- Arrest van 18 januari 2011

18/01/2011 - P.10.1298.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de inverdenkinggestelde bij de regeling van de rechtspleging voor de raadkamer in schriftelijke conclusie aanvoert dat de strafvordering vervallen is daar de redelijke termijn is overschreden waardoor zijn recht van verdediging onherroepelijk en onherstelbaar is aangetast zodat een eerlijk proces niet meer mogelijk is, werpt hij een grond van verval van de strafvordering op als bedoeld in artikel 135, §2, Wetboek van Strafvordering; hieruit volgt dat indien de raadkamer zijn verzoek afwijst, tegen die beslissing een ontvankelijk hoger beroep openstaat(1). (1) Cass., 5 okt. 2010, AR P.10.0530.N, A.C., 2010, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1298.N

H. C. G. V.

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Chris Tijsebaert, advocaat bij de balie te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Gulden Vlieslaan 16, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. ARTAS nv, met zetel te 8400 Oostende, Torhoutsesteenweg 52,

burgerlijke partij,

2. SUNASSISTANCE INVEST nv, met zetel te 8620 Nieuwpoort, Watersportlaan 7,

burgerlijke partij,

3. FAMINVEST nv, met zetel te 8620 Nieuwpoort, Watersportlaan 7, bus OM,

burgerlijke partij,

4. VMK nv, met zetel te 8400 Oostende, Torhoutsesteenweg 52,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 juni 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart eisers hoger beroep niet ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de beslissingen van de raadkamer waarbij deze oordeelt over het bestaan van bezwaren en de eiser naar de correctionele rechtbank verwijst. In zoverre bevat het arrest geen eindbeslissing en doet het geen uitspraak in een der gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre daartegen gericht is het cassatieberoep voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 135, § 2, en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart ten onrechte eisers hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking niet-ontvankelijk; voor de raadkamer heeft de eiser immers bij conclusie aangevoerd dat de strafvordering wegens de overschrijding van de redelijke termijn is vervallen.

3. Artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De inverdenkinggestelde kan in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking, beroep instellen tegen de verwijzingsbeschikkingen bepaald in de artikelen 129 en 130, onverminderd het in artikel 539 van dit Wetboek beoogde hoger beroep. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering. Het hoger beroep is in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, slechts ontvankelijk indien het middel bij schriftelijke conclusie is ingeroepen voor de raadkamer. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, behalve wanneer ze zijn ontstaan na de debatten voor de raadkamer."

4. Wanneer de inverdenkinggestelde bij de regeling van de rechtspleging voor de raadkamer in schriftelijke conclusie aanvoert dat de strafvordering vervallen is daar de redelijke termijn is overschreden waardoor zijn recht van verdediging onherroepelijk en onherstelbaar is aangetast zodat een eerlijk proces niet meer mogelijk is, dan werpt hij een grond van verval van de strafvordering op als bedoeld in de vermelde wetsbepaling. Hieruit volgt dat indien de raadkamer zijn verzoek afwijst, tegen die beslissing een ontvankelijk hoger beroep openstaat. De vraag te weten of de grond van verval al dan niet vaststaat, betreft de gegrondheid van het hoger beroep, niet de ontvankelijkheid ervan. De inverdenkinggestelde heeft immers belang om tegen die beslissing op te komen.

5. Het arrest oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet van dien aard is dat ze de rechten van verdediging definitief en onherroepelijk zou schenden, dat de eiser in conclusie voor de raadkamer niet aannemelijk gemaakt heeft waarom en op welke wijze zijn recht van verdediging op onherstelbare wijze zou zijn miskend en dat de middelen die voor de kamer van inbeschuldigingstelling worden aangebracht, niet overtuigen. Het arrest oordeelt ook dat de redelijke termijn hier niet is overschreden daar aan het gebruik van de van valsheid betichte stukken tot op heden geen einde is gesteld.

Aldus onderzoekt het arrest de gegrondheid van eisers verweer en doet het een eigen onderzoek over de werkelijkheid van de overschrijding van de redelijke termijn om het hoger beroep af te wijzen.

6. Hieruit volgt dat de enkele omstandigheid dat het arrest eisers hoger beroep niet ontvankelijk verklaart, hem niet kan grieven.

Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat de redelijke termijn in deze niet overschreden is op grond dat tot op heden geen einde is gesteld aan het gebruik van de van valsheid betichte stukken; uit geen enkel element blijkt dat dit het geval is zodat het arrest behept is met een motiveringsgebrek.

8. De duur van het gebruik van de valse stukken maakt deel uit van de beoordeling van de bezwaren. Tegen deze beslissing staat geen ontvankelijk cassatieberoep open.

Het middel, dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep op dat punt, behoeft geen antwoord.

Ambtshalve beoordeling

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing bevat geen onwettigheid die de eiser kan grieven.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 79,07 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 18 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Inverdenkinggestelde

  • Raadkamer

  • Regeling van de rechtspleging

  • Schriftelijke conclusie

  • Verweer

  • Overschrijding van de redelijke termijn

  • Onherroepelijke en onherstelbare aantasting van het recht van verdediging

  • Grond van verval van de strafvordering

  • Afwijzing door de raadkamer

  • Ontvankelijkheid