- Arrest van 26 januari 2011

26/01/2011 - P.11.0035.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Volgens arrest nr. 37/2009 van 4 maart 2009 van het Grondwettelijk Hof schendt artikel 96 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de veroordeelde die niet is verschenen niet toestaat verzet aan te tekenen tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot de herroeping van een uitvoeringsmodaliteit van zijn straf (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2010, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0035.F

DE PROCUREUR DES KONINGS TE BRUSSEL,

eiser,

tegen

M. D. P.,

veroordeelde,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel van 30 december 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft een conclusie neergelegd die op de griffie van het Hof ontvangen is op 19 januari 2011.

Op de rechtszitting van 26 januari 2011 heeft afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. FEITEN

Bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel van 27 juli 2009 is de verweerder voorwaardelijk in vrijheid gesteld.

Die maatregel werd bij een op 30 juni 2010 in afwezigheid van de veroordeelde gewezen vonnis ingetrokken. Het vonnis werd hem nog diezelfde dag bij gerechtsbrief ter kennis gebracht en op 6 juli 2010 heeft hij de ontvangst daarvan bevestigd.

De verweerder die op 26 november opnieuw werd opgesloten, heeft dezelfde dag verklaard dat hij tegen het vonnis van 30 juni 2010 in verzet komt.

De bestreden beslissing verklaart het verzet ontvankelijk, beveelt de invrijheidstelling van de veroordeelde en verdaagt het onderzoek van de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De eiser verwijt de strafuitvoeringsrechtbank dat zij het verzet ontvankelijk heeft verklaard, ondanks het feit dat het laattijdig was ingesteld.

Volgens arrest nr. 37/2009 van 4 maart 2009 van het Grondwettelijk Hof schendt artikel 96 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de veroordeelde die niet is verschenen, niet toestaat verzet aan te tekenen tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot de herroeping van een uitvoeringsmodaliteit van zijn straf.

Wanneer het Grondwettelijk Hof een strafwet vernietigt, kunnen de strafgerechten alleen voorzien in de leemte die deze nietigverklaring verantwoordde, indien de wet en de uitlegging waardoor zij rechtsgeldig wordt, zonder schending van een andere grondwettelijke, verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling kunnen worden toegepast. Daarnaast is vereist dat de rechter, wanneer hij in die leemte poogt te voorzien, niet voor keuzes komt te staan die alleen de wetgever vermag te maken.

De wet van 17 mei 2006 had tegen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank alleen cassatieberoep in het vooruitzicht gesteld. Die wet regelt bijgevolg niet de modaliteiten om in verzet te komen, die volgens het Grondwettelijk Hof moeten bestaan om in de aangeklaagde lacune te voorzien.

Er is bijgevolg grond om artikel 187 Wetboek van Strafvordering toe te passen, krachtens welk de gewone termijn om in verzet te komen vijftien dagen bedraagt, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis.

Onder betekening van een verstekbeslissing dient de overhandiging begrepen te worden, bij deurwaardersexploot, van een eensluidend en bijgevolg integraal afschrift van de betekende beslissing.

Daaruit volgt dat het vonnis noch artikel 187 Wetboek van Strafvordering, noch een andere wetsbepaling schendt, wanneer het beslist dat een kennisgeving bij gerechtsbrief, met bericht van ontvangst van de veroordeelde, de termijn niet doet ingaan om in verzet te komen tegen een bij verstek gewezen vonnis waarbij een strafuitvoeringsmodaliteit wordt herroepen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 26 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Strafuitvoeringsrechtbank

  • Vonnis waarbij een strafuitvoeringsmodaliteit wordt ingetrokken

  • Rechtbank deed uitspraak bij verstek

  • Beslissing vatbaar voor verzet