- Arrest van 25 januari 2011

25/01/2011 - P.10.0369.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De vaststelling dat het herstel in de oorspronkelijke staat een straf is in de zin van artikel 6.1 E.V.R.M., brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepaling moeten worden in acht genomen, waaronder de behandeling van de vordering binnen een redelijke termijn; voormelde vaststelling heeft niet tot gevolg dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is zodat de algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht, inzonderheid wat betreft het milderen van de straf of zelfs de eenvoudige schuldigverklaring, erop toepassing moeten vinden (1). (1) Zie: Cass., 4 nov. 2008, AR P.08.0081.N, A.C., 2008, nr. 608 met conclusie eerste advocaat-generaal M. De Swaef; Cass., 6 jan. 2009, AR P.08.0674.N, A.C., 2009, nr. 7; Cass., 23 juni 2009, AR P.09.0276.N, A.C., 2009, nr. 432.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.0369.N

L. J. K.

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 26 januari 2010, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 2 februari 1999.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van het bestreden arrest waarbij de strafvordering in hoofde van de eiser vervallen wordt verklaard door verjaring, is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 65 Stedenbouwwet, artikel 68 Stedenbouwdecreet 1996, artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.4.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: ten onrechte weigeren de appelrechters enig gevolg te verbinden aan de overschrijding van de redelijke termijn en beschouwen zij het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand als een noodzakelijke en verplichte maatregel die niet kan worden beïnvloed door de overschrijding van de redelijke termijn; de maatregel van herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand moet worden beschouwd als een straf in de zin van artikel 6.1 EVRM zodat de strafrechter, eens de overschrijding van de redelijke termijn is vastgesteld, verplicht is een passend herstel voor deze overschrijding te voorzien, hetgeen ook geldt voor de herstelvordering; ook wanneer de strafrechter wegens verjaring van de strafvordering geen gevangenis- of werkstraf, geldboete of eventuele bijkomende straffen kan uitspreken en enkel nog de herstelvordering aan de orde is, moet hij aan de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn een gevolg koppelen en kan hij geen herstel meer bevelen, minstens moet hij deze herstelmaatregel milderen op een wijze die reëel en meetbaar is.

3. De vaststelling dat het herstel in de oorspronkelijke staat een "straf" is in de zin van artikel 6.1 EVRM, brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepaling moeten worden in acht genomen, waaronder de behandeling van de vordering binnen een redelijke termijn.

Voormelde vaststelling heeft niet tot gevolg dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is zodat de algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht, inzonderheid wat betreft het milderen van de straf of zelfs de eenvoudige schuldigverklaring, erop toepassing moeten vinden.

4. Bij de straftoemeting in de zin van het strafwetboek vormen de ernst van het bewezen verklaarde misdrijf en de schuld van de beklaagde de grond waarop de rechter binnen de door de wet gestelde perken de strafmaat en de soort straf bepaalt. Binnen die beleidsruimte is er plaats voor mildering wegens de onzekerheid die de betrokkene door de langdurige vervolging heeft moeten doorstaan.

5. Daarentegen biedt de noodzaak om de goede ruimtelijke ordening te handhaven en waar nodig te herstellen, wegens de aard zelf van de herstelvordering die ertoe strekt de gevolgen van het misdrijf ongedaan te maken, geen ruimte tot mildering om redenen die enkel de persoonlijkheid van de dader betreffen en onverenigbaar zijn met de doelstellingen van de wet. De noodzaak van een passend herstel wegens de overschrijding van de redelijke termijn wordt daarenboven beïnvloed door de omstandigheid dat de betrokkene in afwachting van de uitspraak langdurig voordeel heeft kunnen halen uit de door hemzelf gecreëerde onwettige toestand.

6. Teneinde te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 6.1 en 13 EVRM kan de strafrechter, binnen de bevoegdheden die artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 hem toekent, en onverminderd de door hem te verrichten legaliteitstoets krachtens artikel 159 Grondwet, zich ertoe beperken als passend herstel enkel de overschrijding van de redelijke termijn op authentieke wijze vast te stellen.

Het middel faalt naar recht.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 65 Stedenbouwwet, artikel 68 Stedenbouwdecreet 1996, artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.4.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: de omstandigheid dat de maatregel van herstel in de oorspronkelijke toestand een intrinsiek strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM impliceert dat er sprake moet zijn van een rechterlijke controle met volle rechtsmacht zodat de rechter deze kan beoordelen en hervormen op alle punten, zowel in rechte als in feite; het komt de strafrechter derhalve toe om zich, ook op het vlak van de opportuniteit, uit te spreken over de keuze die de administratie heeft gemaakt, zodat het bestreden arrest ten onrechte oordeelt dat de oplegging van de herstelvordering verplicht is en dat geen opportuniteitsoordeel hierover kan worden uitgesproken (eerste onderdeel); ongeacht de intrinsiek strafrechtelijke aard van de maatregel van herstel in de oorspronkelijke toestand, dienen herstelmaatregelen inzake stedenbouw, in zoverre zij betwistingen betreffen omtrent eigendomsgebruik, aangezien te worden als betwistingen omtrent de burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6 EVRM zodat daaruit volgt dat een persoon die het verwijt wordt gemaakt een inbreuk te hebben gepleegd op de stedenbouwkundige reglementering, het recht heeft toetsing met volle rechtsmacht te laten geschieden ten aanzien van de door de stedenbouwkundig inspecteur gevorderde herstelvordering hetgeen impliceert dat de strafrechter ook de bevoegdheid moet hebben de opportuniteit van de gevorderde maatregel te beoordelen (tweede onderdeel).

8. De omstandigheid dat het herstel in de oorspronkelijke staat een "straf" is in de zin van artikel 6 EVRM, heeft tot gevolg dat de waarborgen van deze verdragsbepaling, zoals de eerbiediging van de redelijke termijn, moeten worden in acht genomen.

Wanneer de betrokkene evenwel de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf voor zijn eigendom betwist, inzonderheid de evenredigheid van de daaraan te verbinden herstelmaatregel, moet deze in ieder geval worden beoordeeld in het licht van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM.

9. De vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening maakt deel uit van het algemeen belang, tot verwezenlijking waarvan de Staat overeenkomstig voormeld artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM het recht op eigendom mag beperken en daarbij onder meer met betrekking tot de te vorderen herstelmaatregel een beleids- en appreciatiebevoegdheid vermag toe te vertrouwen aan het bestuur. Het komt immers aan de overheden toe in te grijpen om te voorkomen dat de maatregelen die ze genomen hebben ter bescherming van de ruimtelijke ordening en het milieu, hun nut verliezen.

10. Daarbij moet evenwel krachtens artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM tussen de betrokken algemene en particuliere belangen een rechtmatig evenwicht worden geëerbiedigd.

11. Krachtens artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999 beschikt het bevoegde bestuur aldus over een beleids- en appreciatiebevoegdheid die de rechter moet eerbiedigen. De rechter die overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel dat besloten is in artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 159 Grondwet vaststelt dat het gevorderde herstel beantwoordt aan de vereiste van rechtmatig evenwicht tussen de goede ruimtelijke ordening en de eigendom van betrokkene, vermag niet op grond van artikel 6 EVRM zich te mengen in het beleid van het bestuur door diens redelijk verantwoorde herstelvordering te verwerpen, alleen omdat een andere maatregel hem meer aangepast lijkt.

Het middel faalt naar recht.

Derde middel

Eerste onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het is tegenstrijdig te oordelen, enerzijds, dat de dakwerken, de vochtbehandeling van de muren, de vervanging van de ramen, de aanpassing van de inrichting waaronder de herschikking van de lokalen, elektrische installaties, de sanitaire installatie en de centrale verwarming en het herstel van de vloerplaat, die aan het bestaande gebouw werden uitgevoerd "onderhoudswerken- en instandhoudingswerken" betreffen en, anderzijds, dat deze aan het bestaande gebouw uitgevoerde werken vergunningsplichtig zijn en in die zin verbouwingswerken betreffen.

13. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt het arrest niet dat voor alle door de eiser uitgevoerde werken een bouwvergunning vereist is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 99, § 1, 1°, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 4.2.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest beslist ten onrechte dat de dakwerken, de vochtbehandeling van de muren, de vervanging van de ramen, de aanpassing van de inrichting waaronder de herschikking van de lokalen, elektrische installaties, de sanitaire installatie en de centrale verwarming en het herstel van de vloerplaat, die aan het bestaande gebouw werden uitgevoerd, vergunningsplichtige werken betreffen.

15. Het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs in het eerste onderdeel aangevoerde tegenstrijdigheid.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 72,80 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 25 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Herstel in de oorspronkelijke toestand

  • Kwalificatie als straf in de zin van artikel 6.1 E.V.R.M.

  • Gevolg

  • Overschrijding van de redelijke termijn

  • Strafvermindering

  • Eenvoudige schuldigverklaring

  • Toepassing