- Arrest van 21 januari 2011

21/01/2011 - C.09.0625.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bepalingen van artikel 1704.2.g) en 1704.4. van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek houden niet in dat miskenning van het recht van verdediging slechts kan worden aangevoerd voor de arbiters en niet voor de rechter die over een eventuele vordering tot vernietiging of tot uitvoerbaarverklaring moet oordelen; wanneer de scheidsrechters de zaak behandelen buiten de aanwezigheid van een partij, die niet regelmatig is opgeroepen, dan mag die partij miskenning van haar recht van verdediging voor het eerst aanvoeren voor de rechter die over de vordering tot uitvoerbaarverklaring moet oordelen (1). (1) Zie Cass., 25 mei 2007, AR C.04.0281.N, A.C., 2007, nr. 272; zie ook M. Piers, De vernietiging van de arbitrale uitspraak op grond van een schending van de rechten van verdediging, P.&B./R.D.J.P., 2008, 97 e.v.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0625.N

1. DEVER nv, met zetel te 2627 Schelle, Goudenregenlaan 6,

2. TRANSBOX nv, met zetel te 2250 Olen, Industrielaan 1,

eiseressen,

vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eiseressen woonplaats kiezen,

tegen

1. D.W.,

2. AMOFRA nv, met zetel te 2530 Boechout, Janssenlei 16,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 september 2009, op verwijzing gewezen ingevolge arrest van het Hof van 25 mei 2007.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 Grondwet;

- de artikelen 1044, 1704, 2°, g) en 1704, 4°, Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest vernietigt de arbitrale sententie van 8 april 1999 op grond van artikel 1704, 2°, g), Gerechtelijk Wetboek en oordeelt hierbij het volgende:

"4.4. In de mate dat (de eisers) opwerpen dat (de verweerders) deze nietigheidsgrond hadden moeten opwerpen tijdens de arbitrageprocedure, kunnen zij daarin niet worden bijgetreden.

De wettelijke bepalingen ter zake vereisen immers niet dat partijen het middel van de schending van hun rechten van verdediging eerst voor de arbiters zouden doen gelden. Partijen kunnen deze nietigheidsgrond - weliswaar binnen de wettelijk gestelde termijnen - steeds inroepen.

Een dergelijke bijkomende voorwaarde geldt immers enkel voor de vernietigingsgronden die [bepaald] zijn in artikel 1704, 2°, c), d) en f), Gerechtelijk Wetboek.

Er is geen schending van de goede trouw en van artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 1704, 4°, Gerechtelijk Wetboek is te aanzien als een toepassing in de arbitrageprocedure - die een contractuele grondslag heeft - van het principe, vervat in artikel 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek, dat overeen¬komsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd.

De toepassing van dit principe in de arbitrageprocedure houdt in dat wanneer een partij in een arbitrageprocedure onregelmatigheden vaststelt die van aard zijn de wettigheid of geldigheid van de procedure en de uitspraak aan te tasten, zij dit onmiddellijk aan de arbiters en de andere partijen dient te melden teneinde de arbitrageprocedure en de uitspraak van de arbiters tot een goed einde te brengen. Met andere woorden, elke houding van een partij welke erin bestaat een onregelmatigheid in de arbitrageprocedure te verzwijgen om dan in geval de arbitrale uitspraak voor haar ongunstig is, de annulatie van de uitspraak te vorderen op grond van die onregelmatig¬heid, is in strijd met de uitvoering te goeder trouw van de arbitrageovereenkomst.

Het feit dat artikel 1704, 4°, Gerechtelijk Wetboek voor drie annulatiegronden (deze van artikel 1704, 2°, c), d) en f)) een toepassing inhoudt van het principe van de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomst, belet niet dat dit principe toegepast kan worden op andere annulatiegronden, zoals die van artikel 1704, 2°, g).

De eisers hebben in hun conclusie gedateerd van 26 januari 2009 het volgende opgeworpen:

- reeds op 12 februari 1999 hadden verweerders kennis van het feit dat op de arbitrale zitting van 12 februari 1999 de heer Luyckx door de arbiters werd verhoord zonder hun aanwezigheid of die van hun raadslieden;

- verweerders hebben dit feit niet onmiddellijk aan de arbiters of aan eisers gemeld;

- zij hebben de arbitrale sententie afgewacht om dan op 26 april 1999 voor het eerst aan de arbiters vermeld feit en de schending van hun rechten van verdediging aan te voeren en later op grond van dit feit de annulatie te vorderen van de arbitrale sententie wegens schending van hun rechten van verdediging;

- door aldus te handelen miskennen de verweerders de uitvoering te goeder trouw van de arbitrageovereenkomst waardoor hen het recht moet worden ontzegd zich op de annulatiegrond van artikel 1704, 2°, g), Gerechtelijk Wetboek te beroepen.

Het bestreden arrest, door dit verweermiddel te verwerpen op grond van de overwegingen, die als volgt luiden: "De wettelijke bepalingen terzake vereisen immers niet dat partijen het middel van de schending van hun rechten van verdediging eerst voor de arbiters zouden doen gelden. Partijen kunnen deze nietigheidsgrond (...) steeds inroepen. Een dergelijke bijkomende voorwaarde geldt immers enkel voor de vernietigingsgronden die voorzien zijn in artikel 1704, 2°, c), d) en f), Gerechtelijk Wetboek. Er is geen schending van de goede trouw en van artikel 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek", schendt het artikel 1704, 4°, Gerechtelijk Wetboek en artikel 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek.

Tweede onderdeel

In hun conclusie gedateerd van 26 januari 2009 deden de eisers ook volgend verweer gelden:

2.5. Aangezien bepaalde auteurs, zich hierbij baserend op de voorbereidende werken in verband met artikel 1704, 4°, Gerechtelijk Wetboek, de onmogelijkheid voor een partij om zich na de arbitrale sententie op een annulatiegrond te beroepen waarvan zij tijdens de arbitrageprocedure reeds kennis hadden, steunen op de stilzwijgende verzaking door die partij aan die annulatiegrond (Keutgen & Dal, L'arbitrage en droit beige et international, Tome, 2de uitgave, 2006, nr 575);

Dat inderdaad wanneer een partij tijdens de arbitrageprocedure weet dat een bepaalde annulatiegrond zich voordoet of zal voordoen, maar hierop tijdens de arbitrageprocedure niet reageert, haar gedraging niet anders kan worden uitgelegd als een stilzwijgende verzaking om later, na de arbitrale sententie, die annulatiegrond in te roepen;

29. Aangezien (...) de gedraging van [verweerders], bestaande in het niet melden aan de arbiters gedurende de arbitrageprocedure van het (beweerd) feit dat de heer Luyckx op de zitting van 12 februari 1999 zou zijn ondervraagd en van de (beweerde) onregelmatigheid in de oproeping voor die zitting, niet anders kan worden uitgelegd als dat zij tijdens de arbitrale procedure stilzwijgend hebben verzaakt aan het inroepen van dit feit en die onregelmatigheid als annulatiegrond, zodat zij niet gerechtigd zijn de annulatiegrond voorzien in artikel 1704, 4°, 2°, g, Ger. Wb. aan te voeren, wat tot gevolg heeft dat hun nietigheidsvordering ongegrond moet worden verklaard (bevestiging van het bestreden vonnis);

Dit verweermiddel houdt niet in dat verweerders verplicht waren de schending van hun rechten van verdediging tijdens de arbitrageprocedure op te werpen, maar houdt in dat verweerders aan de nietigheidsgrond bestaande uit de schending van hun rechten van verdediging stilzwijgend hebben verzaakt door die schending niet voor de arbiters aan te voeren terwijl zij tijdens de arbitrageprocedure er kennis van hadden.

Het bestreden arrest - dat enkel antwoordt op het verweer van eisers dat verweerders de nietigheidsgrond hadden moet opwerpen tijdens de arbitrageprocedure - antwoordt niet op dit verweermiddel i.v.m. de stilzwijgende afstand van vermelde nietigheidsgrond (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Derde onderdeel

In de mate de appelrechters op dit verweermiddel zouden hebben geantwoord door te overwegen dat partijen deze nietigheidsgrond steeds kunnen inroepen (dus zelfs indien zij stilzwijgend afstand ervan zouden hebben gemaakt), schenden zij artikel 1704, 2°, g) Gerechtelijk Wetboek nu partijen aan de nietigheidsgrond vervat in dit artikel stilzwijgend kunnen verzaken in welk geval zij die nietigheidsgrond niet meer kunnen inroepen om de annulatie te bekomen van de arbitrale uitspraak (schending van artikel 1704, 2°, g), Gerechtelijk Wetboek en van de rechtsgevolgen van een afstand van recht zoals deze blijken uit artikel 1044 van het Gerechtelijk Wetboek).

Vierde onderdeel

Zoals blijkt uit de voorbereidende werken van de wet van 14 juli 1972, is artikel 1704, 4°, Gerechtelijk Wetboek gesteund op een vermoeden van afstand van het recht om de annulatiegronden bedoeld in artikel 1704, 2°, c), d), en f), Gerechtelijke Wetboek in te roepen indien blijkt dat de partij die zich erop beroept in een annulatieprocedure, tijdens de procedure voor de arbiters kennis had van die gronden doch er zich toen niet op heeft beroepen.

Dit artikel 1704, 4° belet de annulatierechter niet om op grond van het feit dat een partij tijdens de procedure voor de arbiters kennis had van een schending van haar rechten van verdediging (annulatiegrond voorzien in artikel 1704, 2°, g), maar er zich toen niet op heeft beroepen, een stilzwijgende afstand door die partij af te leiden van het recht om de vernietiging te vorderen van de arbitrale uitspraak op grond van die schending van haar rechten van verdediging.

In de mate de appelrechters op het verweermiddel aangehaald in het eerste onderdeel zouden hebben geantwoord - zich hierbij steunend, maar niet expliciet, op artikel 1704, 4°, Gerechtelijk Wetboek - door te overwegen dat enkel voor de vernietigingsgronden voorzien in artikel 1704, 2°, c), d) en f), Gerechtelijk Wetboek een afstand van het recht om zich op die gronden te beroepen mogelijk is, schenden zij artikel 1704, 4°, Gerechtelijk Wetboek.

III. BESLISSLING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 1704.2, g, Gerechtelijk Wetboek bepaalt:

"Een arbitrale uitspraak kan worden vernietigd indien aan partijen niet de gelegenheid is gegeven om voor hun rechten op te komen en hun middelen voor te dragen of indien er enige andere dwingend voorgeschreven regel van het scheidsrechterlijke geding is miskend, voor zover deze miskenning van invloed is geweest op de arbitrale uitspraak."

2. Artikel 1704. 4, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "De gevallen bedoeld in het tweede lid, onder c, d en f leveren geen grond tot vernietiging meer op, indien de partij die deze aanvoert, tijdens de loop van het geding voor arbiters wist dat zich een zodanig geval voordeed, doch zich er toen niet op heeft beroepen."

3. Deze bepalingen en artikel 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek houden niet in dat miskenning van het recht van verdediging slechts kan worden aangevoerd voor de arbiters en niet meer voor de rechter die over een eventuele vordering tot vernietiging of tot uitvoerbaarverklaring moet oordelen.

Wanneer de scheidsrechters de zaak behandelen buiten de aanwezigheid van een partij, die niet regelmatig is opgeroepen, dan mag die partij miskenning van haar recht van verdediging voor het eerst aanvoeren voor de rechter die over de vordering tot uitvoerbaarverklaring moet oordelen.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. De appelrechters oordelen (arrest ro 3.3) dat de verweerders niet regelmatig zijn opgeroepen op de hoorzitting en dat ondanks hun afwezigheid, de rechtszitting toch werd voortgezet.

5. Door die beslissing moesten ze niet meer antwoorden op het doelloos geworden verweer dat de verweerders de aanvoering van eventuele vernietigingsgronden hadden verzaakt.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde en vierde onderdeel

6. De onderdelen zijn geheel gebaseerd op de niet-aangenomen onderstelling dat het Hof oordeelt dat de appelrechters het verweer van de eisers over de verzaking van de nietigheidsgronden, hebben beantwoord met de reden dat de partijen steeds deze nietigheids¬gronden kunnen inroepen.

De onderdelen missen feitelijk grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 691,13 euro jegens de eisende partijen en op de som van 107,42 euro jegens de verwerende partijen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 21 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Recht van verdediging

  • Behandeling van de zaak buiten de aanwezigheid van een partij

  • Vordering tot vernietiging of uitvoerbaarverklaring

  • Aanvoering van de miskenning voor de rechtbank

  • Mogelijkheid