- Arrest van 19 januari 2011

19/01/2011 - P.10.1773.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De kamer van inbeschuldigingstelling moet op het hoger beroep tegen het door de raadkamer bevolen exequatur, met name nagaan of, op het ogenblik van haar beslissing, het aanhoudingsbevel dat door de bevoegde buitenlandse overheid is verleend en op grond waarvan de uitlevering is gevraagd, aan de wettelijke vereisten voldoet (1); zij moet aldus nagaan of de strafvordering al dan niet verjaard is volgens de wetgeving van de verzoekende Staat (2). (1) Zie Cass., 18 feb. 2003, AR P.02.1711.N, A.C., 2003, nr. 116. (2) Henri-D. BOSLY, Damien VANDERMEERSCH en Marie-Aude BEERNAERT, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2010, 6de uitg., p. 1419 en 1425.

Arrest - Integrale tekst

NR. P.10.1773.F

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BERGEN,

eiser,

tegen

R. O.,

inverdenkinggestelde,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 november 2010.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 10 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, opgemaakt te Parijs op 13 december 1957

Uit die bepaling volgt dat de Verdragsluitende Partijen de uitlevering niet kunnen toestaan indien de strafvordering volgens de wet van de verzoekende Partij verjaard is.

De kamer van inbeschuldigingstelling moet op het hoger beroep tegen het door de raadkamer bevolen exequatur met name nagaan of, op het ogenblik van haar beslissing, het aanhoudingsbevel dat door de bevoegde buitenlandse overheid is verleend en op grond waarvan de uitlevering is gevraagd, aan de wettelijke vereisten voldoet.

Het arrest vermeldt dat het niet aan de Belgische overheid staat om, ook al werd een uittreksel van de buitenlandse wetgeving voorgelegd, de berekening van de verjaring door de voorzitter van het hof van assisen van de verzoekende Staat, opnieuw ter discussie te stellen.

De kamer van inbeschuldigingstelling heeft zich aldus aan het haar opgelegde toezicht onttrokken en beslist bijgevolg niet naar recht dat de voorwaarden voor de uitlevering niet verenigd waren.

Er is geen grond om acht te slaan op het middel van de eiser, aangezien het niet tot vernietiging zonder verwijzing kan leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 19 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Door de bevoegde buitenlandse overheid verleend bevel tot aanhouding

  • Exequatur door de raadkamer

  • Hoger beroep

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Opdracht

  • Verjaring