R. C.08.0303.F

ETHIAS - GEMEEN RECHT, onderlinge verzekeringsvereniging,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. AXA BELGIUM, naamloze vennootschap,

vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. A. R.,

3. K. F.,

4. A. A.,

verweerders.

A.R. C.09.0461.F

AXA BELGIUM, naamloze vennootschap,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ETHIAS - GEMEEN RECHT, onderlinge verzekeringsvereniging,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in aanwezigheid van

2. A. R.,

3. K. F.,

4. A. A.,

verweerders.

tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep, dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.08.0303.F, is gericht tegen de arresten, op 30 mei 2006 en 29 mei 2007 gewezen door het hof van beroep te Brussel.

Het cassatieberoep, dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.09.0461.F, is gericht tegen een arrest, op 29 mei 2007 gewezen door het hof van beroep te Brussel.

De zaak is bij beschikking van 28 december 2010 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan tot staving van het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.09.0461.F :

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet ;

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ;

- de artikelen 1, 9°, 3, 1°, b), 3bis, eerste lid, 12, § 1, eerste lid (vóór de wijziging ervan bij de wet van 11 mei 2007) en 2 (vóór en na de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997), en 14, § 1 (vóór de wijziging ervan bij de wet van 17 mei 2007), 2 en 3, eerste en tweede lid (vóór de opheffing van die derde paragraaf bij de wet van 21 december 1994 en na de herinvoering ervan bij de wet van 20 december 1995), van de wet van 27 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector ;

- de artikelen 1, 1°, en 27 (vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 2 april 2003) van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 betreffende de schadevergoeding ten gunste van sommige personeelsleden van provincies, gemeenten, agglomeraties en federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, diensten, instellingen en verenigingen voor maatschappelijk welzijn, diensten van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en diensten van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en openbare kassen van lening, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk ;

- artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst ;

- artikel 22, eerste lid, van de wet van 11 juni 1874 op de verzekeringen in het algemeen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt vast dat de eiseres de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van R.A. dekte krachtens een verzekeringsovereenkomst BA-privéleven die de moeder van laatstgenoemde met de eiseres gesloten had ; dat de jeugdrechtbank op 4 november 1993 de feiten bewezen heeft verklaard die aan R.A., toen minderjarig, ten laste waren gelegd, met name dat hij, op 22 februari 1993, te Sint-Jans-Molenbeek, de agenten-brigadiers C. en H. geslagen heeft in de uitoefening van hun bediening, met de omstandigheid dat de slagen bloedstorting, verwondingen of ziekte hebben veroorzaakt, en dat hij politie-inspecteur D. geslagen heeft in de uitoefening van zijn bediening, zonder die verzwarende omstandigheid ; dat de gemeente Sint-Jans-Molenbeek verplicht was de lonen en wedden van haar gewonde ambtenaren door te betalen ; dat de verweerster in de rechten van de gemeente is getreden in haar hoedanigheid van arbeidsongevallenverzekeraar en haar uitgaven terugvordert van de eiseres,

beslist vervolgens dat de burgerrechtelijke gevolgen van een eventuele arbeidsongeschiktheid van politie-inspecteur D. niet ten laste mogen vallen van de consoorten A., "verklaart de oorspronkelijke vordering van (de verweerster) ongegrond, voor zover die strekt tot terugbetaling van de uitgaven die zijn gedaan voor ambtenaar D. en verband houden met zijn arbeidsongeschiktheid",

en verklaart de vordering van de verweerster "voor het overige in beginsel gegrond".

Het arrest grondt die beslissing op de volgende redenen :

"De eiseres betoogt dat de subrogatoire vordering van de verweerster beperkt is tot de rechten van de ambtenaren C., H. en D. en dat de verweerster niet de vergoeding van de eigen schade van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek mag vorderen". "Krachtens artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de arbeidsongevallen of de ongevallen op de weg naar en van het werk die een ambtenaar van de overheidssector treffen, welke te dezen van toepassing is, is het in eerste instantie de gemeente Sint-Jans-Molenbeek en niet (de verweerster) die in de rechten treedt van haar ambtenaren die, zoals in dit geval, door een arbeidsongeval getroffen zijn. Pas daarna treedt (de verweerster), krachtens artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, in de rechten van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek. Krachtens de gezamenlijke toepassing van die twee wetsbepalingen mag (de verweerster) zich dus wel degelijk beroepen zowel op de rechten van de door R.A. aangevallen ambtenaren als op die van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek. Zij mag dus van de voor het schadegeval aansprakelijke derden de vergoeding vorderen van zowel de schade van de ambtenaren van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek als de zogenaamde schade door repercussie die de gemeente Sint-Jans-Molenbeek zelf geleden heeft. Uit de hierboven uiteengezette redenen blijkt dat de door (de verweerster) gevorderde terugbetaling van haar uitgaven uiteindelijk geen eigen schade betreft maar wel degelijk de schade die de gemeente Sint-Jans-Molenbeek geleden heeft toen zij zich genoodzaakt zag de lonen en wedden van haar drie ambtenaren door te betalen, zonder dat zij in ruil daarvoor hun arbeidsprestaties ontving".

Grieven

Eerste onderdeel

De eiseres had in haar tweede aanvullende en samenvattende conclusie, na heropening van het debat voor het hof van beroep, betwist dat de verweerster in het eigen recht van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek was getreden om de vergoeding te verkrijgen van de schade die zij zelf zou hebben geleden en die bestond in haar verplichting om de lonen en wedden van haar arbeidsongeschikte ambtenaren door te betalen, en betoogde dat de verweerster alleen in de rechten was getreden die de gemeente ontleende aan haar eigen subrogatie in de rechten van haar ambtenaren, waarop zij krachtens haar subrogatie aanspraak kon maken, en dus alleen de terugbetaling van het nettoloon van de politieagenten kon vorderen, op grond dat de verweerster "optreedt als arbeidsongevallenverzekeraar van de werkgever van de politieagenten, dus de gemeente Sint-Jans-Molenbeek, en niet als werkgever, wat voor de omvang van haar vordering een aanzienlijk verschil uitmaakt ; de arbeidsongevallenverzekeraar vergoedt de getroffenen immers niet omdat hij in een arbeidsovereenkomst vastgelegde verplichtingen moet nakomen maar wel omdat hij met hun werkgever een verzekeringsovereenkomst tegen arbeidsongevallen heeft gesloten ; (...) de verzekeraar treedt alleen in de rechten van de gemeente die de gemeente zelf door haar eigen subrogatie in de rechten van de getroffene kan doen gelden ; indien (de verweerster) zich wil beroepen op de eigen schade van de gemeente, welke niet samenvalt met de schade van de ambtenaar, dan moet zij aantonen dat zij, krachtens haar verzekeringsovereenkomst, niet alleen de schade dekt die de ambtenaar van de gemeente geleden heeft en waarop haar subrogatie betrekking heeft, maar ook die van de gemeente zelf ; dit is te dezen niet het geval ; (de verweerster) toont niet aan dat zij krachtens haar verzekeringsovereenkomst de eigen schade van de gemeente dekt".

Het arrest, dat niet vaststelt dat de verweerster een verzekeringsovereenkomst heeft overgelegd waaruit zou blijken dat zij de schade moet dekken die de gemeente zelf geleden heeft, antwoordt niet op het voormelde middel uit de conclusie van de eiseres. Het arrest is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Tweede onderdeel

1. Krachtens artikel 3, 1°, b), van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, heeft degene die getroffen is door een arbeidsongeval recht op een rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid, waarvan een derde krachtens artikel 12, § 1, onder bepaalde voorwaarden in kapitaal kan worden omgezet. Volgens artikel 3bis, eerste lid, van die wet, geniet de getroffene gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid het voordeel van de bepalingen die door de wetgeving op de arbeidsongevallen in de privésector voor een tijdelijke ongeschiktheid zijn vastgesteld.

De bij die wet ingevoerde regeling is van toepassing op de gemeenten krachtens de artikelen 1, 9°, van de wet van 3 juli 1967 en 1, 1°, van het in de aanhef van het middel bedoelde koninklijk besluit van 13 juli 1970.

2. Volgens artikel 27 van datzelfde koninklijk besluit, (vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 2 april 2003), kunnen de gemeenten, "teneinde de door hen te dragen lasten geheel of gedeeltelijk te dekken, verzekeringsovereenkomsten sluiten hetzij met een erkende verzekeringsmaatschappij tegen vaste premie, hetzij met een erkende gemeenschappelijke verzekeringskas, overeenkomstig de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971". De verzekeringsovereenkomst inzake arbeidsongevallen die de gemeente met toepassing van dat artikel 27 sluit, dekt dus in beginsel alleen de lasten die de gemeente moet dragen krachtens de wet van 3 juli 1967, dat wil zeggen de lasten die betrekking hebben op de vergoeding van de arbeidsongevallen van haar personeelsleden, en niet de eigen schade die de gemeente zou lijden doordat zij verstoken blijft van de arbeid van haar ambtenaren die getroffen zijn door een door een derde veroorzaakt arbeidsongeval, en waarvan zij op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek van die derde of van diens BA-verzekeraar de vergoeding zou kunnen vorderen.

Krachtens artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst of artikel 22, eerste lid, van de wet van 11 juni 1874 op de verzekeringen in het algemeen, treedt de arbeidsongevallenverzekeraar dus slechts in de rechten die de gemeente tegen de aansprakelijke derde kan doen gelden voor zover die rechten betrekking hebben op de lasten die de gemeente dient te dragen overeenkomstig de wet van 3 juli 1967.

3. Artikel 14, § 1, van de wet van 3 juli 1967, bepaalt dat, "ongeacht de uit deze wet voortvloeiende rechten, de rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid voor de getroffene of zijn rechthebbenden mogelijk blijft (...) 3° tegen de personen, behalve de (gemeenten) alsmede de leden van hun personeel, die voor het ongeval aansprakelijk zijn". Artikel 14, § 2, van die wet bepaalt dat, "onverminderd de bepalingen van § 1, de in artikel 1 bedoelde personen of instellingen verplicht zijn de vergoedingen en renten die uit deze wet voortvloeien te betalen" (eerste lid) ; "de volgens het gemeen recht toegekende schadevergoeding kan evenwel niet samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen" (tweede lid). Krachtens artikel 14, § 3, "brengt toepassing van het bepaalde in deze wet van rechtswege mede dat de (gemeenten) die de last van de rente dragen, in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen treden welke het slachtoffer of zijn rechthebbenden, overeenkomstig § 1 mochten kunnen doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval (...) en zulks tot het bedrag van de renten en vergoedingen door deze wet bepaald en van het bedrag gelijk aan het kapitaal dat die renten vertegenwoordigt" (eerste lid) ; "bovendien treden de (gemeenten) die de last van de bezoldiging dragen van rechtswege in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen die (de getroffene) overeenkomstig § 1 mocht kunnen doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval of de beroepsziekte tot het bedrag van de bezoldiging uitgekeerd gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid" (tweede lid).

Uit de voormelde bepalingen van artikel 14 van de wet van 3 juli 1967 blijkt dat de gemeente die, ten aanzien van haar ambtenaren, die getroffen zijn door een arbeidsongeval, de haar door die wet opgelegde verplichtingen is nagekomen en de gevolgen van een dergelijk arbeidsongeval heeft vergoed in haar hoedanigheid van gesubrogeerde in de rechten van de getroffene alsook in diens rechten en rechtsvorderingen tegen de aansprakelijke derde of diens BA-verzekeraar, zich moet houden aan de bij die bepalingen vastgestelde grenzen. Krachtens die bepalingen beschikt de gemeente niet over het recht om de vergoeding te vorderen van de gehele schade die zij zelf lijdt door de derving van de arbeid van haar ambtenaren.

4. Op grond van het feit dat de arbeidsongevallenverzekeraar, met wie de gemeente de bij artikel 27 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 bepaalde overeenkomst heeft gesloten, gesubrogeerd wordt in de rechten van de gemeente en dat laatstgenoemde gesubrogeerd wordt in de rechten van haar ambtenaren, kan de arbeidsongevallenverzekeraar van de gemeente die een rechtsvordering instelt tegen de voor het ongeval aansprakelijke derde of tegen diens BA-verzekeraar, zich slechts binnen de grenzen van haar uitgaven beroepen op de rechten van de door het arbeidsongeval getroffen ambtenaren en kan hij geen rechten doen gelden die de gemeente zelf op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek bezit om de vergoeding te verkrijgen van de eigen schade die zij geleden heeft door het loon van haar ambtenaren door te betalen zonder hun arbeid te hebben ontvangen.

5. Het arrest, dat niet vaststelt dat de gemeente Sint-Jans-Molenbeek met de verweerster een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten die andere schade zou dekken dan die welke voortvloeit uit de last die zij moet dragen krachtens de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen in de overheidssector, beslist dat de verweerster op grond van artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967, in combinatie met artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, zich niet alleen kan beroepen op de rechten van de door de verzekerde van de eiseres aangevallen ambtenaren maar ook op de rechten van de gemeente zelf, die zich genoodzaakt zag om de lonen en wedden van haar drie ambtenaren te blijven betalen, zonder in ruil daarvoor hun arbeidsprestaties te ontvangen.

Het arrest schendt aldus alle in de aanhef van het middel bedoelde wettelijke bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest ; er bestaat grond tot voeging.

Over het middel van niet-ontvankelijkheid dat door de eerste verweerster is aangevoerd tegen het op de algemene rol onder het nummer C.08.0303.F ingeschreven cassatieberoep : de eiseres was geen partij in de voor de appelrechters gebrachte zaak :

De bestreden arresten stellen vast dat, naast de verweerders, ook "Ethias Verzekeringen, voorheen Onderlinge Maatschappij der Openbare Besturen, onderlinge verzekeringsmaatschappij, (...) ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0402.370.054", partij in de zaak in hoger beroep was.

Uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt dat dit een andere rechtspersoon is dan "de onderlinge verzekeringsmaatschappij Ethias Verzekeringen (...), ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0402.370.153", die onder het nummer 660 is erkend als arbeidsongevallenverzekeraar.

Laatstgenoemde, die geen partij was in de zaak voor de rechters die de bestreden beslissingen hebben gewezen, heeft de hoedanigheid niet om cassatieberoep in te stellen.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

Het op de algemene rol onder het nummer C.09.0461.F ingeschreven cassatieberoep :

Het middel

De twee onderdelen samen

Artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verzekeraar die de schadevergoeding betaald heeft, ten belope van het bedrag van die vergoeding in de rechten en rechtsvorderingen van de verzekerde of de begunstigde tegen de aansprakelijke derden treedt.

Uit die bepaling volgt dat de subrogatie van de verzekeraar met wie een gemeente een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten krachtens artikel 27 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 betreffende de schadevergoeding ten gunste van sommige personeelsleden van provincies, gemeenten, agglomeraties en federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, diensten, instellingen en verenigingen voor maatschappelijk welzijn, diensten van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en diensten van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en openbare kassen van lening, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, niet beperkt is tot de subrogatoire vordering die aan die gemeente is toegekend door artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, maar zich ook uitstrekt tot de andere rechten en rechtsvorderingen die de gemeente tegen de schadeveroorzaker kan doen gelden.

Het arrest, dat oordeelt « dat krachtens artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 (...) het in eerste instantie de gemeente Sint-Jans-Molenbeek is en niet (de verweerster) die in de rechten treedt van haar ambtenaren die (...) door een arbeidsongeval getroffen zijn" en dat " (de verweerster), krachtens artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 (...), pas daarna in de rechten van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek treedt", en aldus antwoordt op de in het eerste onderdeel van het middel weergegeven conclusie, motiveert regelmatig en verantwoordt naar recht zijn beslissing dat "(de verweerster) krachtens de gezamenlijke toepassing van die twee wetsbepalingen zich dus wel degelijk mag beroepen zowel op de rechten van de door R.A. aangevallen ambtenaren als op die van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek" en "zij dus van de voor het schadegeval aansprakelijke derden de vergoeding mag vorderen van zowel de schade van de ambtenaren van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek als de zogenaamde schade door repercussie die de gemeente Sint-Jans-Molenbeek zelf geleden heeft", "toen zij zich genoodzaakt zag de lonen en wedden van haar drie ambtenaren door te betalen, zonder dat zij in ruil daarvoor hun arbeidsprestaties ontving".

Het middel kan niet worden aangenomen.

De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring van het arrest.

Dictum

Het Hof,

Voegt de cassatieberoepen die op de algemene rol zijn ingeschreven onder de nummers C.08.0303.F en C.09.0461.F ;

Verwerpt de cassatieberoepen en de vordering tot bindendverklaring van het

arrest ;

Veroordeelt elke eiseres in de kosten van haar cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Pierre Cornelis en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 17 januari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Gemeente

  • Overheid

  • Personeel

  • Arbeidsongevallenverzekering

  • Overheidssector

  • Vergoeding door de verzekeraar

  • Subrogatie