- Arrest van 24 januari 2011

24/01/2011 - C.10.0277.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 23, §2, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs legt de verplichting op de beslissing tot niet-heraanstelling bij aanvang van het nieuwe schooljaar te motiveren wanneer het een personeelslid betreft dat door hetzelfde lokale bestuursorgaan of, in voorkomend geval, de centrale raad vooraf eenmaal werd aangeworven bij toepassing van artikel 21, §1, 1°, maar doet geen afbreuk aan het discretionair karakter van de bevoegdheid om al dan niet tot heraanstelling te beslissen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0277.N

F.E.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

ERASMUS HOGESCHOOL BRUSSEL, Vlaamse Autonome Hogeschool, met kantoor te 1070 Brussel, Nijverheidskaai 170,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, van 10 november 2009.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 21 december 2010 verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 23, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, zoals te dezen van toepassing, eindigt een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt van rechtswege en zonder vooropzeg voor het geheel of een deel van de opdracht, onder meer uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan.

Artikel 23, § 2, van dat decreet, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat de niet-heraanstelling bij de aanvang van het nieuwe schooljaar moet worden gemotiveerd wanneer het een personeelslid betreft dat door hetzelfde lokale bestuursorgaan of in voorkomend geval de centrale raad, vooraf eenmaal werd aangeworven bij toepassing van artikel 21, § 1, 1°.

Krachtens artikel 21, § 1, 1°, van dat decreet, zoals te dezen van toepassing, hebben de personeelsleden in het bezit van een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, die bij het lokale bestuursorgaan of, bij ontstentenis hiervan, in de instelling waar de betrekking te begeven is, in het te begeven ambt minstens 480 dagen dienstanciënniteit hebben in hoofdambt, voorrang voor tijdelijke aanstellingen.

2. Voormeld artikel 23, § 2, van het decreet legt de verplichting op de beslissing tot niet-heraanstelling bij aanvang van het nieuwe schooljaar te motiveren wanneer het een personeelslid betreft dat door hetzelfde lokale bestuursorgaan of, in voorkomend geval, de centrale raad vooraf eenmaal werd aangeworven bij toepassing van artikel 21, § 1, 1°, maar doet geen afbreuk aan het discretionair karakter van de bevoegdheid om al dan niet tot heraanstelling te beslissen.

Deze bepaling verplicht het desbetreffende lokale bestuursorgaan of de centrale raad bij een nieuwe tijdelijke aanstelling voorrang te verlenen aan het personeelslid dat aan de gestelde voorwaarden voldoet, maar niet om dit personeelslid opnieuw aan te stellen. Deze bepaling verleent derhalve op zich geen recht op heraanstelling.

Het middel dat uitgaat van het tegendeel faalt in zoverre naar recht.

3. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, is het afgeleid uit de hierboven vergeefs aangevoerde schending van het decreet van 27 maart 1991.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 655,33 euro jegens de eisende partij en op de som van 322,04 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 24 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Gemeenschapsonderwijs

  • Tijdelijk aangesteld personeel

  • Beslissing tot niet-heraanstelling

  • Bevoegdheid van het bestuursorgaan