- Arrest van 20 januari 2011

20/01/2011 - C.09.0306.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechtsvordering van degene die getroffen is door een stoornis die de maat van de gewone buurtschapsnadelen overschrijdt en die ertoe strekt een rechtmatige en passende compensatie te verkrijgen, is een op de buitencontractuele aansprakelijkheid in de zin van artikel 2262bis, §1, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek, gegronde rechtsvordering.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0306.F

1. K. J.-P.,

2. G. E.

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

WAALS GEWEST,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in tegenwoordigheid van

1. LAMBERT FRÈRES, nv,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. GEREC ENGINEERING, nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 12 januari 2009.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, inzonderheid 2262bis, § 1, eerste en tweede lid, zoals ze werden gewijzigd bij de wet van 10 juni 1998;

- algemeen rechtsbeginsel van de theorie van de burenhinder.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart enkel verweerders principaal hoger beroep gegrond, wijzigt bijgevolg het beroepen vonnis en zegt voor recht dat de oorspronkelijke vordering van de eisers tegen de verweerder, de dag waarop ze is ingesteld en in zoverre zij steunt op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, verjaard was. Het baseert zijn beslissing op de onderstaande redenen:

"Verjaring van de op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek gegronde rechtsvordering

Wat het standpunt betreft dat [de eisers] subsidiair verdedigen (geen op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek gegronde verjaring van de rechtsvordering), moet op het volgende worden gewezen:

1. Die rechtsvordering kan niet tegen de [verweerder] alleen worden ingesteld;

2. De rechtsvordering waartoe artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek aanleiding kan geven, is persoonlijk en niet zakelijk;

3. Uit het onderzoek van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering blijkt dat de wetgever, met betrekking tot de verjaring, in hoofdzaak een onderscheid heeft willen maken tussen de contractuele rechtsvordering, enerzijds, en de buitencontractuele rechtsvordering, anderzijds, namelijk de rechtsvordering die gegrond is op een delictuele, quasi delictuele of objectieve aansprakelijkheid; op dat vlak is de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 juli (lees: juni) 1998 trouwens van iedere dubbelzinnigheid gespeend, aangezien zij uitdrukkelijk het volgende vermeldt: ‘Het toepassingsgebied van § 1, lid 2 is duidelijk bepaald in de wet: het gaat om rechtsvorderingen tot vergoeding van schade gegrond op buitencontractuele aansprakelijkheid. Alle gevallen van foutief handelen, zowel wegens overtreding van een rechtsnorm als wegens inbreuk op de algemene plicht van zorgvuldigheid, uiteraard met inbegrip van de objectieve en foutloze aansprakelijkheid, zijn daarin begrepen.' (Gedr. St. 96/97 - 1087/1, p.11);

4. Bijgevolg was ook de op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek gegronde rechtsvordering verjaard op 27 juli 2003, dus voordat de oorspronkelijke vordering werd ingesteld".

Grieven

Krachtens artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek verjaren alle persoonlijke rechtsvorderingen door verloop van tien jaar.

In afwijking van het eerste lid, verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek verplicht degene die een stoornis oplegt die de maat van de gewone buurtschapsnadelen overschrijdt het door die stoornis veroorzaakt verbroken evenwicht te herstellen.

Hoewel de op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek gegronde rechtsvordering een persoonlijk karakter vertoont (Cass., 28 juni 1990, Pas., 1990, I, p.1243), is zij daarom nog geen rechtsvordering wegens buitencontractuele aansprakelijkheid. Zij steunt geenszins op de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

De rechtsvordering wegens burenhinder, die gegrond is op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, verschilt op essentiële punten van een aansprakelijkheidsvordering.

Niet alleen vereist zij niet het bewijs van een fout, maar bovendien strekt zij strikt genomen evenmin tot vergoeding van een schade, maar enkel tot herstel van het evenwicht dat tussen de twee naburige eigendommen bestond door de toekenning van een compensatie.

Die "rechtmatige en passende compensatie" is dus geen "vergoeding" van een schade zoals dat het geval is bij een op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek gegronde aansprakelijkheidsvordering, ja zelfs bij andere gevallen van aansprakelijkheid.

De op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek gegronde rechtsvordering is dus geen rechtsvordering tot herstel van een schade die gegrond is op buitencontractuele aansprakelijkheid in de zin van het nieuwe artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en valt dus niet onder de vijfjarige verjaringstermijn waarin die bepaling voorziet.

Het arrest dat bijgevolg beslist dat de op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek gegronde rechtsvordering die de eisers tegen de verweerder hadden ingesteld, onderworpen is aan de vijfjarige verjaringstermijn waarin de bepaling voorziet, schendt artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, aangezien het ten onrechte de op die bepaling gegronde rechtsvordering gelijkschakelt met een rechtsvordering tot herstel van een op buitencontractuele aansprakelijkheid gegronde schade. Het verantwoordt bijgevolg niet naar recht zijn beslissing om toepassing te maken van de in artikel 2262bis, § 1, tweede lid, bedoelde vijfjarige verjaringstermijn en schendt bijgevolg die bepaling alsook het eerste lid van dezelfde paragraaf.

Het arrest schendt eveneens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en miskent het algemeen rechtsbeginsel van de theorie van de burenhinder door de op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek gegronde rechtsvordering gelijk te schakelen met een rechtsvordering wegens buitencontractuele aansprakelijkheid in de zin van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 2262bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek vermeldt in zijn eerste lid dat alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar, en in het tweede lid dat, in afwijking van het eerste lid, alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 juni 1998 die aan die bepaling ten grondslag ligt, volgt dat het toepassingsbereik van het tweede lid alle gevallen van buitencontractuele burgerrechtelijke aansprakelijkheid omvat, zowel die op grond van een fout, als die op grond van buitencontractuele en foutloze aansprakelijkheid.

De aansprakelijkheid voor burenhinder is een objectieve aansprakelijkheid die gegrond is op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek.

De rechtsvordering van degene die getroffen is door een stoornis die de maat van de gewone buurtschapsnadelen overschrijdt en die ertoe strekt een rechtmatige en passende compensatie te verkrijgen, is een op de buitencontractuele aansprakelijkheid in de zin van voornoemd artikel 2262bis, § 1, tweede lid, gegronde rechtsvordering.

Het onderdeel dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

Doordat het cassatieberoep wordt verworpen, hebben de vorderingen tot bindendverklaring van het arrest geen belang meer.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vorderingen tot bindendverklaring van het arrest.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van 20 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Duur

  • Burenhinder

  • Herstel

  • Rechtsvordering