- Arrest van 20 januari 2011

20/01/2011 - C.09.0230.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 23, §3, van het koninklijk besluit van 6 december 1978 betreffende de bestrijding van de runderbrucellose luidens hetwelk de rechthebbende, onverminderd de toepassing van strafbepalingen, elk recht op schadeloosstelling verliest indien hij de bepalingen van het besluit niet naleeft of de instructies gegeven door de inspecteur-dierenarts in uitvoering van het besluit niet nakomt, is in beginsel, niet onverenigbaar met artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0230.F

BIO D'ARDENNES, nv,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSEL-KETEN,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. DIERENGEZONDHEIDSZORG VLAANDEREN

Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 18 december 2008.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Parijs op 20 maart 1952 en goedgekeurd bij de Belgische wet van 13 mei 1955 (artikel 1) en, voor zoveel als nodig, dat artikel 1 van de Belgische wet van 13 mei 1955;

- artikel 159 van de Grondwet;

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter een beslissing, met name een norm, die een hogere bepaling schendt, niet mag toepassen;

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk bepalingen van internationaal recht met rechtstreekse werking voorrang hebben op nationaalrechtelijke bepalingen;

- artikel 23 van het koninklijk besluit van 6 december 1978 betreffende de bestrijding van de runderbrucellose, waarvan § 1 werd gewijzigd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 januari 1991, en waarvan § 1bis en 2, respectievelijk werden gewijzigd bij de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 27 januari 1989, en vóór de wijziging ervan bij artikel 9 van het koninklijk besluit van 13 juli 2001.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres niet-gegrond, bevestigt het beroepen vonnis en verwerpt bijgevolg de vordering tot schadeloosstelling die de eiseres tegen de eerste verweerder had ingesteld.

Het arrest grondt zijn beslissing op de onderstaande redenen:

"Op het vlak van de beginselen die op grond van de aangevoerde supranationale bepalingen van toepassing zijn, kunnen we inderdaad merken dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in verschillende arresten, het begrip eigendomsberoving heeft uitgebreid en voor de toepassing van die bepalingen, ook gevallen in aanmerking genomen heeft waarin de gevolgen voor de eigenaar gelijkstonden met een eigendomsberoving en dus het ontbreken van een billijke schadeloosstelling heeft gestraft.

Nochtans maakt dat Hof, zoals de [eiseres] zelf erop wijst, altijd een analyse van de feiten van de zaak en ‘een concrete beoordeling van de voorliggende zaak (casuïstische benadering)'.

In deze zaak dient in aanmerking te worden genomen dat België over een uitgebreid arsenaal aan wetten en verordeningen beschikt, zowel inzake brucellose als leucose, dat wel degelijk het beginsel huldigt dat een billijke schadeloosstelling wordt toegekend voor opgelegde slachtingen.

Bovendien kan uit de bovenstaande analyse van de fouten van de partijen die in deze fase als volledig weergegeven moet worden beschouwd, worden opgemaakt dat de reden waarom de [eiseres] de in de regels bedoelde schadeloosstelling niet heeft ontvangen, het feit is dat zij die regels niet heeft nageleefd en dat zij kennelijke en herhaalde fouten heeft begaan in de aanpak van haar probleem.

Wegens die fouten verloor zij voor alle litigieuze slachtingen het recht op schadeloos-stelling.

Binnen het kader van de aangevoerde supranationale bepalingen kan de rechter die fouten ook in aanmerking nemen om op grond daarvan te oordelen dat de billijke schadeloosstelling, zowel voor het verlies van de runderen als het verlies van de schadeclaims, door [de eerste verweerder] op grond van de toepasselijke wet- en regelgeving kon worden geweigerd.

Anders gezegd, volgens de logica van het onderzoek van die supranationale bepalingen, vormen de gedraging van [de eerste verweerder] voor de drie kuddes en zijn weigering om te vergoeden inmengingen die stroken met het wettigheidsvereiste, het vereiste van het legitiem doel, het vereiste van het billijk evenwicht en van schadeloosstelling, namelijk voor het laatstgenoemde, het vereiste van evenredigheid tussen de algemene vereisten van het algemeen belang van de maatschappij en de vrijwaring van de grondrechten van het individu.

Artikel 16 van de Grondwet, ook al stemmen de bewoordingen ervan niet perfect overeen met die van artikel 1 van het voornoemde protocol gaat uit van dezelfde visie op eigendomsberoving en schadeloosstelling voor die beroving.

In dat opzicht moet de redenering op het vlak van de schadeloosstelling dezelfde zijn: in beginsel moet de toepasselijke regeling voorzien in een billijke schadeloosstelling, wat het geval is bij brucellose, maar het is niet verboden iemand die schadeloosstelling te ontzeggen ingeval die regeling niet wordt nageleefd: in deze zaak verantwoordden de kennelijke en herhaalde fouten van de [eiseres] dat de schadeloosstelling werd geweigerd.

Bijgevolg moet worden aangenomen dat de [eiseres] in deze zaak geen aanspraak kan maken op een schadeloosstelling voor de kwestieuze slachtingen op grond van de voornoemde grondwettelijke en supranationale bepalingen, afzonderlijk beschouwd of in onderling verband met andere bepalingen zoals het door de [eiseres] aangevoerde decreet d'Allarde.

Bovendien moet, om dezelfde redenen als die welke in de analyse van dat punt zijn vermeld, worden aangenomen dat artikel 23, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit betreffende de bestrijding van brucellose, in beginsel, niet onverenigbaar is, noch met de grondwetsbepalingen, noch met de door de [eiseres] aangevoerde supranationale bepalingen".

Grieven

Artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij artikel 1 van de Belgische wet van 13 mei 1955 luidt als volgt:

"Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren".

De tweede norm in die bepaling gaat over de bescherming tegen de beroving van de eigendom van een goed.

In de zin van die bepaling slaat de beroving van de eigendom op elke vorm van definitieve en volledige ontzetting van bezit van een goed, met inbegrip van de vernietiging van dat goed, ook al houdt zij geen enkele overdracht in van de eigendom van dat goed aan een derde en zelfs wanneer daaruit geen enkele blijvende onzekerheid over de juridische toestand van dat goed voortvloeit.

Hoewel, inzake de regeling van het gebruik van de goederen, het redelijkerwijs nastreven van een legitiem doel een aantasting van het eigendomsrecht zonder schadeloosstelling kan verantwoorden, is dat niet het geval inzake eigendomsberoving, waar een volstrekte afwezigheid van schadeloosstelling op grond van artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden slechts in uitzonderlijke omstandigheden verantwoord kan zijn.

De slachting van runderen die door de overheid wordt bevolen in het kader van de gezondheidspolitie vormt een soort van definitieve en volledige ontzetting van bezit van een goed die slechts tegen toekenning van schadeloosstelling mogelijk is, zoals overigens wordt bepaald in artikel 23, § 1, 1bis en 2, van het koninklijk besluit van 6 december 1978 betreffende de bestrijding van de runderbrucellose.

Een dergelijke schadeloosstelling kan krachtens de tweede norm van artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden uitgesloten. Het is dus niet voldoende dat de eigenaar van de afgeslachte runderen een fout heeft begaan en dat de weigering van die schadeloosstelling voortvloeit uit een wettelijke of verordenende tekst, een legitiem doel nastreeft en niet indruist tegen het evenredigheidsbeginsel.

Daaruit volgt dat het bestreden arrest dat beslist, enerzijds, dat de eiseres niet op grond van artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aanspraak kon maken op schadeloosstelling voor de schadelijke gevolgen van de litigieuze afslachtingen omdat zij "kennelijke en herhaalde fouten had begaan in de aanpak van haar probleem" en dat, volgens de logica van de bedoelde supranationale bepalingen, "de gedraging van [de eerste verweerder] voor de drie kuddes en zijn weigering om te vergoeden inmengingen [vormen] die stroken met het wettigheidsvereiste, het vereiste van het legitiem doel, het vereiste van het billijk evenwicht en van schadeloosstelling, namelijk voor het laatstgenoemde, het vereiste van evenredigheid tussen de algemene vereisten van het algemeen belang van de maatschappij en de vrijwaring van de grondrechten van het individu" en daaruit afleidt, anderzijds, dat artikel 23, § 3, van het koninklijk besluit van 6 december 1978 betreffende de bestrijding van de runderbrucellose "om dezelfde redenen in beginsel, niet onverenigbaar is" met artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

1°) voornoemd artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (en voor zoveel als nodig, artikel 1 van de Belgische wet van 13 april 1955 die het goedkeurt) schendt door er een draagwijdte aan toe te kennen die de tweede norm ervan niet heeft;

2°) op zijn minst artikel 159 van de Grondwet schendt en de in in de aanhef van het middel aangewezen algemene rechtsbeginselen miskent door rechtsgevolgen te verbinden aan artikel 23, § 3, van het koninklijk besluit van 6 december 1978 betreffende de bestrijding van de runderbrucellose terwijl het indruist tegen de hogere internationale norm, namelijk artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en het bijgevolg niet mocht worden toegepast;

3°) althans, voor het overige artikel 23, § 1, 1bis en 2, van het koninklijk besluit van 6 december 1978 betreffende de bestrijding van de runderbrucellose schendt door de eiseres de schadeloosstelling te ontzeggen waarin die teksten voorzien.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

Artikel 23, § 3, van het koninklijk besluit van 6 december 1978 betreffende de bestrijding van de runderbrucellose, zoals het in deze zaak van toepassing is, bepaalt dat de rechthebbende, onverminderd de toepassing van strafbepalingen, elk recht op schadeloosstelling verliest indien hij de bepalingen van het besluit niet naleeft of de instructies gegeven door de inspecteur-dierenarts in uitvoering van het besluit niet nakomt.

Het arrest vermeldt dat die bepaling, in beginsel, niet onverenigbaar is noch met de grondwetsbepalingen, noch met de door de eiseres aangevoerde supranationale bepalingen.

Het oordeelt, enerzijds, dat "de reden waarom de eiseres de in [het arsenaal aan Belgische wetten en verordeningen] bedoelde schadeloosstelling niet heeft ontvangen, het feit is dat zij die regels niet heeft nageleefd en dat zij kennelijke en herhaalde fouten heeft begaan in de aanpak van haar probleem" en, anderzijds, dat "[de rechter], binnen het kader van de aangevoerde supranationale bepalingen (...) die fouten ook in aanmerking [kan] nemen om op grond daarvan te oordelen dat de billijke schadeloosstelling, zowel voor het verlies van de runderen als het verlies van de schadeclaims, door [de eerste verweerder] op grond van de toepasselijke wet- en regelgeving kon worden geweigerd".

Met die vermeldingen verantwoordt het arrest naar recht zijn beslissing dat de eiseres het recht op schadeloosstelling, kon worden ontzegd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de aansprakelijkheid van de tweede verweerster en de eiseres veroordeelt in de kosten van de tweede verweerster.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres in de kosten van de eerste verweerster, laat de kosten van de betekening van het verzoekschrift aan de eerste te haren laste, houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van 20 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Eerste aanvullend protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

  • Artikel 1

  • Beroving van de eigendom van een goed

  • Beginsel van de schadeloosstelling

  • Uitzondering

  • Artikel 23, § 3, van het koninklijk besluit van 6 december 1978

  • Verenigbaarheid