- Arrest van 27 januari 2011

27/01/2011 - F.08.0016.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De schadevergoeding die een advocaat aan een van zijn vennoten heeft betaald krachtens een arbitrale uitspraak die hem veroordeeld had om aldus een beroepsfout te vergoeden en die hij moest nakomen om zijn titel van advocaat te behouden, is een fiscaal aftrekbare beroepskost (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ... .

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.08.0016.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

tegen

1. B. M. en

2. F. A.,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 4 oktober 2007.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In het cassatieverzoekschrift voert de eiser volgend middel aan:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 49, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 6 juli 1994 houdende fiscale bepalingen, en 53, 1° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992

Aangevochten beslissingen

Het arrest dat uitspraak doet over de aftrekbaarheid als beroepskosten van een schadevergoeding die de verweerder in juli 1998 aan zijn vroegere vennoot heeft moeten betalen krachtens een arbitrale uitspraak van 22 april 1998 die hij als volgt samenvat: "het arbitragecollege heeft een burgerlijke fout ten laste gelegd van de twee advocaten (onder wie de verweerder) en hen veroordeeld omdat ze de samenwerking van hun advocatenkantoor met het bedrijfsrevisorenkantoor A. A. hebben voortgezet niettegen-staande het verbod van de beide Brusselse balies en omdat ze hun vennoot (...), die zich hiertegen verzette, hebben uitgesloten waardoor ze de regels van confraterniteit hebben miskend. Het college heeft de miskenning gegispt van de regels van confraterniteit die gelden onder advocaten en die één van de essentiële elementen vormen van een associatiecontract tussen advocaten, en meer in het algemeen van de deontologische regels die voor de advocaten gelden. Het arbitragecollege heeft het optreden gelaakt van de betrokken advocaten die hun eigen belang hebben laten voorgaan op het gemeenschappelijk belang van alle vennoten en van de associatie dat zij dienden na te streven krachtens de hierboven vermelde regels en het heeft beslist dat die handelwijze, samen met de verdere uitsluiting van (de vennoot), een burgerlijke fout vormt en tot gevolg heeft gehad dat (de verweerder) duidelijk niet heeft voldaan aan de verplichtingen die zij als vennoten onderschreven hebben. Op grond van artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek heeft het (de twee advocaten, onder wie de verweerder,) veroordeeld tot het vergoeden van (hun vennoot) wegens de ontbinding van hun advocatenassociatie door de foutieve handelwijze van de beide hoofdelijk veroordeelde advocaten, onder wie (de verweerder)",

beslist:

"De administratie miskent de omstandigheden van de zaak, de ter zake geldende beginselen, en geeft een verkeerde lezing van de arbitrale uitspraak wanneer ze beweert dat die arbitrale uitspraak geen enkele beroepsfout kan bestraffen daar de bestrafte handeling van de advocaat in een andere hoedanigheid dan die van advocaat is gesteld.

De eerste rechter heeft reeds oordeelkundig vermeld dat het niet volstaat dat een advocaat de hem opgelegde beroepsregels overtreedt om daaruit te kunnen afleiden dat hij een ander beroep uitoefent: als advocaat zal hij de overtreding waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt, moeten stopzetten en niet zijn activiteit als advocaat tenzij hij na een tuchtprocedure met schrapping wordt gestraft.

Indien (de verweerder) geen advocaat zou zijn geweest en de plichtenleer van de Orde van advocaten waartoe hij behoorde, niet op hem van toepassing zou zijn geweest dan had hij geen enkele fout kunnen begaan door als jurist werkzaam te zijn in een kantoor dat samenwerkte met de bedrijfsrevisoren en hun vennoten, gewone juristen en geen advocaten, die van hun kant nooit een schadevergoeding van hem hadden kunnen opeisen aangezien een ontbinding van hun associatie geenszins het gevolg kon zijn van die samenwerking die in dat geval niet onregelmatig was.

Het gaat dus wel degelijk om een beroepsfout wegens de miskenning van de regels die moeten worden nageleefd door die advocaten van de balies van Brussel die werken in de associatie die door de arbitrale uitspraak in kwestie gestraft werd. Die uitspraak veroordeelt (de verweerder) als advocaat tot het herstellen van die beroepsfout door een schadevergoeding overeenkomstig artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek (de beroepsfout is hier immers een burgerlijke en geen strafrechtelijke fout).

Aangezien de hoedanigheid van advocaat een natuurlijke persoon en geen rechtspersoon betreft, kon uitsluitend (de verweerder), een natuurlijke persoon, 'persoonlijk' worden veroordeeld en moest hij, om zijn titel van advocaat te behouden, de arbitrale uitspraak uitvoeren, hetgeen hij ook heeft gedaan.

Het standpunt van de administratie inzake de 'persoonlijke' veroordeling van [de verweerder] of de bestraffing van een 'burgerlijke fout' zijn bijgevolg helemaal niet pertinent. De conclusies die de administratie hieruit meent te trekken, zijn onjuist.

Het vereiste oorzakelijk verband tussen de teruggevorderde uitgave en de beroepsactiviteit [van de verweerder] blijkt bijgevolg genoegzaam naar recht verantwoord.

De administratie blijkt voor het hof van beroep niet echt te betwisten dat het doel van de uitgave, te weten het behoud van de belastbare inkomens van de belastingschuldige, hier aangetoond is, zoals de eerste rechter terecht heeft vastgesteld. Het staat inderdaad vast dat [de verweerder] nog steeds advocaat was (een hoedanigheid die enkel aan natuurlijke personen wordt toegewezen) tijdens het litigieuze aanslagjaar, al was dat in het kader van een burgerlijke vennootschap onder de vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, en hij geen nieuwe beroepsactiviteit is beginnen uitoefenen die geen verband houdt met zijn beroep als advocaat, zoals de controleur en vervolgens de directeur onterecht hebben verklaard.

Het hof [van beroep] besluit hier bijgevolg uit dat de litigieuze beroepskost beantwoordt aan de in artikel 49 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalde voorwaarden en dat de aftrek daarvan onterecht is geweigerd.

Bijgevolg verklaart het arrest het door de eiser ingestelde hoger beroep ongegrond en bevestigt het bijgevolg het beroepen vonnis dat "de ontheffing van de belastingaanslag van natuurlijke personen voor het aanslagjaar 1999 ten laste van de verweerders volgens artikel 708311165 van de rol van de gemeente Ukkel" bevolen had.

Grieven

De aan het hof van beroep voorgelegde arbitrale uitspraak vermeldt dat "B. H. (te weten de advocatenassociatie waartoe de verweerder behoorde) in december 1991 een exclusief samenwerkingsakkoord had afgesloten met het Franse en in Parijs gevestigde advocatenkantoor S.; dat in december 1992 in Parijs een toenaderingsakkoord werd afgesloten tussen S., enerzijds, en A. A. International Avocats, anderzijds; dat op 27 oktober 1993 een integratie-akkoord werd afgesloten tussen B. en S., onder de opschortende voorwaarde van de goedkeuring door de balie van Brussel; dat bij de ondertekening van dat akkoord, S. een cheque van 24.133.162 frank aan B. heeft overhandigd, een bedrag opgenomen als terugbetaalbare lening (...) als het akkoord door de balie van Brussel niet zou worden goedgekeurd en er geen enkele andere modus operandi kon worden gevonden; dat het auditkantoor A. A. Brussel aldus vanaf april-mei 1994 een referentiecliënt van B. wordt; dat B., op 9 mei 1994, zijn kantoor overgebracht heeft naar het gebouw waarin de kantoren van A. A. Brussel gevestigd waren (...); dat op 15 november 1994 de twee balies van Brussel hebben laten weten dat ze het integratieproject tussen B. en A. weigerden goed te keuren, (...); dat het associatiecontract een fundamenteel element opwerpt: de confraterniteit, vermits de vennootschap hoofdzakelijk was opgericht in het gemeenschappelijk belang van alle contracterende partijen; (...); dat die notie van confraterniteit bijzondere verplichtingen oplegt aan de vennoten en precies stoelen op het uitsluiten van elke vorm van eigen belang; dat die principes gepaard gaan met de strikte deontologische regels die de personen die het beroep van advocaat uitoefenen, moeten naleven en waarvan zij niet mogen afwijken in eigen of zelfs collectief belang; dat blijkt uit de feiten en stukken die in het debat aan bod zijn gekomen dat de partijen, en meer bepaald (de twee advocaten - onder wie de verweerder - die uiteindelijk veroordeeld zullen worden), dat doel niet meer hebben nagestreefd sinds de ondertekening van het integratieakkoord van B. met S.; (...) dat (zij), zelfs na de weigering door de twee ordes van advocaten te Brussel, hun relatie met Arthur Andersen niet hebben gewijzigd; dat (zij) de inmenging van A. A. in het beroepsleven van de vennootschap hebben toegelaten, gedoogd en in de hand gewerkt waarbij ze hun organisatie steeds meer hebben aangepast aan het door A. A. voorgestelde en zelfs opgedrongen schema; dat de (twee veroordeelde vennoten) druk hebben uitgeoefend op (de derde vennote) opdat zij haar ontslag zou geven, hetgeen zij geweigerd heeft; dat die handelwijze samen met het steeds meer opzij schuiven van de (derde vennote) een burgerlijke fout is, zodat de (twee veroordeelde advocaten) de verplichtingen waartoe ze zich als vennoten verbonden hadden, niet na zijn gekomen; dat hun houding was ingegeven door hun persoonlijk belang en niet door het gemeenschappelijk belang van alle vennoten en van de associatie; dat (de twee veroordeelde advocaten) zodoende hun verplichtingen als zaakvoerder-vennoot ernstig hebben verwaarloosd door de toekomst van de associatie te laten steunen op de voortzetting van een multidisciplinaire samenwerking, hoewel die formeel verworpen was door de twee ordes van de balie van Brussel; dat (de twee veroordeelde advocaten), hoewel de arbitrageprocedure hangende was en het arbitragecollege hun verzoek tot onmiddellijke ontbinding tot tweemaal toe niet heeft ingewilligd, op 20 november 1996 hun ontslag hebben gegeven; dat die opzegging niet van goede trouw doet blijken en ontijdig gedaan werd, in de zin van artikel 1869 van het Burgerlijk Wetboek; dat (de twee veroordeelde advocaten) door aldus het aantal vennoten tot één te verminderen afbreuk hebben gedaan aan de belangen van de vennootschap en bijgevolg aan (de derde vennote); (...) dat, overeenkomstig artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek, de schade die (de derde vennote) heeft geleden als gevolg van de ontbinding van de vennootschap door het foute optreden van (de twee veroordeelde advocaten) enerzijds bestaat uit het verlies dat zij daardoor heeft geleden als aandeelhouder van de vennootschap (damnum emergens) en, anderzijds, uit de inkomstenderving ten gevolge van de ontbinding van voornoemde vennootschap gedurende de periode van 19 februari 1997 tot de dag dat zij de leeftijd van vijfenzestig jaar zal hebben bereikt (lucrum cessans) (hetzij vier jaar en twee maanden); (...) dat, in tegenstelling tot wat de (twee veroordeelde advocaten) pogen aan te tonen, er een duidelijk oorzakelijk verband is tussen de ontbinding van de vennootschap in collectieve naam en het ontslag van twee van de drie vennoten; dat de periode waarbinnen de (derde vennote) beroepsinkomsten heeft gederfd waarop zij normalerwijs mocht rekenen, bijgevolg moet worden vastgesteld op vier jaar en twee maanden".

Uit de bewoordingen van die arbitrale uitspraak en uit de algemene opzet ervan blijkt dat de schadevergoeding die de verweerder als beroepskost wil aftrekken, bedoeld is om de schade te vergoeden die de derde vennote van B. door een fout optreden heeft geleden. Dat optreden bestaat zowel erin 1. weloverwogen een zakenrelatie te hebben onderhouden met het auditkabinet A. A. Brussel, wat de twee ordes van de balie van Brussel niet hebben toegestaan en die de deontologische regels van het beroep van advocaat miskent, als 2. door de voornoemde zakenrelatie waartegen de derde vennote gekant was, de regels van confraterniteit, die één van de voornaamste pijlers zijn van associatiecontracten tussen advocaten, te hebben miskend, waarbij zij de derde vennote steeds meer opzij hebben geschoven zodat de vennootschap werd ontbonden ten gevolge van een ontslag dat niet van goede trouw doet blijken, met miskenning trouwens van de deontolgische regels van het beroep van advocaat.

Beroepskosten zijn wettelijk aftrekbaar wanneer de litigieuze schadevergoeding inherent is aan de uitoefening van de beroepswerkzaamheid. Artikel 53, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalt immers: "Als beroepskosten (aftrekbaar overeenkomstig artikel 49 van dit Wetboek) worden niet aangemerkt : uitgaven van persoonlijke aard, zoals (...) alle (...) uitgaven die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid niet noodzakelijk zijn".

Hoewel handelingen die wettelijke bepalingen schenden die zoals artikel 437 van het Gerechtelijk Wetboek het beroep van advocaat regelen of de deontologische regels van dat beroep miskennen, als een "beroepsfout" kunnen worden aangemerkt, omdat zij bij de uitoefening van de beroepsactiviteit van advocaat zijn gesteld, volgt daaruit echter niet noodzakelijk dat de voor het herstel van die beroepsfout betaalde sommen beroepskosten zijn, aangezien alleen de kosten die noodzakelijk zijn gemaakt voor het uitoefenen van het beroep aftrekbaar zijn.

Hieruit volgt dat, tenzij men ervan uitgaat dat de samenwerking met een kabinet van bedrijfsrevisoren ondanks de door de twee ordes van de balie van Brussel uitgesproken weigering met de miskenning van de regels van confraterniteit tot gevolg, inherent zijn aan het uitoefenen van het beroep van advocaat, quod non, de handelingen die hier zijn gesteld en die de deontologische regels van het beroep van advocaat miskennen, niet noodzakelijk waren om dat beroep uit te oefenen zodat de schadevergoeding waartoe ze geleid hebben, geen wettelijk aftrekbare beroepskost is.

De omstandigheid dat de verweerder door de betaling van de schadevergoeding "zijn titel van advocaat heeft kunnen behouden" betekent niet dat de handelingen waarvoor de schadevergoeding is betaald, het door de fiscale wet vereiste noodzakelijk oorzakelijk verband vertonen, vermits moet worden nagegaan wat de aanleiding was van de vergoeding om te beoordelen of die noodzakelijk is voor het uitoefenen van het beroep.

Hoe dan ook, net zo min als de kosten voor het behalen van het diploma van doctor of van licentiaat in de rechten, dat krachtens artikel 428 van het Gerechtelijk Wetboek vereist is om de titel van advocaat te dragen, betrekking hebben op het uitoefenen van het beroep van advocaat, was ook de litigieuze schadevergoeding niet noodzakelijk voor het uitoefenen van het beroep van advocaat.

Men zal hierbij opmerken dat als kosten die zijn gemaakt om de titel van advocaat te behalen, de voorwaarde kunnen vervullen van de zogeheten "finaliteit" die ook geldt voor de fiscale aftrek van beroepskosten en die meer bepaald steunt op de bewoording "om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden" van artikel 49 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, de litigieuze schadevergoeding in dit geval toch niet wettelijk kan worden afgetrokken vermits de voorwaarden van de zogeheten "causaliteit" (artikel 53, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992) en de "finaliteit" (artikel 49 van hetzelfde wetboek) allebei moeten vervuld zijn.

Uit wat voorafgaat, volgt dat het arrest de artikelen 49 en 53, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 schendt in zoverre het beslist dat de litigieuze schadevergoeding wettelijk aftrekbare beroepskosten zijn.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Uit de artikelen 49, eerste lid, en 53, 1°, WIB92 volgt dat uitgaven als beroepskosten kunnen worden beschouwd als zij inherent zijn aan het uitoefenen van het beroep.

Het arrest heeft vastgesteld dat de verweerder, advocaat, door een arbitrale uitspraak veroordeeld werd om aan één van de vennoten een schadevergoeding te betalen voor feiten die verband houden met het uitoefenen van het beroep van advocaat. Het oordeelt dat "het dus degelijk een beroepsfout is wegens de miskenning van de regels die de advocaten van de balies van Brussel moeten naleven en die werken in de door associatie, die de kwestieuze arbitrale uitspraak straft; dat die uitspraak [de verweerder] als advocaat veroordeelt tot het herstellen van die beroepsfout door een schadevergoeding overeenkomstig artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek", dat "[de verweerder], om zijn titel van advocaat te behouden, de arbitrale uitspraak moest uitvoeren, hetgeen hij ook heeft gedaan" en dat "het vereiste oorzakelijk verband tussen de teruggevorderde uitgave en de beroepswerkzaamheid [van de verweerder] bijgevolg naar recht is verantwoord".

Hiermee verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht dat de uitgaven in kwestie fiscaal aftrekbare beroepskosten zijn.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Gustave Steffens en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 27 januari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Advocaat

  • Beroepsfout

  • Arbitrale uitspraak

  • Veroordeling tot schadevergoeding

  • Aftrekbaarheid

  • Oorzakelijkheid