- Arrest van 21 januari 2011

21/01/2011 - C.10.0151.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer het openbaar ministerie in spoedeisend geval beslist dat een zieke persoon ter observatie zal worden opgenomen in de psychiatrische dienst die hij aanwijst, streeft hij geen gelijk na, maar de vrijwaring van de belangen van de maatschappij en van de betrokkene zelf; deze bijzondere regeling is onverenigbaar met de toepassing van de gemeenrechtelijke bepalingen inzake de gerechtskosten (1). (1) Zie de concl. van het O.M.; zie ook art. 2 van de wet van 21 feb. 2010 ( B.S. 11 maart 2010) tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0151.N

M.V.,

eiser,

aan wie rechtsbijstand is verleend op 11 maart 2010 (G.10.0048.N),

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, het kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

PROCUREUR DES KONINGS TE GENT, met kantoor te 9000 Gent, Opgeëistenlaan 401,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 16 februari 2010.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, verwijst, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

2. Krachtens artikel 9, eerste lid, Wet Bescherming Persoon Geesteszieke kan de procureur des Konings van de plaats waar de zieke zich bevindt, in spoedeisende gevallen beslissen dat deze ter observatie zal worden opgenomen in de psychiatrische dienst die hij aanwijst.

Krachtens artikel 9, tweede lid, Wet Bescherming Persoon Geesteszieke van voormeld artikel treedt de procureur des Konings op, hetzij ambtshalve na het schriftelijk advies van een door hem aangewezen geneesheer, hetzij na schriftelijk verzoek van een belanghebbende, welk verzoek vergezeld moet gaan van het in artikel 5 bedoelde verslag.

3. Hieruit volgt dat het openbaar ministerie in dat geval geen gelijk nastreeft, maar de vrijwaring van de belangen van de maatschappij en van de betrokkene zelf.

4. Krachtens artikel 34, eerste lid, Wet Bescherming Persoon Geesteszieke, worden de reis- en verblijfkosten van de magistraten, de kosten, het ereloon van de deskundigen en van de door de zieke gekozen geneesheer, evenals het getuigengeld, ten voordele van de verzoekers voorgeschoten op de wijze bepaald in het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.

Krachtens artikel 34, derde lid, Wet Bescherming Persoon Geesteszieke, kan de rechter, de rechtbank of het hof, alleen dan in de gerechtskosten veroordelen wanneer de vordering niet uitgaat van de zieke.

5. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever beoogde dat de rechter zelf in billijkheid zou mogen appreciëren of en in welke mate hij de partijen tot de kosten moet veroordelen.

6. Uit het geheel van deze bepalingen blijkt dat de regeling uitgewerkt voor het openbaar ministerie dat optreedt krachtens artikel 9 Wet Bescherming Persoon Geesteszieke een bijzondere regeling is die onverenigbaar is met de toepassing van de gemeenrechtelijke bepalingen inzake de gerechtskosten.

Het middel dat volledig ervan uitgaat dat de regeling inzake kosten en uitgaven opgenomen in onder meer artikel 1017, eerste lid, onverminderd van toepassing is op de procedure van artikel 9 van de wet van 26 juni 1990, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 558,23 euro, in debet, jegens de eisende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 21 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Opneming ter observatie

  • Beslissing door het openbaar ministerie

  • Doel

  • Gerechtskosten

  • Rechtsplegingsvergoeding

  • In het (on)gelijk gestelde partij